2-179/1

2-179/1

Belgische Senaat

ZITTING 1999-2000

24 NOVEMBER 1999


Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit (1)

(Ingediend door de heer Vincent Van Quickenborne)


TOELICHTING


Al enkele jaren is een soepele verwerving van de Belgische nationaliteit één van de pijlers waarop het integratiebeleid steunt. Deze politieke optie kreeg de voorkeur boven die welke het gemeentelijke stemrecht toekent aan vreemdelingen en werd vastgelegd in een aantal wijzigingen van het Wetboek van de Belgische nationaliteit.

Niettegenstaande deze wettelijke bepalingen zouden moeten leiden tot een vlotte verkrijging van de staat van Belg, alleszins voor de tweede en de derde generatie allochtonen, is dit in de praktijk duidelijk niet het geval. Vele mensen voelen zich nog altijd benadeeld bij de afhandeling van hun dossier. De klachten slaan op de uitgebreide enquête die over hun wil tot integratie gevoerd wordt en over de tendentieuze vragen die vaak worden gesteld. Ze betreffen eveneens de langdurige procedure, die blijkbaar niet alleen aan personeelsproblemen maar ook aan een willekeurige en discriminerende attitude van de betrokken diensten, zou te wijten zijn.

Het is onaanvaardbaar dat allochtonen die aan de voorwaarden voldoen om in één jaar Belg te worden, zes maanden moeten wachten vooraleer men nog maar begint met een langdurige behandeling van hun aanvraag. De versoepeling van de naturalisatiewetgeving heeft geen zin, wanneer ze niet wordt toegepast. Op die manier blijft van het politieke integratiebeleid niet veel meer over.

Deze toestand is bovendien een bedreiging voor ons democratisch bestel. De allochtonen die bereid zijn te participeren aan het leven binnen onze gemeenschap, verliezen immers hun motivatie. Wanneer vele mensen van een samenleving zich uitgesloten voelen, ontstaat er een conflictsituatie waarmee ook de autochtone inwoners niet gebaat zijn. Dan bestaat er een kloof tussen de burgers en ook tussen de burger en het beleid.

Een harmonieuze samenleving is maar mogelijk wanneer al diegenen die samen leven, zich betrokken voelen bij het maatschappelijke of politieke gebeuren. Erbij betrokken zijn, wil ook zeggen erbij behoren. En betekent « nationaliteit » niet de hoedanigheid te behoren tot een natie ? Dit samenhorigheidsgevoel is een meerwaarde en doet de individuele mens beseffen dat hij niet alleen staat, maar volwaardig deel uitmaakt van een groter geheel, met name de natie waartoe hij behoort. Volwaardig deel uitmaken van een natie heeft zowel plichten als rechten tot gevolg : de plicht om zich in te schakelen, de gangbare normen te respecteren en mee verantwoordelijkheid te dragen, het recht op de sociale tegemoetkomingen, de inspraak en de medezeggingschap in het politieke reilen en zeilen.

Daar is het ons om te doen : het ethisch beginsel van de gelijkwaardigheid van de mensen en het democratisch beginsel van de gelijke rechten dat eruit voortvloeit.

Het eerste artikel van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens stelt dat alle mensen vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren worden.

Dit wetsvoorstel is een bijdrage om deze mooie verklaring in praktijk te brengen. Als democratisch volksnationalist heb ik me steeds ingezet voor de vrijheid van mijn volk en voor wie ertoe behoort. Ik wil blijven ijveren voor een harmonieuze samenleving waarin de vrijheid van iedere mens slechts begrensd is door de vrijheid van de andere.

Daarom sta ik achter de doelstelling van het wetsvoorstel van gewezen senator Cecile Harnie, (Gedr. Stuk Senaat nr. 542/1, 1992-1993) die elke discriminatie wil opheffen. Het interessante van haar wetsvoorstel is dat alle inwoners op gelijke voet worden geplaatst wat betreft het verkrijgen van de sociale en politieke rechten, namelijk door het bezit van de Belgische nationaliteit.

In mijn wetsvoorstel wordt dezelfde redenering gevolgd. Ik wil echter tegemoetkomen aan de bekommernis van vele migranten, die niet akkoord gaan met de automatische toekenning van de Belgische nationaliteit. Zij voelen er niets voor dat anderen in hun plaats beslissen. Sommigen wensen ook niet hun oorspronkelijke nationaliteit te verliezen en vrezen een slechte indruk te maken indien ze de Belgische nationaliteit, na automatische toekenning, zouden weigeren.

Daarom moeten vreemdelingen de Belgische nationaliteit kunnen krijgen op eenvoudige aanvraag door een verklaring in te dienen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van hun woonplaats. Deze schrijft hen onmiddellijk in en de inschrijving heeft het genot van de rechten, verbonden aan het bezit van de staat van Belg, tot gevolg.

In de verklaring dient de aanvrager gewoon te bewijzen dat hij gedurende vijf jaar voorafgaand aan de verklaring zijn hoofdverblijf in België had.

Een bijkomende voorwaarde is de kennis van de taal van het gebied waar hij woont. Een voldoende mondelinge taalkennis is immers nodig om in staat te zijn zelfstandig, zonder hulp, aan de samenleving deel te nemen. Ook andere landen, zoals Nederland, leggen die voorwaarde op.

De eenvoudige en snelle procedure van het onderhavige wetsvoorstel kan een einde maken aan het rechtsonzeker naturalisatieproces, waarin vele allochtonen zich thans bevinden.

De ambtenaar van de burgerlijke stand oordeelt soeverein of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden die het voorgestelde artikel 15bis, § 3, oplegt. De procureur des Konings kan echter om welbepaalde en gewichtige redenen verzet aantekenen.

Wanneer de ambtenaar van de burgerlijke stand zou weigeren de regelmatig ingediende verklaring over te schrijven omwille van een naar zijn oordeel onvoldoende taalkennis, is er een mogelijkheid tot beroep bij de vaste wervingssecretaris. Deze ambtenaar komt hiervoor in aanmerking omdat hij geregeld examencommissies samenstelt in uitvoering van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken.

Een examencommissie, die samengesteld is volgens de bepalingen van hoofdstuk III van het koninklijk besluit van 30 november 1966, tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis, voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken (inzake functies of betrekkingen die in de niveaus 3 of 4 van het rijkspersoneel gerangschikt zijn of voor gelijkwaardige functies of betrekkingen van de niet tot de rijksbesturen behorende diensten), garandeert dat ernstig wordt geoordeeld over een voldoende kennis van de taal van het taalgebied waar de vreemdeling woont.

Vincent VAN QUICKENBORNE.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In het Wetboek van de Belgische nationaliteit wordt een artikel 15bis ingevoegd, luidend als volgt :

« Artikel 15 bis. ­ § 1. Afgezien van de bepalingen van de artikelen 13 tot 15, kan de vreemdeling die legaal in België woont, bovendien door nationaliteitskeuze de staat van Belg verkrijgen door een verklaring af te leggen, overeenkomstig de volgende paragrafen.

§ 2. De belanghebbende legt de verklaring, waarin hij vraagt de staat van Belg te verkrijgen, af voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar hij zijn hoofdverblijf heeft.

De ambtenaar van de burgerlijke stand treedt op zonder getuigen.

§ 3. Hij die de verklaring aflegt, moet op het tijdstip van de verklaring :

1º de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt;

2º gedurende de vijf jaar voorafgaand aan de verklaring zijn hoofdverblijf in België gehad hebben;

3º voldoende kennis hebben van de taal van het taalgebied waar hij woont.

Hij mag het bewijs van het verblijf en van de taalkennis leveren door alle middelen van recht.

§ 4. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de vreemdelingen wiens uittreksel uit het strafregister melding maakt van een veroordeling tot een criminele straf.

§ 5. De ambtenaar van de burgerlijke stand schrijft de verklaring onmiddellijk in in het register, bedoeld in artikel 25.

Hij zendt onmiddellijk een afschrift van de verklaring over aan het parket van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied. De procureur des Konings geeft hiervan onverwijld ontvangstmelding.

Behalve ingeval van verzet zoals bepaald in § 6 heeft de nationaliteitskeuze gevolg vanaf de inschrijving.

§ 6. De procureur des Konings kan zich, binnen vijftien dagen, te rekenen vanaf de ontvangstmelding, tegen de verkrijging van de Belgische nationaliteit verzetten wanneer er een beletsel is wegens gewichtige feiten die indruisen tegen de openbare orde of een manifeste onwil tot integratie aantonen.

De akte van verzet moet met redenen omkleed zijn. Zij wordt aan de ambtenaar van de burgerlijke stand en bij een ter post aangetekende brief aan de belanghebbende betekend.

In dit geval doet de rechtbank van eerste aanleg, na de belanghebbende te hebben gehoord of opgeroepen, uitspraak over de gegrondheid van het verzet. Deze beslissing wordt met redenen omkleed.

Ze wordt aan de belanghebbende ter kennis gebracht door toedoen van de procureur des Konings, binnen drie maanden vanaf de ontvangstmelding van de verklaring.

De belanghebbende en de procureur des Konings kunnen binnen vijftien dagen na de kennisgeving hoger beroep instellen tegen de beslissing bij een aan het hof van beroep gericht verzoekschrift.

Dit hof doet binnen drie maanden vanaf de ontvangst van het verzoekschrift uitspraak na het advies van de procureur-generaal te hebben ingewonnen, en de belanghebbende te hebben gehoord of opgeroepen.

Het dictum van de onherroepelijke beslissing, waarbij het verzet wordt opgeheven, wordt door toedoen van het openbaar ministerie aan de ambtenaar van de burgerlijke stand gezonden.

Deze eindbeslissing wordt bij de verklaring overgeschreven in het register, bedoeld in artikel 25.

De nationaliteitskeuze heeft in dit geval gevolg vanaf deze overschrijving.

§ 7. Tegen de niet-inschrijving van de verklaring in het in § 5 van dit artikel bedoelde register, omwille van onvoldoende kennis van de taal van het taalgebied, zoals bepaald in § 3, 3º, van dit artikel, kan beroep worden ingesteld bij de vaste wervingssecretaris. Over dit beroep wordt beraadslaagd door een examencommissie, samengesteld zoals voor functies of betrekkingen die in de niveaus 3 of 4 van het rijkspersoneel gerangschikt zijn, of voor gelijkwaardige functies of betrekkingen van de niet tot de rijksbesturen behorende diensten. »

Vincent VAN QUICKENBORNE.

(1) Dit wetsvoorstel werd reeds in de Senaat ingediend op 27 juni 1995, onder het nummer 1-24/1 ­ BZ 1995.