2-130/4 | 2-130/4 |
16 MEI 2000
Mevrouw Aubert verklaart dat zij samen met twee van haar collega's, de heren P. Brana en R. Blum, een informatieopdracht heeft vervuld met betrekking tot de rol van de petroleumondernemingen in de internationale politiek en de sociale en milieugevolgen hiervan.
Zij hebben getracht een aantal dossiers in verband met vijf petroleumondernemingen, meer bepaald Elf, Total, BP, Shell en Exxon, grondig te onderzoeken en hebben zich verdiept in de algemene problematiek van de rol van die petroleumondernemingen in de internationale politiek.
Binnen deze context had de informatieopdracht ook betrekking op de aanleg door Total van een gaspijpleiding in Birma.
De leden van het informatieteam zijn naar Thailand en Birma gereisd in maart 1999. Zij hebben na lange onderhandelingen de nodige visa gekregen. Zij wilden niet dat hun reis ook een officieel onderdeel zou bevatten, wat door de Birmaanse junta geïnterpreteerd kon worden als een aanmoediging, maar hadden gevraagd mevrouw Aung San Suu Kyi te mogen ontmoeten en de gaspijpleiding te kunnen bezoeken.
Het informatieteam is anderhalve dag ter plaatse gebleven en heeft de Birmaanse minister van Buitenlandse Zaken ontmoet, die gezegd heeft dat zijn land zich geleidelijk openstelt voor de buitenwereld. De minister heeft echter ontwijkend geantwoord op vragen in verband met de politieke gevangenen, het bijeenroepen van het parlement of het organiseren van nieuwe verkiezingen.
Mevrouw Aubert onderstreept echter dat bepaalde personen binnen de Birmaanse junta steeds meer contacten leggen met de buitenwereld om het imago van het regime op te poetsen.
Vervolgens heeft het informatieteam mevrouw Aung San Suu Kyi ontmoet, die bevestigd heeft dat zij tegen elke buitenlandse investering in Birma is, omdat die investeringen de junta moreel en financieel ondersteunen.
De maatschappij Total verklaart van haar kant dat zij zich met economie bezighoudt en niet met politiek. Haar president-directeur, de heer Thierry Desmarest, heeft hier echter wel aan toegevoegd dat Total in het contract dat de maatschappij heeft gesloten met MOGE (Myanmar Oil and Gas Enterprise), belooft zich niet te mengen in binnenlandse beleidskwesties. Mevrouw Aubert is van oordeel dat dit op zich al betekent dat Total betrokken partij is.
Total heeft verwezen naar die belofte om zich niet te mengen in de Birmaanse binnenlandse politiek, als verklaring waarom zij geen ontmoeting heeft gehad met mevrouw Aung San Suu Kyi. Het informatieteam is verbaasd over de houding van Total, aangezien mevrouw Aung San Suu Kyi aan het hoofd staat van de NLD, de meerderheidspartij die wettelijk verkozen is, en aangezien het democratisch verkozen parlement door de internationale gemeenschap erkend is.
Bovendien heeft de directeur van de maatschappij Premier Oil, die de leiding heeft van het project van de Yatagun-gaspijpleiding, bevestigd dat hij wel een ontmoeting met mevrouw Aung San Suu Kyi heeft gehad.
Het informatieteam heeft dus aan de vertegenwoordiger van Total te kennen gegeven dat zijn weigering om de vertegenwoordigster van de democratie te ontmoeten, de hypothese in stand houdt dat Total de Birmaanse junta steunt. Volgens de meest recente inlichtingen waar mevrouw Aubert over beschikt, zou Total nog steeds geen ontmoeting gehad hebben met mevrouw Aung San Suu Kyi.
Het informatieteam heeft ook ontmoetingen gehad met vertegenwoordigers van humanitaire NGO's die ter plaatse actief zijn. Deze hebben bevestigd dat de Birmaanse bevolking in dramatische sanitaire en sociale omstandigheden leeft en dat ook de toestand met betrekking tot de politieke rechten rampzalig is.
Birmanen zijn niet zo open tegenover buitenlanders omdat ze bang zijn dat ze aangegeven worden of dat hun omgeving onder druk wordt gezet. Deze werkwijze vanwege de junta is zeer doeltreffend om ieder initiatief in de kiem te smoren. Opposanten hebben de keuze tussen armoede en uitsluiting of ballingschap.
In Thailand zijn de leden van het informatieteam in Tam-Hin geweest, waar ze het kamp niet mochten bezoeken. Zij zijn er wel in geslaagd met de bewoners van het kamp te praten en hebben zo vernomen dat deze mensen in zeer moeilijke omstandigheden leven. Er is gebleken dat veel van de vluchtelingen afkomstig zijn van het gebied waar de gaspijpleiding wordt aangelegd.
Het informatieteam heeft ook vertegenwoordigers van de Thaise regering gesproken, die de moeilijke betrekkingen met het buurland Birma hebben benadrukt.
Het informatieteam heeft ten slotte de volgende voorstellen geformuleerd :
Binnen het Franse ministerie van Buitenlandse Zaken dient een bureau voor de rechten van de mens te worden opgericht, zoals in het Verenigd Koninkrijk.
De informatieopdracht was trouwens bedacht naar het voorbeeld van een soortgelijke opdracht die uitgevoerd is door Engelse parlementsleden. Het informatieteam heeft vastgesteld dat vele parlementen in de Europese Unie belangstelling hebben voor het integreren van ethische overwegingen in economische kwesties. Men moet dus meer contact houden om in deze problematiek samen naar oplossingen te streven.
Er moet een onafhankelijk observatieteam komen om na te gaan hoe de grote multinationals omgaan met de internationale verdragsregels. Bovendien dient de ratificatie van die verdragen sneller te gebeuren en moet men ervoor zorgen dat ze nageleefd worden, meer bepaald door de grote ondernemingen.
Men moet, zowel op Frans als op Europees niveau, de NGO's meer mogelijkheden geven om juridische stappen te ondernemen en ervoor zorgen dat rechtspersonen op basis van de gesloten verdragen, strafrechtelijk verantwoordelijk gesteld kunnen worden. Ondernemingen dienen verantwoording af te leggen voor hun daden, vooral in landen waar weinig recht heerst.
Met betrekking tot Birma moeten er operationele actiemogelijkheden gevonden worden die tussen een embargo, sancties en commercieel cynisme in liggen. Economische en politieke sancties hebben immers niet altijd het gewenste effect. Daarom wordt soms aangevoerd dat door het voeren van handel de democratie vanzelf zal ontstaan. Deze redenering gaat echter evenmin op, aangezien investeringen in landen als Birma geen positieve resultaten hebben gehad en alleen de huidige machthebbers steunen.
Mevrouw Aung San Suu Kyi heeft op haar beurt twee wensen geuit :
dat de Europese Unie de sancties en de veroordeling van het regime niet zou afzwakken en dat zij strikter zou zijn op het economische vlak. Dit is voor het ogenblik niet het geval, aangezien zij Birma geen enkele economische sanctie heeft opgelegd;
dat de Europese Unie binnen de internationale gemeenschap het initiatief zou nemen, bijvoorbeeld door de VN te vragen om te bemiddelen.
Mevrouw Aubert vindt dat de Europese Unie zich tot de ASEAN-landen kan richten, die lang niet allemaal voorbeeldig zijn wat het beleid inzake de mensenrechten betreft maar waarvan sommige een positieve aanpak hebben.
Men mag Birma niet uit zijn regionale context halen en men dient te voorkomen dat het land (dat vele natuurlijke rijkdommen herbergt : gas, hout, water) afhankelijk wordt van China.
De heer J. Kuczkiewicz is de commissie dankbaar dat hij de kans krijgt om uitleg te verschaffen over de mensenrechten, de dwangarbeid en de misdaden tegen de menselijkheid in Birma.
De organisatie die hij vertegenwoordigt, het IVVV, is de grootste van de drie vakbondsorganisaties die wereldwijd de nationale vakbonden verenigen. Voor België maakt het ABVV/FGTB er deel van uit. De Belgische vakbond helpt het IVVV al jaren om, met betrekking tot de situatie in Birma, via de Belgische regering druk uit te oefenen op de Europese Unie en op andere instanties.
De taak van het IVVV bestaat er onder andere in de sociale gerechtigheid, de mensenrechten en de democratie te verdedigen en meer bepaald de rechten van de mens op het werk. Eigenlijk ijvert het IVVV voor de naleving van de fundamentele IAO-conventies en meer bepaald de overeenkomsten die gaan over de bescherming van de vakbondsvrijheid en het collectief onderhandelen, het verbod op kinderarbeid, op discriminatie in arbeid en op dwangarbeid.
Al deze conventies worden in Birma zwaar geschonden.
Het IVVV houdt zich met de dwangarbeid in Birma bezig sinds 1960, toen dat land de IAO-conventie nr. 29 van 1930 betreffende de dwangarbeid heeft ondertekend. De Birmaanse regering heeft destijds beloofd dat zij twee wetten die nog uit de Britse koloniale tijd stammen zou wijzigen : de Village Act en de Town Act, die de koloniale overheid in staat stelden om personeel te vorderen voor administratief werk of als dragers. In mei 1999 heeft de Birmaanse regering opnieuw beloofd dat zij de toepassing van deze wetten zou opschorten.
Sedert 1992 heeft de commissie van deskundigen voor de naleving van de verdragen en aanbevelingen van de IAO zich zeer kritisch uitgelaten over de dwangarbeid in Birma.
Het IVVV heeft deze kwestie van nabij gevolgd sedert 1992, toen de commissie van deskundigen van de IAO in Birma een toename van de dwangarbeid heeft vastgesteld, namelijk het rekruteren door het leger van dragers voor zijn anti-guerrilla-operaties.
Birma is een mozaiek van etnische minderheden die elk hun eigen taal en cultuur hebben, met daartegenover een centralistische Staat die het land al tientallen jaren militair bezet houdt.
In 1994 heeft het IVVV klacht ingediend overeenkomstig artikel 24 van het Statuut van de IAO, waarbij de vraag is geformuleerd om binnen de IAO een specifieke dienst op te richten om de naleving van een geratificeerde conventie te onderzoeken. De klacht heeft betrekking op de weigering van de junta om haar belofte na te komen inzake het opheffen van de koloniale wetgeving en op de toename van military portering (het vorderen van dragers door het leger).
Het gaat om de gedwongen en zeer brutale rekrutering van mannen, vrouwen en kinderen om militair materiaal te transporteren (munitie, uitrustingen, obussen, mortieren). De gedwongen rekrutering gebeurt georganiseerd, systematisch en herhaaldelijk. Ze kan een paar dagen tot een paar weken of maanden duren.
De dragers staan bloot aan geweld zoals slagen, verwondingen, achterlating, standrechtelijke executie en worden slecht behandeld, waarbij men hun verzorging, water en voedsel weigert. Deze dragers worden bovendien ook ingezet als een « menselijk schild » in mijnenvelden en bij kruisvuurgevechten tussen het leger en de guerrilla en worden gedwongen militaire uniformen te dragen.
Er zijn voldoende bewijzen : de situatie van de mensenrechten is zeer goed gedocumenteerd dankzij de talrijke getuigenissen.
De IAO heeft in 1994 een verslag gepubliceerd dat de beschuldigingen van het IVVV bevestigt en in 1995 hebben het IVVV en het Europees Verbond van vakverenigingen (EVV) bij de Europese Unie een gezamenlijke klacht ingediend (1) op grond van de artikelen 9 en 10 van de Verordening EG nr. 3281/94 van de Raad van 19 december 1994 betreffende een meerjarenschema van algemene tariefpreferenties voor bepaalde industrieproducten van oorsprong uit de ontwikkelingslanden.
Artikel 9 van die verordening bepaalt dat men de voordelen van de tariefpreferenties kan afschaffen voor landen die slavernijpraktijken toepassen, landen die producten uitvoeren die in gevangenissen zijn vervaardigd, of landen die geen duurzaam beleid voeren inzake tropische bossen.
In 1997 heeft de Raad van de Europese Unie de algemene tariefpreferenties ten aanzien van Birma voor onbepaalde tijd opgeschort.
In juni 1996 hebben 25 vakbondsafgevaardigden tijdens de 83ste zitting van de Internationale Arbeidsconferentie ingevolge artikel 26 van het Statuut van de IAO een klacht ingediend tegen de regering van Myanmar wegens het niet-naleven van de bepalingen van conventie nr. 29 betreffende de dwangarbeid.
De IAO heeft in Genève een onderzoekscommissie ingesteld. Deze commissie was samengesteld uit eminente internationale juristen en had, wat de internationale arbeidsnormen betreft, hetzelfde gezag als de internationale strafgerechtshoven.
De werkwijze was van gerechtelijke aard en bestond onder meer uit een debat op tegenspraak en getuigenissen onder eed, waarbij de getuigen bescherming genoten. Er zijn twaalfduizend bladzijden met bewijzen en getuigenissen voorgesteld en er zijn achttien getuigen verschenen, van wie er meerdere uit Birma waren gekomen.
In augustus 1998 heeft de onderzoekscommissie van de IAO een verslag over de dwangarbeid in Myanmar gepubliceerd (2). Dat verslag heeft tot gevolg gehad dat Birma bijna uit de IAO is gestoten. Aangezien het Statuut van de IAO geen uitsluiting toestaat, heeft de jaarlijkse conferentie van de IAO in 1999 in Genève besloten de technische samenwerking met de Birmaanse regering op te schorten, het land niet meer op de vergaderingen uit te nodigen en er geen contact mee te hebben, tenzij om de aanbevelingen van de onderzoekscommissie in de praktijk te brengen.
Op verzoek van het Internationaal Arbeidsbureau heeft het IVVV bewijzen geleverd om aan te tonen dat de slavernijpraktijken in Birma sinds mei 1999, toen de Birmaanse regering een verbod heeft uitgevaardigd om nog dwangarbeid te gebruiken en tegelijkertijd heeft beloofd om wie zich hieraan nog schuldig zou maken strafrechtelijk te vervolgen, nog steeds worden voortgezet.
De hoofdindiener van het voorstel van resolutie merkt op dat het Belgisch Parlement, tijdens de vorige zittingsperiode, de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen heeft aangenomen.
Hij vraagt mevrouw Aubert of zij over nauwkeuriger informatie over de politieke gevangenen in Birma beschikt. De parlementaire vereniging van verkozenen voor Birma heeft haar leden gevraagd gevangenen onder hun bescherming te stellen maar de brieven die zijn verstuurd, bleven onbeantwoord.
Daarenboven wijst het lid op de campagne die in België gevoerd werd door de studenten van de UCL tegen de voorzitter van de raad van bestuur van de universiteit, die ook gedelegeerd bestuurder van Fina is. Het was paradoxaal dat de universiteit besloten had de titel van doctor honoris causa toe te kennen aan mevrouw Aung San Suu Kyi.
Ten slotte is de hoofdindiener van het voorstel van resolutie van mening dat een algemene campagne gevoerd moet worden tegen alle petroleummaatschappijen zodat zij het concurrentieargument niet meer kunnen aanvoeren.
Een ander lid wenst te weten of het juist is dat het werk van de parlementsleden ten gunste van de democratie in Birma, in Frankrijk bemoeilijkt wordt door de petroleummaatschappij.
Daarenboven vraagt hij zich af of er in Birma sprake is van belangenvermenging tussen de publieke sector en de commerciële sector.
Hoe zouden de Wereldbank of de Wereldhandelsorganisatie de handel met Birma beter kunnen controleren en is het mogelijk een verslag over de schending van de mensenrechten in Myanmar te verkrijgen ?
Een ander commissielid is van mening dat het moeilijk zal zijn de publieke opinie nieuwe embargo's te doen slikken want die beseft immers ook dat de embargo's tegen Cuba en Irak toch wel rampzalige voorbeelden zijn. Daarenboven verklaart het lid dat de hoofdaandeelhouder van Fina niemand minder is dan Albert Frère, die thans 9 % van het kapitaal van Total-Fina in handen heeft. Meent mevrouw Aubert dat een boycot vanwege België die er moet toe leiden dat de heer Frère zijn investeringen in Birma stopzet, de gevoerde actie in Frankrijk kracht zal bijzetten ?
Een lid vraagt of mevrouw Aubert en de missie van de Assemblée nationale overwogen hebben om andere sancties tegen de Birmaanse junta te nemen, zoals het niet langer verstrekken van visa aan de leden van de junta en hun verwanten.
Zou men daarenboven geen acties kunnen voeren teneinde de investeringen in Birma in andere sectoren dan de petroleumsector te bevriezen ?
Een ander lid wenst te weten of de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden van de Assemblée nationale de doeltreffendheid van de sancties tegen derde landen grondig heeft onderzocht.
Mevrouw Aubert antwoordt dat de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden van de Assemblée nationale geregeld mensen heeft gehoord over het probleem van de mensenrechten want dat is een onderwerp dat de voorzitter ervan, de heer Jack Lang, nauw aan het hart ligt. De commissie heeft evenwel terzake geen grondig onderzoek verricht.
Wat de verantwoordelijkheid van de rechtspersonen betreft, verklaart mevrouw Aubert dat die ook in het Franse recht bestaat, maar er rijzen vooral problemen wanneer die verantwoordelijkheid niet bestaat in de wetgeving van de vreemde landen waarin de ondernemingen investeren.
Bovendien moet het probleem van de morele verantwoordelijkheid van de deelnemers aan het bedrijfsleven worden aangepakt. Over het algemeen voelen grote bedrijfsleiders zich helemaal niet betrokken bij de toestand van de mensenrechten in de landen waarmee zij zaken doen. Zij beweren dat zij de parlementsleden niet voor de voeten willen lopen.
Wat de politieke gevangenen betreft, bevestigt mevrouw Aubert dat er in de Assemblée nationale een groep van parlementsleden bestaat die meewerkt aan hetzelfde soort acties als die welke beschreven zijn door de hoofdindiener van het voorstel van resolutie, doch evenwel zonder veel resultaat.
De investering van Total in Birma zorgt ervoor dat het Frans standpunt niet eenduidig is : enerzijds steunt Frankrijk officieel de resoluties die door de Europese Unie zijn aangenomen, maar achter de schermen is de toon veel gematigder. De stem van Frankrijk is dus nauwelijks hoorbaar.
Mevrouw Aubert is ook van mening dat gezamenlijke acties moeten worden gevoerd wat betreft de politieke gevangenen maar zij stelt vast dat de Birmaanse kwestie in de Franse pers nauwelijks aan bod komt. Misschien zal de tiende verjaardag van de onderdrukking van de democratie in dat land bijdragen tot een verhoogde mediabelangstelling.
Er zijn tal van steuncampagnes voor mevrouw Aung San Suu Kyi georganiseerd maar mettertijd verging de strijdlust. De junta rekent trouwens op die vermoeidheidsverschijnselen en op het vele andere voorpaginanieuws om aan de aandacht van de mensenrechtenverdedigers te ontsnappen.
Ten tijde van de ramp met de Erika werd veel gepraat over de verontreiniging van de zee en de kust met olie maar was er geen sprake van de investeringen van Total in Birma.
Wat de heer Frère betreft, antwoordt mevrouw Aubert dat hij inderdaad een deel van het kapitaal van Total-Fina in handen heeft maar ook van bepaalde media die aldus onder druk zouden komen te staan.
Mevrouw Aubert is van mening dat de in België gevoerde campagnes gunstig zijn en dat zij gevolgen kunnen hebben in Frankrijk.
Jammer genoeg berichten de Franse media zeer weinig over die campagnes.
In verband met de vraag over de invloed van de petroleummaatschappijen op het werk van het parlement in Frankrijk, verklaart mevrouw Aubert dat er een permanente wisselwerking is tussen de grote bedrijven en de overheid en dat de grote bedrijfsleiders net als de topambtenaren uit de staatscolleges voor hoger onderwijs komen. In Birma is het regime rechtstreeks betrokken bij contracten met het buitenland en de toestand is er bijzonder ondoorzichtig.
Wat de Wereldhandelsorganisatie betreft, is mevrouw Aubert van mening dat het begrip eerbied voor de mensenrechten opgeld begint te doen in de grote internationale instellingen en dat het middenveld en de parlementsleden gezamenlijk actie moeten blijven voeren.
De heer Kuczkiewicz onderstreept dat het IVVV gepoogd heeft herhaaldelijk druk uit te oefenen op de Wereldbank om de bevriezing van haar investeringen in Birma te handhaven. De jongste maanden hebben verschillende instellingen zoals de Wereldbank, de Europese Unie en de Verenigde Naties evenwel opnieuw contacten gelegd met de Birmaanse militaire junta.
De druk die door het IVVV werd uitgeoefend is dus niet zeer doeltreffend gebleken, onder meer omdat de Aziatische landen zich in de internationale instellingen gekant hebben tegen nog meer sancties tegen Birma.
Wat Total betreft, heeft mevrouw Aubert in haar rapport duidelijk gewezen op de verantwoordelijkheid die het bedrijf draagt met betrekking tot de dwangarbeid in Birma. Spreker meent dat over dit onderwerp niet alles is gezegd en al evenmin over de economische en financiële dekking die Total aan de junta biedt, onder meer voor het witwassen van drugsgeld.
De heer Kuczkiewicz verklaart dat er voor zover hij weet geen verschil is tussen de politieke en de economische machthebbers in Birma. Hij ziet geen enkele belangrijke Birmaanse ondernemer die niet ook een vooraanstaande plaats bekleedt in het regime. De regering is volledig in handen van de militairen en zonder corruptie kan men in Birma geen zaken doen.
Op de vraag van een lid of een verslag voorhanden is over de situatie van de mensenrechten in Birma, antwoordt de heer Kuczkiewicz dat de meest betrouwbare bron het verslag is van de speciale VN-rapporteur van de Mensenrechtencommissie.
Wat de rol van het Belgisch Parlement betreft, vindt spreker het belangrijk dat de Belgische parlementsleden hun Birmaanse collega's in gevangenschap steunen. Hij wijst in dat verband op een fenomeen dat de algemene tendens in Birma lijkt te doorbreken, namelijk de samenwerking tussen de junta en het Internationale Rode Kruis. Het Rode Kruis krijgt de laatste maanden toegang tot alle regionale detentiecentra. Wellicht krijgt het ook de toestemming om de werkkampen te bezoeken. Dankzij deze samenwerking heeft het IVVV eindelijk nieuws gekregen over vakbondsleiders die tot twintig jaar gevangenisstraf zijn veroordeeld.
Wat de sancties betreft, de leden van de junta en de topambtenaren van het regime en hun familieleden krijgen geen visum en mogen de Europese Unie niet binnen. Het IVVV vraagt een verscherping van de economische sancties : het wil dat de Raad van de Europese Unie alle nieuwe investeringen in Birma verbiedt en dat de huidige investeerders gevraagd wordt zich uit het land terug te trekken.
Ten slotte kan het Belgisch Parlement de Birmaanse zaak steunen door druk uit te oefenen op de regering opdat zij de vertegenwoordigers van de Birmaanse regering in ballingschap officieel ontvangt. Het Birmaanse parlement is tien jaar geleden met een meerderheid van meer dan 80 % verkozen en kan nog steeds zijn taak niet opnemen.
De heer Mahoux dient amendement nr. 1 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-130/2, 1999-2000, blz. 1), dat ertoe strekt het opschrift van de resolutie te vervangen als volgt : « Voorstel van resolutie over de schending van de mensenrechten in Birma (Myanmar) ».
Amendement nr. 1 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.
De heer Mahoux dient amendement nr. 2 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-130/2, 1999-2000, blz. 1), dat ertoe strekt na considerans A een nieuwe considerans in te voegen die verwijst naar het rapport van de onderzoekscommissie van de Internationale Arbeidsorganisatie, ingesteld als gevolg van de klacht ingediend door het Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen wegens niet-naleving van het verbod op dwangarbeid.
Amendement nr. 2 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.
Mevrouw Thijs dient amendement nr. 5 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-130/3, 1999-2000, blz. 1), dat ertoe strekt in considerans B de datum van de resolutie van de Mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties te vervangen. De commissie heeft op 18 april 2000 een nieuwe resolutie aangenomen over de situatie van de mensenrechten in Birma.
Amendement nr. 5 van mevrouw Thijs wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.
Mevrouw Thys dient amendement nr. 6 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-130/3, 1999-2000, blz. 1), dat ertoe strekt na punt 1 van het dispositief een nieuw punt in te voegen, waarin de Belgische regering gevraagd wordt de Birmaanse regering aan te sporen om de speciale VN-rapporteur voor Birma in het land binnen te laten.
De indiener van het amendement vindt de aanwezigheid van die speciale rapporteur een bijkomend middel om druk uit te oefenen op de Birmaanse regering.
Amendement nr. 6 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.
De heer Dallemagne dient amendement nr. 3 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-130/2, 1999-2000, blz. 2), dat ertoe strekt punt 2 van het dispositief aan te vullen met een bepaling waarin de Belgische regering gevraagd wordt er bij de Birmaanse regering op aan te dringen dat alle politieke gevangenen, met inbegrip van de parlementsleden, onmiddellijk worden vrijgelaten.
Amendement nr. 3 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.
De heer Dubié dient amendement nr. 4 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-130/2, 1999-2000, blz. 2), dat ertoe strekt een nieuw punt in te voegen waarin de regering gevraagd wordt de minister van Buitenlandse Zaken te machtigen om contact te leggen met dokter Sein Win, eerste minister van de Birmaanse regering in ballingschap.
De heer Maertens dient een mondeling subamendement in op amendement nr. 4 van de heer Dubié, dat ertoe strekt de woorden « de minister van Buitenlandse Zaken te machtigen contact te leggen » te vervangen door de woorden « de minister van Binnenlandse Zaken te vragen officieel contact te leggen ».
Het subamendement van de heer Maertens wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.
Het aldus gesubamendeerde amendement nr. 4 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.
Mevrouw Thijs dient amendement nr. 7 in (zie Stuk Senaat, nr. 2-130/3, 1999-2000, blz. 2), dat ertoe strekt om na punt 5 van het dispositief een nieuw punt in te voegen, waarin de Belgische regering wordt gevraagd de Birmaanse regering op te roepen het recht op onderwijs te garanderen door de heropening van de universiteiten.
De indiener van het amendement benadrukt dat de universiteiten sinds 1996 gesloten zijn, waardoor een hele generatie jongeren van hoger onderwijs verstoken is gebleven. Voor de ontwikkeling van het land is het heel belangrijk dat jongeren een universitaire opleiding kunnen volgen.
Amendement nr. 7 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.
Het aldus geamendeerde voorstel van resolutie wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.
Vertrouwen wordt geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.
| De rapporteur, | De voorzitter, |
| Michiel MAERTENS. | Marcel COLLA. |
(1) Zie het verslag Burma : SLORC's Private slave camp, Submission to the European Union Generalised System of Preferences, ICFTU (IVVV) en ETUC (EVV), juni 1995.
(2) Zie het verslag Report of the Commission of Inquiry appointed under article 26 of the Constitution of the International Labour Organization to examine the observance by Myanmar of the Forced Labour Convention, 1930 (nr. 29) dat verscheen in het Officieel Publicatieblad van de IAO, deel LXXXI, 1998, reeks B.