5-609/3

5-609/3

Belgische Senaat

ZITTING 2010-2011

22 DECEMBER 2010


Wetsontwerp houdende diverse bepalingen (I)


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE FINANCIËN EN VOOR DE ECONOMISCHE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR

DE HEER BELLOT


I. INLEIDING

Dit optioneel bicameraal wetsontwerp werd op 9 december 2010 door de regering in de Kamer van volksvertegenwoordigers ingediend (stuk Kamer, nr. 53-771/1).

Het werd er op 22 december 2010 aangenomen door de plenaire vergadering met 74 stemmen tegen 25 bij 34 onthoudingen.

Het ontwerp werd dezelfde dag nog overgezonden aan de Senaat en geëvoceerd.

In toepassing van artikel 27.1., tweede lid, van het Reglement van de Senaat, heeft de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden, die zich diende te buigen over de titel 5, hoofdstuk 1 tot en met 6, titels 6, 8, 9, 15, 16 en 19, van het wetsontwerp, werd de bespreking reeds aangevat voor de eindstemming in de Kamer van volksvertegenwoordigers.

De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 17, 20 en 22 december 2010.

Tijdens deze bespreking laakt mevrouw Van dermeersch het principe van een wetsontwerp houdende diverse bepalingen. Spreekster stelt vast dat deze ontwerpen halfjaarlijks terugkomen en dat ze op een drafje door het Parlement en zeker door de Senaat worden gejaagd. Daarbij wordt het die laatste instelling niet toegelaten om ook maar één wijziging bij amendement aan te brengen.

Verder wil het lid nog opmerken dat in dergelijke wetsontwerpen diverse bepalingen of programmawetten geregeld voorstellen tot aanpassing worden teruggevonden die de oppositie reeds heeft geformuleerd bij eerdere besprekingen van andere wetsontwerpen. Echter, op dat ogenblik werden deze amendementen, via een stemming meerderheid/oppositie, weggestemd.

II. INLEIDENDE UITEENZETTINGEN

A. Titel 5. Telecommunicatie, Economie, hoofdstukken 1 tot en met 5 : inleidende uiteenzetting door de ontslagnemende minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen

De ontslagnemende minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen verduidelijkt dat bij het opstellen van de koninklijke besluiten ter uitvoering van de wet van 13 juni 2010 op het consumentenkrediet een aantal onvolkomenheden en onnauwkeurigheden aan het licht gekomen zijn.

Concreet werden zowel vanuit het begeleidingscomité bij de Centrale voor kredieten aan particulieren bij de Nationale Bank als vanuit de Raad voor het Verbruik een aantal juridisch-technische verbeteringen aangevraagd. Die verbeteringen zijn dringend. Voor deze aanpassingen werd zowel aan de kredietgevers als aan de consumenten om advies gevraagd en zij ondersteunen de voorgelegde voorstellen tot wijziging.

Een tweede aspect van de voorgestelde bepalingen heeft betrekking op de problematiek van de collectieve schuldenregeling. De voorgestelde artikelen zijn vooral verduidelijkingen betreffende de problematiek van de schuldbemiddeling en het Fonds ter bestrijding van de overmatige schuldenlast.

Ook worden nieuwe bijdrageplichtigen aan het Fonds ter bestrijding van de overmatige schuldenlast (met name de verzekeringsmaatschappijen en de kansspelinrichters) ontheven van de betaling van een bijdrage voor het begrotingsjaar 2009. Het was nooit de bedoeling dat zij in 2009 tot het Fonds zouden bijdragen. Omdat de wet één van de laatste dagen van 2009 werd bekend gemaakt, werd evenwel die indruk gewekt.

In verband met de problematiek van de metaaldiefstallen wordt in het voorgestelde artikel 19 het strafrechtelijke aspect ervan geregeld. De regeling zelf is een verantwoordelijkheid van de ontslagnemende minister van Binnenlandse Zaken en wordt daarom toegelicht in de Commissie voor de Binnenlandse Aangelegenheden. Spreker stipt nog aan dat, op 3 februari 2009, een ministerieel besluit tot invoering van een identificatieverplichting voor metaalwederverkopers werd ingevoerd. Dit ministerieel besluit heeft een positief effect gehad op de metaaldiefstallen maar werd op om juridisch-technische redenen opgeheven bij het ministerieel besluit van 11 juni 2010. Het is daarom dat de bepalingen nu rechtstreeks in de wet worden ingevoerd.

Tot slot werden er via amendement in de Kamer van volksvertegenwoordigers nog bepalingen ingevoegd die betrekking hebben op de wet van 10 december 2009 betreffende de betalingsdiensten. In de toekomst wordt de verplichting ingevoerd dat contractuele informatie moet worden ingeschreven in een raamcontract in plaats van in de pre-contractuele fase.

B. Titel 6. Financiën : Inleidende uiteenzetting door de ontslagnemende vice-eersteminister en minister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen

1. Hoofdstuk 1 — Inkomstenbelastingen

1. Het is de bedoeling het voor autonome overheidsbedrijven die de bezoldigingen voor de maand december in de loop van de maand januari van het volgende jaar betalen, mogelijk te maken die bezoldigingen in december te betalen zonder de betreffende werknemers fiscaal te bestraffen.

Bovendien wordt rekening gehouden met het feit dat die autonome overheidsbedrijven en de overheid niet alleen eigenlijke bezoldigingen uitbetalen, maar ook vervangingsinkomens.

2. Vervolgens bestaat er sinds vorig jaar een voorstel van aanslag als alternatief voor de klassieke aangifte in de personenbelasting.

Om de terminologie van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 in overeenstemming te brengen met de praktische uitwerking van artikel 306 van dat Wetboek, worden de woorden « voorstel van aanslag » vervangen door de woorden « voorstel van vereenvoudigde aangifte ».

2. Hoofdstuk 2 — Diverse wijzigingen inzake douane en accijnzen

1. Eerst en vooral zijn wijzigingen in de wet van 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak noodzakelijk, gelet op de invoering van een nieuw systeem van inning van accijnzen en btw op tabaksfabrikaten.

2. Ten tweede is het omwille van de samenhang van de wetgeving en met het oog op de rechtszekerheid belangrijk dat de wijzigingen van het tarief van de bijzonder accijns op dieselgasolie die werden aangebracht door middel van de bekendmaking van officiële berichten, ten spoedigste in de wet van 27 december 2004 worden opgenomen.

3. Tot slot is het noodzakelijk dat er maatregelen worden getroffen om de controle- en validatieprocedure te verbeteren van de verslagen die de inzake biobrandstoffen geselecteerde operatoren jaarlijks bij de Commissie tot erkenning van biobrandstoffen moeten indienen.

3. Hoofdstuk 3 — Wijzigingen in de wet van 22 december 2009 houdende fiscale en diverse bepalingen

Er heeft zich tijdens de parlementaire werkzaamheden een materiële vergissing voorgedaan. Door de weglating van het ontworpen artikel 89 dat betrekking had op de pensioenleeftijd van de Gouverneur van de Nationale Bank van België, werden de volgende artikelen immers vernummerd.

Artikel 92 dat de inwerkingtreding regelt van de artikelen 87 tot 91, werd niet aan de nieuwe nummering aangepast.

4. Hoofdstuk 4 — Wijziging in de wet van 12 mei 2010 tot machtiging van de minister van Financiën om leningen aan de Helleense Republiek toe te staan

Gevolg gevend aan de verklaring van de Staats- en Regeringsleiders van 25 maart 2010, zijn de lidstaten van de eurozone de regeling overeengekomen van de financiële steun die zal worden verleend aan Griekenland gedurende een periode van drie jaar.

Dit hoofdstuk beoogt het totale bijdragebedrag van de Belgische Staat op te trekken tot 2 860 942 462,10 euro over drie jaar.

C. Titel 8. Leefmilieu en duurzame ontwikkeling : Inleidende uiteenzetting door de ontslagnemende minister van Klimaat en Energie

1. Hoofdstuk 1 — Wijziging van de rubriek 25-1 van de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen (fonds bestemd voor de financiering van het federale beleid ter reductie van de emissies van broeikasgassen)

Dit hoofdstuk past de organieke wet van 27 december 1990 houdende de oprichting van begrotingsfondsen aan, door het maximumbedrag dat de CREG in het organiek begrotingsfonds voor de financiering van het federale beleid ter reductie van de emissies van broeikasgassen (Kyotofonds) jaarlijks stort, te verhogen van 2,3 naar 3,6 miljoen euro vanaf 1 januari 2010. Het voorziet ook in een bijkomende eenmalige storting van 700 000 euro om de bijkomende kredieten te dekken die voor het jaar 2010 worden toegekend naar aanleiding van, onder andere, werkzaamheden inzake het Belgisch voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie. Deze bepalingen geven uitwerking aan de wet houdende eerste aanpassing van de algemene Uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2010 van 19 mei 2010, met inbegrip van de ramingtabel.

Dit hoofdstuk past eveneens de organieke wet van 27 december 1990 aan aan de wijzigingen die de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen heeft aangebracht in de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. Dit hoofdstuk stemt immers de verwijzingen naar de artikelen 12, § 5, 4, en 21 van de wet van 29 april 1999 af op de wijzigingen aangebracht in de wet van 29 april 1999 door de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen, door deze respectievelijk te vervangen door de verwijzingen naar de artikelen 21bis, § 1, 4, en 21ter.

2. Hoofdstuk 2 — Wijziging van de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid

Dit hoofdstuk heeft tot doel de gedeeltelijke omzetting in Belgisch recht van de richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (hierna : « strafrechtrichtlijn »). Deze richtlijn moet voor 26 december 2010 omgezet worden, bijgevolg zijn er dringende maatregelen vereist.

Op 19 november 2008 hechtte de Europese wetgever zijn goedkeuring aan de strafrechtrichtlijn met als hoofddoel bij te dragen tot de harmonisering en tot de onderlinge aanpassing van de strafwetgevingen van de lidstaten van de Europese Unie. De strafrechtrichtlijn voorziet ook in de uitwerking van strafrechtelijke maatregelen die het mogelijk moeten maken om de gezondheid van personen en het milieu doeltreffender te beschermen in geval van handelingen die ernstige milieuschade toebrengen en die in strijd zouden zijn met een deel van de communautaire en nationale milieuwetgeving, die overeenstemt met tweeënzeventig richtlijnen en verordeningen die opgesomd zijn in de bijlage van de richtlijn.

Zij omvat vier grote delen die betrekking hebben op :

1. de strafbaar te stellen handelingen (materieel toepassingsgebied),

2. uitlokking en medeplichtigheid,

3. sancties en

4. de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen.

Wat het op de markt brengen van producten betreft, gaat het over de strafbare handelingen van het lozen van materie die de lucht, de bodem en het water schade kan toebrengen en die letsel aan personen kan toebrengen dan wel schade aan het leefmilieu. De lozing moet begaan zijn op wederrechtelijke en opzettelijke wijze of uit grove nalatigheid. Het wetsontwerp verzwaart dus de sancties waarin artikel 17, §§ 1 en 2 van de bestaande wet reeds voorzag, met inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel, rekening houdend met het morele opzet te schaden.

3. Hoofdstuk 3 — Wijziging van de wet van 30 juli 2010 tot wijziging van de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling

Het betreft de wijziging van de overgangsbepalingen om de inwerkingtreding van het volgende plan uit te stellen en dus de geldigheid van het bestaande plan te verlengen om enige continuïteit van het beleid te verzekeren.

D. Titel 9. Mobiliteit : Inleidende uiteenzetting door de ontslagnemende staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister

1. Hoofdstuk 1. Milieu en Mobiliteit — Wetsontwerp houdende wijziging van de wet van 18 februari 1969 en van de wet van 21 juni 1985 met het oog op de gedeeltelijke omzetting van de richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht

De richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht verplicht de lidstaten in hun nationale wetgeving strafrechtelijke sancties voor ernstige overtredingen van bepalingen van het Gemeenschapsrecht inzake milieubescherming op te nemen.

Het wetsontwerp brengt in het bijzonder de nodige wijzingen aan inzake de bestraffing van schendingen van productnormen in transportaangelegenheden die gelijktijdig een ernstige schending van het milieurecht in de zin van voormelde richtlijn uitmaken.

Bij het bepalen van de strafmaat verklaart de staatssecretaris zich te hebben gealigneerd op de strafmaat die voor andere sectoren werd bepaald die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen.

De omzettingsdatum van deze richtlijn is 26 december 2010.

2. Hoofdstuk 2. Binnenvaart — Wijzigingen van de wet van 8 juli 1976 betreffende de vergunning voor de exploitatie van binnenvaartuigen en betreffende de financiering van het Instituut voor het transport langs de binnenwateren

Overeenkomstig de wet van 8 juli 1976 moet elk binnenvaartuig gebruikt of bestemd voor het goederenvervoer in het bezit zijn van een exploitatievergunning. De afgifte van deze vergunning geeft aanleiding tot het heffen van een jaarlijks recht berekend op basis van de tonnenmaat en het motorvermogen van het vaartuig. Deze rechten voorzien in de werkingskosten van het Instituut voor het Transport langs de Binnenwateren (ITB) en moeten aan dit instituut worden overgedragen.

De heffing en de uitreiking van de vergunning diende te gebeuren door de dienst regulering der binnenvaart (DRB). Sedert de ontbinding van de DRB in 1999 worden deze taken waargenomen door de FOD Mobiliteit en Vervoer die de bedragen int en vervolgens doorstort aan het ITB.

Op 1 januari 2011 schakelt de FOD Mobiliteit en Vervoer over naar het nieuw boekhoudkundig systeem voor de federale overheid, FEDCOM.

De inning, het beheer en de opvolging van de vordering van de rechten brengt een overmatig bijkomende werklast mee voor de FOD Mobiliteit en Vervoer. Er zijn namelijk gemiddeld 200 vorderingen per maand met pieken tot 600 vorderingen. Vandaar wordt voorgesteld om de betaling van de rechten rechtstreeks op de rekening van het ITB te laten geschieden, wat zinvol is in het kader van administratieve vereenvoudiging.

3. Hoofdstuk 3. Wijzigingen van de wet van 5 mei 1936 op de binnenbevrachting

De wijzigingen van de wet van 5 mei 1936 dringen zich op omdat een aantal technische aanpassingen nodig zijn om de partijen bij een bevrachtingsovereenkomst in de mogelijkheid te stellen andere formules te gebruiken voor het vaststellen en toepassen van ligtijden bij laden en lossen, alsmede de bedragen van het overliggeld.

In het kader van de noodzakelijke aanpassing aan de huidige realiteit van termijnen en bedragen opgenomen in het koninklijk besluit van 4 mei 1999 betreffende de ligtijd en het bedrag van de overliggelden inzake binnenbevrachting, is er einde 2009, na overleg met de partijen, een overeenkomst tot stand gekomen om deze termijnen en bedragen te actualiseren. De geplande wijziging impliceert echter dat er moet kunnen worden gewerkt met termijnen uitgedrukt in delen van een dag. Momenteel voorziet de wet slechts in termijnen uitgedrukt in volle dagen. Om een aanpassing van het koninklijk besluit te kunnen verrichten, dienen er dus eerst een aantal bepalingen in de wet te worden gewijzigd, zodat het werken met delen van een dag mogelijk wordt.

Deze actualisering heeft een dringend karakter. Ze is een voorwaarde om het voormelde koninklijk besluit te kunnen actualiseren, vermits de erin vermelde bedragen niet meer verantwoord zijn ten opzichte van de actuele kosten. Bovendien is een actualisering een belangrijk signaal aan de sector dat de overheid ook aandacht heeft voor de moeilijke situatie waarin de sector zich bevindt naar aanleiding van de crisisperiode.

4. Hoofdstuk 4. Wegvervoer — Uitvoering van de verordening (EEG) nr. 3821/85 van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer

Hoofdstuk 4 omvat een wetsontwerp dat in een wettelijke basis voorziet om de Koning in staat te stellen maatregelen te nemen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 3821/85 van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer.

Die wettelijke basis ontbreekt momenteel. De Raad van State wees op die leemte in een advies van 31 maart 2010, wat dit dossier dringend maakt.

Deze wet machtigt de Koning om het volgende vast te stellen :

— de prijs van de tachograafkaarten;

— de rijbewijscategorieën die vereist zijn om een bestuurderskaart te verkrijgen ;

— de termijn waarbinnen de houder van een tachograafkaart, waarvan de geldigheidsduur is verstreken of die niet meer wordt gebruikt, deze kaart aan de bevoegde instantie moet terugbezorgen.

Wat de prijs van de tachograafkaarten betreft, is de dringendheid des te meer van toepassing omdat de vijfjaarlijkse vernieuwing van de kaarten lopende is (verplichting van de Europese verordening betreffende de kaarten voor bestuurder en bedrijf die meer in het bijzonder de bestuurders- en bedrijfskaarten behelst).

Voorts wijst de staatssecretaris erop dat de organisaties van wegtransporteurs binnen het ITLB (het Instituut Wegtransport en Logistiek-België) principieel akkoord gaan met die verhoging.

Wat de vereiste rijbewijzen betreft om een bestuurderskaart te verkrijgen, is die wijziging gerechtvaardigd op basis van een aanpassing van de Belgische wetgeving aan de Europese wetgeving. Die moet snel plaatsvinden, wat nog vanzelfsprekender is gelet op het Belgische voorzitterschap van de EU.

In sommige gevallen moet de overheid inderdaad een bestuurderskaart kunnen afleveren aan de houders van een rijbewijs van categorie B die voertuigen besturen die met een tachograaf moeten uitgerust zijn. Dat is momenteel niet het geval en het benadeelt sommige gebruikers.


Wat het onderdeel luchtvaart betreft, zijn in de hoofdstukken 5 en 6 van titel 9 twee bepalingen opgenomen namelijk een bepaling inzake luchthavenidentificatiebadges en een wijziging van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919, betreffende de regeling der luchtvaart.

5. Hoofdstuk 5. Luchthavenidentificatiebadges

Inzake de luchthavenidentificatiebadges is de bevoegdheid voor het verlenen van veiligheidsadviezen voor de aflevering van deze badges aan de Directeur-generaal van het Directoraat-generaal Luchtvaart van de FOD Mobiliteit en Vervoer toevertrouwd; dit gelet op enerzijds de grote hoeveelheid luchthavenidentificatiebadges (ongeveer tweemaal het aantal adviezen dat nu per jaar door de Nationale Veiligheidsoverheid wordt verstrekt) en anderzijds het feit dat bij het toekennen van adviezen rekening moet worden gehouden met de functie van de aanvrager (gevoeligheid van de taken) en de plaats waar hij werkt op de luchthaven.

Het artikel heeft als doel de termijn met één jaar te verlengen waarbinnen de directeur-generaal van het directoraat-generaal Luchtvaart van de FOD Mobiliteit en Vervoer of de volgens zijn voorschriften door hem aangewezen instantie, is gemachtigd veiligheidsadviezen te verstrekken over verzoeken inzake luchthavenidentificatiebadges bedoeld in de artikelen 6 tot 8 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 houdende regeling van de beveiliging van de burgerluchtvaart.

6. Hoofdstuk 6. Wijziging van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919, betreffende de regeling der luchtvaart

Artikel 39 van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919, betreffende de regeling der luchtvaart, betreft de mandaten die kunnen worden toegekend aan personeelsleden van de luchthaveninspectie, ressorterend onder de exploitanten van de luchthavens.

Artikel 39, § 1, van bovenvermelde wet heeft betrekking op de luchthaven van Brussel-Nationaal terwijl dat artikel 39, § 2, van deze wet eenzelfde structuur in het leven heeft geroepen voor de gewestelijke luchthavens.

De wijziging die door onderhavige wet wordt ingevoerd, wijzigt niets aan de inhoud maar wil enkel de bedoeling van de wetgever duidelijk weergeven.

Artikel 12, 2, van de wet houdende diverse bepalingen 30 december 2009 heeft artikel 39, § 1, tweede lid, vervangen als volgt :

« De personeelsleden van de luchthaveninspectie ressorterend onder de exploitant van de luchthaven Brussel-Nationaal staan met betrekking tot de uitoefening van de in dit lid bedoelde bevoegdheden steeds onder het gezag van de hoofdinspecteur en de adjunct-hoofdinspecteur van de luchthaveninspectie. Zij kunnen in deze geen richtlijnen ontvangen vanwege de exploitant van de luchthaven. »

Deze wijziging heeft tot gevolg dat de verwijzing naar artikel 39, § 1, tweede lid, in artikel 39, § 2, derde lid, foutief is.

7. Hoofdstuk 7. Spoorvervoer — Wijziging van de wet van 19 december 2006 betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorwegen en van de programmawet van 22 december 2008

De Europese Commissie stelde de Belgische Staat in gebreke meer bepaald omdat de veiligheidsinstantie (de DVIS) onvoldoende onafhankelijk zou zijn. De directeur is immers een gedetacheerd lid van de spoorweggroep. Dit wetsontwerp strekt ertoe de leiding van de veiligheidsinstantie, ten laatste 18 maanden vanaf de bekendmaking van de wet, geen enkele band meer te laten hebben met de NMBS-Holding.

Een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, zal de inhoud van het begrip « leiding » omschrijven.

Ten slotte deelt de staatssecretaris mee dat, volgens de huidige analyse en gelet op het stijgend aantal personeelsleden van de DVIS dat veertig eenheden bedraagt in 2012 ten opzichte van vijfendertig in 2011, de leiding uit twee personen zou moeten bestaan, namelijk de directeur van de DVIS en de adjunct-directeur. Zij behoren tot een verschillende taalrol.

Door die clausule in te voegen, is de staatssecretaris ervan overtuigd dat de Europese Commissie geen redenen meer zal hebben om zich te verzetten tegen de uitgewerkte regeling.

E. Titel 15. Begroting : Inleidende uiteenzetting door de ontslagnemende staatssecretaris voor Begroting, Migratie en asielbeleid,Gezinsbeleid en de Federale Culturele Instellingen

Titel 15 van het wetsontwerp strekt ertoe de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat en de wet van 22 mei 2003 tot wijziging van de wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof, uit te voeren.

Op 1 januari 2011 treden drie nieuwe federale overheidsdiensten toe tot het FEDCOM-project (de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, de FOD Financiën en de FOD Mobiliteit en Vervoer).

Dit betekent dat de nieuwe regeling inzake overheidsboekhouding moet worden aangepast, zoals dat de vorige jaren het geval is geweest.

De Titel « Begroting » van het wetsontwerp houdende diverse bepalingen strekt er dus toe die regeling aan te passen om die federale overheidsdiensten in aanmerking te kunnen nemen.

Zonder die bepalingen zou er voor die federale overheidsdiensten een nadelig juridisch vacuüm ontstaan.

Ten eerste dient de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat te worden aangepast aan de drie voormelde federale overheidsdiensten opdat een aantal van die bepalingen in werking kunnen treden.

Er wordt echter in een uitzondering voorzien op de toepassing van de artikelen 7 en 8 wat de verwerking van de fiscale en niet-fiscale ontvangsten door de FOD Financiën betreft. Wat die ontvangsten betreft, treden de artikelen 7 en 8 in werking op 1 januari 2015. Bij koninklijk besluit kan de inwerkingtreding echter op een vroegere datum worden vastgesteld voor bepaalde categorieën van fiscale en niet-fiscale ontvangsten.

De artikelen 75 en 76 van de wet van 22 mei 2003 worden ook gewijzigd. Met deze wijzigingen worden meer haalbare datums vooropgesteld voor het doorsturen van de algemene rekening, naar analogie van de datums uit de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit.

Het toepassingsgebied van artikel 135 van dezelfde wet, dat de toekenning van voorschotten mogelijk maakt, wordt uitgebreid om de FOD's die het FEDCOM-systeem integreren, in aanmerking te kunnen nemen.

De wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat en de wet van 22 mei 2003 tot wijziging van de wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof, moeten ook worden aangepast.

Ten slotte moet het toepassingsgebied van de wettelijke bepalingen die nodig zijn om de controle van de vastleggingen aan te houden zoals die thans werkt, worden uitgebreid.

F. Titel 16. Energie : Inleidende uiteenzetting door de ontslagnemende minister van Klimaat en Energie

1. Hoofdstuk 1 — Wijziging van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze kerncentrales

Zoals werd aangetoond door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 32/2010 van 30 maart 2010, werd erkend dat de kernexploitanten een voordelige situatie genoten hebben en genieten.

Deze voordelige situatie vloeit voort uit het verschil tussen de vrij lage productiekost en de hoge marktprijzen.

Dit hoofdstuk beoogt om de Staat de middelen ter beschikking te stellen voor haar energiebeleid teneinde tegemoet te komen aan de Europese vereisten en doelstellingen alsook om de sociale energiecohesie te versterken die aanzienlijk werd aangetast door de combinatie van de economische crisis en de verhoging van de energieprijs. Bovendien beoogt deze bijdrage om de overstap van de Belgische samenleving naar de energievormen van morgen die minder CO2 uitstoten en die grotendeels gebaseerd zijn op hernieuwbare energie te verzekeren.

Net zoals de repartitiebijdragen die hiertoe werden ingevoerd voor 2008 door de programmawet van 22 december 2008 en voor 2009 door de programmawet van 23 december 2009, voert dit ontwerp van wet aldus voor 2010 een repartitiebijdrage in van 250 miljoen euro ten laste van de kernexploitanten.

2. Hoofdstuk 2 — Bekrachtiging van diverse koninklijke besluiten genomen krachtens de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, en de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen

Zowel voor de elektriciteits- als voor de gassector zijn verscheidene koninklijke besluiten die tijdens de vorige regeerperiode werden genomen, niet bekrachtigd zoals de wet bepaalt.

Dit is met name het geval voor het koninklijk besluit van 9 maart 2010 tot vaststelling van de bedragen die bestemd zijn voor de financiering van de werkingskosten van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas voor het jaar 2010, en voor het koninklijk besluit van 9 maart 2010 tot vaststelling van de bedragen voor 2010 van de fondsen die bestemd zijn voor de financiering van de werkelijke kostprijs ingevolge de toepassing van maximumprijzen voor de levering van elektriciteit en aardgas aan beschermde residentiële afnemers.

3. Hoofdstuk 3 — Fonds middellange termijn — Wijziging van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980

De regering heeft, in haar beslissing van 23 juni 2006, geopteerd voor de definitieve berging van het radioactief afval met een lage en middelhoge stralingsactiviteit en een korte halveringstijd (afval van categorie A) op het grondgebied van de gemeente Dessel. Deze beslissing was het eindpunt van een lang proces van besprekingen en overleg met de lokale gemeenschappen van Dessel en Mol. De beslissing van de regering houdt rekening met de bijbehorende voorwaarden die de lokale collectiviteit kenbaar heeft gemaakt. Het toepassen van deze bijbehorende voorwaarden is onlosmakelijk verbonden met de uitvoering van het technisch bergingsproject, en moet daarmee samengaan. Deze voorwaarden vormen immers de sociaal-economische dimensie van het project en moeten noodzakelijkerwijs samen met de bouw van de verschillende technische componenten van het project worden toegepast.

De financiering van de technische voorwaarden geschiedt door het Fonds op lange termijn, dat wordt gestijfd met bijdragen van de afvalproducenten overeenkomstig de NIRAS-wet, naarmate het afval door de instelling wordt beheerd.

De NIRAS-wet voorziet echter niet in de financiering van de bijbehorende voorwaarden. Daarom heeft de regering bij beslissing van 23 juni 2006 aan de NIRAS gevraagd een wetgevend kader daarvoor op te stellen.

Dit ontwerp wil dus een Fonds op middellange termijn oprichten, dat zou worden gestijfd door de integratiebijdrage van de afvalproducenten om de bijbehorende voorwaarden van de berging te financieren.

G. Titel 19. Economische overheidsbedrijven en elektronische communicatie : inleidende uiteenzetting door de ontslagnemende minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen

In het voorliggende wetsontwerp houdende diverse bepalingen werd een titel « Economische overheidsbedrijven en elektronische communicatie » ingevoegd. Onder deze titel beoogt het hoofdstuk 1 een wijziging van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige overheidsbedrijven. Deze wijziging is nodig om de naamsverandering van De Post in bpost te verwezenlijken. Deze naamsverandering zal officieel op 17 januari 2011 ingaan.

In hoofdstuk 2 « tot wijziging van artikel 51 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie » wordt opnieuw een kader gecreëerd waarbinnen het Instituut inzake elektronische communicatie kan overgaan tot het opleggen van nationale roaming. Dit is noodzakelijk om rechtszekerheid te scheppen bij de toekomstige veiling van de mobiele licenties.

III. BESPREKING

A. Titel 5. Telecommunicatie, economie, hoofdstukken 1 tot en met 6

De heer Bellot, rapporteur, wenst te vermelden dat zeer kort na de vernietiging door de Raad van State van het ministerieel besluit tot invoering van een identificatieverplichting voor metaalwederverkopers, het aantal metaaldiefstallen opnieuw significant toenam. Hij is dan ook zeer verheugd dat deze identificatieplicht opnieuw, nu bij wet, wordt ingevoerd. Zeker gezien het feit dat dergelijke identificatieplicht ook in Frankrijk geldt en dat ook Fransen hun gestolen metaal in België aanboden, hoopt hij dat de bepalingen de diefstallen en verkoop van gestolen materiaal opnieuw zullen inperken.

De ontslagnemende minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen bevestigt eveneens de noodzaak van de voorgestelde bepalingen, zeker wanneer de diefstallen zwaarwegende gevolgen hebben voor de publieke infrastructuur, zoals de spoorwegen.

De heer Van Rompuy treedt de voorgaande sprekers volledig bij. Hij verklaart zelf het wetsvoorstel tot invoering van een identificatieverplichting voor de schroothandel (stuk Senaat, nr. 5-554) te hebben ingediend en hij is verheugd dat een regering van lopende zaken dit aspect zeer snel heeft aangepakt.

B. Titel 6. Financiën

De heer Van Rompuy merkt op dat er in de voorgestelde bepalingen sprake is van een waarborg voor de bouw van gevangenissen via de Regie der Gebouwen. Hij vraagt vervolgens naar de waarde van deze waarborgen.

In verband met het Beschermingsfonds voor deposito's en financiële instrumenten vraagt het lid vervolgens wat er, in het licht van de nieuwe regeling, met de bestaande reserves zal gebeuren.

Mevrouw Van dermeersch had graag vernomen waarom het bedrag van de lening aan de Helleense Republiek in de voorgestelde bepalingen meer dan verdubbeld wordt. Kan de minister zeggen of het permanente steunfonds dat momenteel op Europees niveau wordt opgericht, in voorkomend geval, ook in staat zal zijn om een land met een obligatiemarkt ter grootte van bijvoorbeeld Spanje zal kunnen redden ?

De heer Boogaerts verklaart dat via het voorgestelde artikel 38 de vrijstelling van accijnzen op tabak wordt ingeperkt. Kan de minister de reden hiervoor aangeven ?

De ontslagnemende vice-eersteminister en minister van Financiën verklaart dat wat de eerste vraag betreft, er wordt gestart met een masterplan voor het oprichten van deze gebouwen. Spreker verwijst daarbij naar de nota « Masterplan 2008/2012/2016 voor een gevangenisinfrastructuur in humane omstandigheden. Stand van zaken, uitvoering en vervanging » (1) . Hij zegt dat de exacte kostprijs van de bouw van deze vier nieuwe gevangenissen via aanbestedingen door de Regie der Gebouwen nog zal worden ingeschat. Echter, algemeen moet worden aangenomen dat de totale kostprijs per jaar, per gevangenis, over een periode van vijfentwintig jaar ongeveer 13 miljoen euro bedraagt.

In antwoord op de tweede vraag verduidelijkt de minister dat in het licht van de nieuwe wettelijke bepalingen de bestaande reserves geleidelijk aan worden verminderd en dat ze terugkeren naar de financiële instellingen. In de plaats ervan wordt vanaf 1 januari 2011 een directe staatswaarborg ingevoerd waarvoor de financiële instellingen vanaf 2011 een jaarlijkse tax van ongeveer 600 miljoen euro betalen. Spreker merkt vervolgens nog op dat er op Europees niveau wordt overlegd om de werkwijze te veranderen. Voorlopig is er echter geen akkoord.

In verband met de fondsen voor de Helleense Republiek merkt de spreker op dat er aanvankelijk een voorlopig geraamd bedrag van een waarborg werd naar voor geschoven en beslist. Als gevolg van de onderhandelingen in de Europese Unie en in Griekenland werd de waarde van de waarborg vervolgens aangepast. Deze waarborgen van bijvoorbeeld 2 miljard euro voor Griekenland en 15 miljard euro voor de ganse eurozone zijn hoog. Wanneer de minister ze echter vergelijkt met de waarborg van 90 miljard euro die België eind 2008 tekende voor Dexia, kunnen de bedragen toch in een ander perspectief worden geplaatst.

De vrijstelling van accijnzen ten slotte kan in de toekomst ook worden bekomen voor tabaksfabricaten die onder ambtelijk toezicht worden vernietigd, (punt b) van het voorgestelde artikel 11). Vanwege deze supplementaire mogelijkheid wordt voorgesteld het huidige artikel 11 van de wet van 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak te vervangen.

C. Titel 8. Leefmilieu en duurzame ontwikkeling

De voorgestelde bepalingen geven geen aanleiding tot enige vragen of bemerkingen.

D. Titel 9. Mobiliteit

De heer Bellot verwijst naar artikel 105 van het wetsontwerp, waarin wordt bepaald dat, naar aanleiding van een ingebrekestelling van de Europese Commissie, het personeel van de DVIS, de veiligheidsinstantie, volledig onafhankelijk moet zijn NMBS-holding. Spreker merkt daarbij op dat de Koning nog moet bepalen wat er het onder het begrip « leiding » moet worden verstaan en hij vraagt of de staatssecretaris daar nu reeds enige uitleg over kan verschaffen. Zal het volledige personeelsbestand van de DVIS onafhankelijk moeten zijn ?

De heer Schouppe, ontslagnemende staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister, stelt dat het niet de bedoeling is dat het voltallige personeel van de veiligheidsinstantie volledig onafhankelijk is.Wat hem betreft, is het de bedoeling dat de leiding, die volgens de huidige analyse uit twee personen bestaat, volledig onafhankelijk is. De volledige onafhankelijkheid van het volledige personeel garanderen, is praktisch gezien onmogelijk aangezien er bijna geen personen zijn die én op de hoogte zijn van de spoorwegen en hun veiligheidstechnologie én die nog niet bij de spoorwegen hebben gewerkt. De staatssecretaris merkt nog op dat deze redenering met de Europese bevoegde instanties werd overlegd en zelfs die twee leidinggevende onafhankelijke personen vinden, zal nog moeilijk zijn.

E. Titel 15. Begroting

De heer Siquet zegt dat de staatssecretaris in zijn toelichting aangaf dat de voorliggende bepalingen met betrekking tot de begroting dringend zijn. Toch vindt de spreker in artikel 167 van het wetsontwerp een datum van inwerkingtreding van 1 januari 2015. Kan de staatssecretaris dit verklaren ?

De heer Boogaerts merkt op dat het verlengen van de termijn voor het indienen van de algemene rekening van het algemeen bestuur tot 31 oktober, moeilijk te rijmen valt met het beginsel van behoorlijk bestuur, aangezien het belangrijk is om de rekeningen zo snel mogelijk te verkrijgen, slechts op die manier kan het Parlement haar werkzaamheden zo goed mogelijk uitvoeren. Het kan niet de bedoeling zijn dat de termijn wordt verlengd als de algemene rekening niet op tijd kan worden doorgestuurd.

De ontslagnemende staatssecretaris voor Begroting, Migratie en Asielbeleid, Gezinsbeleid en de Federale Culturele Instellingen verduidelijkt dat de datum van inwerkingtreding van 1 januari 2015 alleen maar betrekking heeft op de verwerking van de belastingontvangsten en de niet-fiscale ontvangsten geïnd door de federale overheidsdienst Financiën. Alle transversale administraties werken momenteel reeds met FEDCOM. De roll out van 2010 is goed verlopen en de agenda van de implementatie wordt verder gevolgd.

De spreker verklaart vervolgens dat het FEDCOM-project werd opgezet net om een verlenging van de algemene termijn voor de algemene rekening in de toekomst te voorkomen. Echter, tijdens de overgangsperiode moeten de verschillende administraties de nieuwe FEDCOM-regels beginnen toepassen en aanpassen en daardoor hun manier van werken totaal veranderen, wat een invloed heeft op de termijn. Na de complete implementatie van het nieuwe systeem echter, zal de datum opnieuw kunnen worden vervroegd aangezien alle administraties op eenzelfde manier en met het zelfde systeem zullen werken.

F. Titel 16. Energie

De heer De Croo verwijst naar de toename van de federale bijdrage voor elektriciteit en aardgas die de energiekosten van, onder andere, de bedrijven doet oplopen waardoor de concurrentiekracht nog meer onder druk komt. Waarom is er in de voorliggende bepalingen voor de ondernemingen geen compensatie opgenomen voor de toename van deze bijdrage ?

De ontslagnemende minister van Klimaat en Energie stelt dat bepalingen in die zin wel gepland waren. Echter, in de regering werd daarover geen akkoord bereikt aangezien de ontslagnemende vice- eerste minster en minister van Begroting de maatregel niet kon steunen vanwege de kostprijs ervan, meer dan 4 miljoen euro.

G. Titel 19. Economische overheidsbedrijven en elektronische communicatie

De voorgestelde bepalingen geven geen aanleiding tot enige vragen of bemerkingen.

IV. STEMMINGEN

De artikelen verwezen naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden worden in hun geheel aangenomen met 8 stemmen en 1 onthouding.

Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het uitbrengen van een mondeling verslag in plenaire vergadering.

De rapporteur, De voorzitter,
François BELLOT. Frank VANDENBROUCKE.

BIJLAGE


(1) Zie document als bijlage.