1-611/8 | 1-611/8 |
6 DECEMBER 1997
Bijlage 1
Verslag d.d. 7 januari 1997 van de ad-hocgroep-Rwanda aan de Commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden van de Senaat (en bijlagen).
(zie stuk 1-611/8, blz. 4)
Bijlage 2
Verslag van de zending van 23 tot 30 augustus 1997 naar Rwanda van de heer Philippe Mahoux, ondervoorzitter en verslaggever van de Parlementaire commissie voor onderzoek betreffende de gebeurtenissen in Rwanda (en bijlagen).
(zie stuk 1-611/9)
Bijlage 3
Studies over de vraag of een parlementaire commissie leden van het Kabinet van de Koning kan ondervragen.
A. Advies van professor A. Alen (Tijdschrift voor bestuurswetenschappen en publiek recht , 52e jaargang, nr. 5, mei 1997).
B. Advies van professor J.-C. Scholsem (Tijdschrift voor bestuurswetenschappen, ibidem ).
C. Kunnen medewerkers van de Koning worden opgeroepen voor een onderzoekscommissie ? (Nota van de Dienst Juridische Zaken en Documentatie van de Senaat, gepubliceerd in het Tijdschrift voor bestuurswetenschappen, ibidem ).
(zie stuk 1-611/10)
Bijlage 4
Rapport d'ensemble enseignements tirés de la mission des Nations unies pour l'assistance au Rwanda (MINUAR), octobre 1993-avril 1996 (Groupe des enseignements tirés des missions. Département des opérations de maintien de la paix, Nations unies, décembre 1996).
(zie stuk 1-611/11)
Bijlage 5
Verslag van de Commissie Kigali (verslag Uytterhoeven), 1994.
(zie stuk 1-611/12)
Bijlage 6
Studies over de vaststelling van de verantwoordelijkheden van de verschillende internationale actoren tijdens de gebeurtenissen in Rwanda.
A. Studie van professor E. Suy en Dr Nicolas Angelet van 12 november 1997.
B. Studie van professor E. David van 26 september.
(zie stuk 1-611/13)
Bijlage 7
Studie over de appreciatie van politieke verantwoordelijkheden door een onderzoekscommissie van de Senaat (Nota van de Dienst Juridische Zaken en Documentatie van de Senaat, van 28 oktober 1997).
(zie stuk 1-611/14)
Bijlage 8
L'usage de la dette extérieure du Rwanda (1990-1994). La responsabilité des bailleurs de fonds (analyse et recommandations par Pierre Galand et Michel Chossudovsky).
(zie stuk 1-611/15)
Bijlage 9
Inspectieverslag van majoor Guérin, van 31 januari 1994.
(zie stuk 1-611/15)
Bijlage 10
Rapport van kolonel Heyvaert van 13 mei 1993 over de lessen van Belbat II.
(zie stuk 1-611/15)
Bijlage 11
Rapport de mission au Secteur EAST UNPROFOR du 13 mars à fin août 1992, du 21 août 1992.
(zie stuk 1-611/15)
Bijlage 12
Télégramme envoyé le 11 janvier 1994 par le général Dallaire à New York (DPKO).
(zie stuk 1-611/15)
Bijlage 13
Note du luitenant général Charlier au ministre de la Défense nationale, du 10 mars 1993.
(zie stuk 1-611/15)
VERSLAG D.D. 7 JANUARI 1997
VAN DE AD-HOCGROEP-RWANDA
AAN DE COMMISSIE VOOR DE
BUITENLANDSE AANGELEGENHEDEN
In het kader van de bespreking van het regeringsbeleid inzake de gebeurtenissen in Rwanda (1993-94), onderzocht de senaatscommissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden onder meer het voorstel tot instelling van een parlementaire onderzoekscommissie belast met het onderzoek naar de factoren die de Belgische politiek hebben bepaald in de maanden voorafgaand aan, tijdens het uitbreken en tijdens de uitvoering van de genocide in Rwanda (voorstel Coveliers, Gedr. St. Senaat 234-1) en het voorstel houdende instelling van een parlementaire commissie van onderzoek naar de moord op tien Belgische blauwhelmen en de voorbereiding van de volkenmoord in Rwanda (voorstel Destexhe, Senaat (Gedr. St. 259-1).
Naar aanleiding hiervan richtte de commissie een brief tot de ministers van Buitenlandse Zaken en van Landsverdediging, met de vraag tot toezending van de « informatieve nota's die gedurende de maanden voorafgaand aan de moord op de tien Belgische blauwhelmen en de volkenmoord in Rwanda, bij hun departement en kabinet zijn aangekomen. » Dit verzoek stuitte op terughoudendheid vanwege de regering die zich beriep op de vertrouwelijkheid van de informatie en de bescherming van haar bronnen : de dossiers bevatten immers stukken van de inlichtingendiensten en verwijzen naar « informatie van derden wiens identiteit niet kan of mag vrijgegeven worden ».
Beide ministers gaven op 27 juni 1996 een uiteenzetting over de tijdens bedoelde periode ontvangen informatie, echter zonder overhandiging van documenten.
Daar de commissie hiermee geen genoegen nam, werd het probleem voorgelegd aan het Bureau van de Senaat, waar in overleg met de regering een compromisvoorstel werd uitgewerkt waarbij zowel het principe van de ministeriële verantwoordingsplicht tegenover het Parlement als het principe van de vertrouwelijkheid van bepaalde documenten werden geëerbiedigd.
Dit voorstel werd door de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden lichtjes geamendeerd en vervolgens eenparig goedgekeurd.
Het Bureau van de Senaat hechtte zijn eenparige goedkeuring aan het aldus bereikte akkoord.
Ook de vice-eerste minister, afgevaardigde van de regering in het Bureau, sloot zich namens de regering aan bij dit akkoord.
Hierna volgt de tekst van de eenparige beslissing van de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden dd. 24 juli 1996 :
« De commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden beslist :
een ad-hocgroep op te richten om bij de departementen Buitenlandse Zaken en Landsverdediging de documenten te raadplegen die betrekking hebben op de gebeurtenissen in Rwanda tussen het sluiten van de akkoorden van Arusha in augustus 1993 en het begin van de genocide in april 1994;
de heren André en Delva, emeritus voorzitters van het Arbitragehof, en de heer Swaelen, voorzitter van de Senaat, de heren Mahoux en Verhofstadt, ondervoorzitters van de Senaat, en de heer De Decker, senator en voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad, te belasten met de opdracht de bovenbedoelde documenten en informatie te raadplegen, een verslag op te stellen over de informatie in die documenten betreffende de bovenbedoelde periode, hun verslag bij de commissie in te dienen binnen een redelijke termijn en uiterlijk op 15 oktober 1996, en voor de commissie te verschijnen om haar de nodige toelichting te verstrekken;
van de leden van de ad-hocgroep de naleving van de zwijgplicht te eisen wat de informatie betreft die zij bij de uitvoering van hun opdracht hebben ingewonnen;
de werkzaamheden van de commissie over hetzelfde onderwerp te schorsen tot wanneer de ad-hocgroep zijn verslag heeft ingediend. »
Onmiddellijk nadat de instemming van de aangezochte leden was bekomen, kwamen de parlementaire leden van de werkgroep nog diezelfde avond bijeen om de eerste vergadering voor te bereiden en praktische schikkingen te treffen voor de materiële organisatie van de werkzaamheden.
De voltallige vergaderingen van de werkgroep hadden plaats op 12 augustus 1996, 3 en 17 september 1996, 11 en 25 oktober 1996, 8, 22 en 29 november 1996, 4, 6, 9,10, 13, 18 en 19 december 1996.
Na korte tijd bleek dat het aantal te onderzoeken documenten buitengewoon omvangrijk was en dat daarenboven bijkomende informatie moest worden ingewonnen; als gevolg hiervan stemde de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden in met het verzoek tot verlenging van het mandaat van de groep tot begin december 1996, en vervolgens tot begin januari 1997.
De opdracht van de ad-hocgroep bestond er in, na te gaan over welke inlichtingen vervat in stukken en documenten inzake Rwanda de Belgische burgerlijke en militaire overheden beschikten tijdens de periode tussen het akkoord van Arusha (4 augustus 1993) en het begin van de genocide (april 1994). Die informatie moet de senaatscommissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden de gegevens aanreiken die haar in staat stellen de verantwoordelijkheid van de bij de besluitvorming ter zake betrokken overheden en beleidsorganen te beoordelen.
De ad-hocgroep is ervan uitgegaan dat die verantwoordelijkheden betrekking hebben op de Belgische politiek t.a.v. Rwanda in de periode vóór de moord op de Belgische para's en de genocide; het deelnemen van een Belgisch detachement aan UNAMIR, met o.m. de problemen betreffende het statuut, de opdracht, de « rules of engagement », de ter beschikking gestelde middelen, enz.; de demarches bij de Organisatie van de Verenigde Naties met het oog op de versterking van het mandaat en de middelen van UNAMIR. Deze verantwoordelijkheid van de Belgische regering strekt zich niet uit tot de beslissingen van de VN zelf, noch tot de beslissingen van de UNAMIR-commandoketen.
Wat kolonel Marchal betreft, moet rekening worden gehouden met diens definitieve vrijspraak door het Militair Gerechtshof.
Reeds bij zijn eerste vergadering stelde de ad-hocgroep vast dat zijn opdracht erg vaag en algemeen werd geformuleerd. Daarom werd duidelijk afgesproken dat de werkgroep zich strikt zou houden aan het noteren van feiten, het verrichten van vaststellingen en eventueel het evalueren van de waarde van bepaalde informaties.
2. DE DOOR DE WERKGROEP
ONDERZOCHTE DOCUMENTEN
A. Documenten Landsverdediging
I. Documenten SGR
1º MAPPEN GENUMMERD 1 TOT 16
Informatie van algemene aard afkomstig uit openbare bronnen.
Periode: augustus 1993 tot april 1994.
2º MAPPEN GENUMMERD 17 EN 18
Door SGR verwerkte gegevens die inlichtingen zijn geworden en aan verschillende geadresseerden zijn meegedeeld.
3º NOTA'S OVER DE TOESTAND IN RWANDA (één map)
Geheime documenten over de politieke, humanitaire en militaire toestand, alsook over crisissen.
Periode: oktober 1993 tot april 1994.
4º WEEKBERICHTEN VAN DE INLICHTINGENDIENSTEN (één map)
toestand in Rwanda;
verloop van de gebeurtenissen;
ontwikkelingen in de toestand.
Periode: januari 1993 tot april 1994.
5º MAP MET BIJKOMENDE INFORMATIE (één map)
Uit diverse bronnen afkomstige informatie over de toestand en het verloop der gebeurtenissen in Rwanda.
Periode: januari 1993 tot mei 1994.
6º MAP « IN » SGR OPS RWANDA 1994
Informatie afkomstig van bepaalde buitenlandse inlichtingendiensten.
II. Documenten JS
Allerhande informatie over de humanitaire operaties (UNAMIR, BELBAT, UNOSOM, ...).
1º MAP JS 1
Verslag van de C Ops-vergaderingen van augustus 1993 tot december 1993 inbegrepen.
2º MAP JS 2
Zelfde inhoud van januari 1994 tot april 1994 inbegrepen.
III. Documenten C Ops over munitie (Sitrep 103)
IV. Documenten van 1 Para
Inlichtingen van de Operatie UNAMIR I.
B. Documenten Ministerraad
Twee nota's (en twee adviezen van de Inspectie van Financiën) ter voorbereiding van de vergaderingen van 26 november en 3 december 1993 van de ministerraad.
C. Documenten Buitenlandse Zaken
Nota's van de ambassadeur te Kigali aan de minister van Buitenlandse Zaken (4 augustus 1993 6 april 1994) (drie mappen);
Telexen Ambabel Kigali aan Belext BRX (augustus 1993 april 1994) (één map);
Telexen Brussel aan Ambabel Kigali (10 april 1993 6 april 1994) (één map);
Faxen Kigali Ambabel aan Belext (augustus 1993 april 1994) (één map);
Jaarverslagen 1993 en 1994;
Notulen van coördinatievergaderingen Buitenlandse Zaken-Landsverdediging (2 december 1993 28 juli 1994).
D. Documenten UNAMIR
1. Rules of Engagement UNAMIR.
2. Operatie-opdracht UNAMIR.
E. Documenten Verenigde Naties (DELBELONU)
Telegrammen ambassadeur Noterdaeme aan Belext over Rwanda (augustus 1993 april 1994) (één map);
Telegrammen ambassadeur Noterdaeme aan Belext over UNAMIR (augustus 1993 april 1994) (één map);
Correspondentie DELBELONU en ministerie van Buitenlandse Zaken (7 april 30 april 1994) (één map).
F. Documenten Militair Krijgshof
Proces Luc Marchal (31 mappen + 1 map eerste aanleg en Cassatie).
G. Vertrouwelijk rapport van Kolonel Marchal
« Considérations relatives aux conditions dans lesquelles j'ai exercé une fonction de Commandant du Secteur Kigali au sein de la Minuar du 4 décembre 1993 au 19 avril 1994.
H. Vast Comité van Toezicht
op de Inlichtingendiensten
Verslag van het toezichtsonderzoek handelend over de efficiëntie en de samenwerking van de inlichtingendiensten in verband met de gebeurtenissen te Rwanda.
I. Documenten Verenigde Naties
Akkoorden van Arusha (één map).
Rapporten van de Verenigde Naties :
(E/CN.4/1994/7/Add.1) Report by the Special Rapporteur on extrajudicial, summary or arbitrary executions on his mission to Rwanda, 8-17 april 1993, including as annex II the statement of 7 april 1993 of the Government of Rwanda concerning the final report of the independent International Commission of Inquiry on human rights violations in Rwanda since 1 October 1990.
S/1994/360, 30 maart 1994 Second progress report of the Secretary-General on UNAMIR for the period from 30 December 1993 to 30 March 1994, requesting an extension of its mandate for a period of six months.
J. Andere documenten
The Joint evaluation of Emergency Assistance to Rwanda, maart 1996, Edit. D. Millwood, ISBN 87-7265-355-3/331-0/332-9/333-7/334-5.
Bij deze lijst passen enkele belangrijke opmerkingen :
· Wat betreft het onderzoek van die documenten door de ad-hocgroep, is het van belang te weten welke verspreiding eraan werd gegeven :
de telexen van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel werden op enkele uitzonderingen na ook ter kennis gebracht van het kabinet van het ministerie van Landsverdediging en het kabinet van de Koning;
de bijkomende informatienota's of compléments d'information opgesteld door de militaire inlichtingendienst (SGR) werden op enkele uitzonderingen na toegestuurd aan de minister van Landsverdediging, het Militair Huis van de Koning en de Generale Staf; daartoe werd in deel vier van dit rapport telkens de verzamelnaam « verschillende bestemmelingen » gehanteerd;
de info's van SGR vermelden een kwalificatieletter en een nummer; de letter geeft de betrouwbaarheidsgraad weer van de bron, het cijfer de graad van betrouwbaarheid van de informatie; de commissieleden zullen merken dat op één uitzondering na alleen info's met een hoge graad van betrouwbaarheid worden weergegeven (A of B en 1 of 2);
de verslagen van het operationeel centrum van het leger te Evere (C Ops) werden dagelijks toegestuurd aan de Generale Staf, het kabinet van het ministerie van Landsverdediging en de SGR;
de SITREP's die dagelijks vanuit Rwanda aan C Ops werden toegezonden, werden opgesteld door KIBAT, de Comd Sector Kigali of door UNAMIR in haar geheel. Zij waren vaak vergezeld van tal van bijlagen, waaronder de rapporten van de inlichtingenofficieren. C Ops zond ze op zijn beurt door aan de Generale Staf, het kabinet van het ministerie van Landsverdediging en de SGR.
Dit verslag behandelt uitsluitend geschreven documenten. Er komen geen mondelinge toelichtingen of verslagen in voor. Vanzelfsprekend moet er rekening mee gehouden worden dat de betrokken stukken werden geconsulteerd met kennis van de gebeurtenissen die zich meer dan twee jaar geleden in Rwanda hebben voorgedaan. De ad-hocgroep heeft echter gepoogd dit gevaar voor een a posterio-interpretatie te vermijden en zodoende de stukken zoveel mogelijk in hun oorspronkelijk tijdskader te beoordelen.
· De ad-hocgroep kan niet met zekerheid stellen of hij bij het uitvoeren van de opdracht die hem door de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden werd toevertrouwd, alle relevante stukken heeft kunnen inkijken. De eerste minister liet in een brief van 27 november 1996 (bijlage 1) aan de voorzitter van de Senaat weten dat in de periode augustus 1993 april 1994 geen andere documenten in verband met Rwanda aan de ministers werden meegedeeld, dan twee nota's en twee adviezen van de Inspectie van Financiën, dit ter voorbereiding van vergaderingen van de ministerraad die werden gehouden op 26 november en 3 december 1993. Het betreft twee dossiers die betrekking hebben op het verlenen van humanitaire hulp en die werden voorbereid door het Algemeen Bestuur van Ontwikkelingssamenwerking. De ad-hocgroep merkt op dat er derhalve geen documenten zijn overhandigd ter voorbereiding van de vergaderingen van de Ministerraad van 8 oktober en 19 november 1993 en van de bijeenkomst van het beperkt ministercomité van 10 november 1993. Wel merkt de ad-hocgroep op dat er in de onderzochte documenten wel stukken terug te vinden zijn die bestemd waren voor de eerste minister (stuk nr. 36 van het dossier JSS zonder referenties daterend van 21 oktober 1993) of stukken die dienden ter ondersteuning van de besprekingen in het beperkt ministercomité en in de ministerraad (stuk nr. 35 van het dossier JS1 ref. JSO-P 33578 van 10 november 1993).
· De ad-hocgroep stelt verder vast dat er na het besluit van de ministerraad van 19 november 1993, ook geen schriftelijke rapporten of nota's meer zijn overgezonden van de Generale Staf naar de minister van Landsverdediging of naar het kabinet van de minister van Landsverdediging. Dat is wat de huidige minister van Landsverdediging schrijft in zijn brief van 18 november jl. aan de voorzitter van de Senaat (bijlage 2). De stukken van de Generale Staf die de ad-hocgroep ter beschikking werden gesteld, betreffen immers allemaal documenten die dateren van vóór de beslissing van de ministerraad van 19 november 1993.
Behalve de documenten opgenomen onder punt 4, heeft de ad-hocgroep geen enkele informatie over andere vergaderingen. De ad-hocgroep heeft de minister van Binnenlandse Zaken daarop schriftelijk verzocht om ofwel eventuele ontbrekende rapporten alsnog over te zenden, ofwel een overzicht te geven van de weken waarin op Buitenlandse Zaken geen coördinatievergaderingen hebben plaatsgenomen (bijlage 3). Het antwoord bevindt zich in bijlage 11.
Tenslotte werden de door de SGR toegankelijke documenten ook gezuiverd van inlichtingen en van door buitenlandse inlichtingendiensten overgezonden stukken. De SGR vroeg aan de betrokken inlichtingendiensten de toelating om de ad-hocgroep inzage te geven van die informatie. Bij brief van 2 oktober 1996 ontving de SGR negatief antwoord van de Franse militaire inlichtingendienst (DRM) met melding dat die weigering ook geldt voor de stukken en informatie afkomstig van de DGSE. De SGR heeft bij brief van 13 november 1996 een zelfde weigering opgelopen voor de documenten uitgaande van de VS-autoriteiten.
· Voor niet professionele lezers is het uiterst moeilijk een correcte evaluatie te maken van de door de inlichtingendiensten overgezonden « informatie/ : wat is belangrijk en wat niet, wat is betrouwbaar en wat niet, enz. Daarom ging de ad-hocgroep zoveel mogelijk voort op synthesenota's, wekelijkse briefings en in het algemeen « verwerkte informatie ». Wegens het algemeen karakter van de opdracht en de als gevolg hiervan ontvangen documenten werd noch door de betrokken departementen noch door de groep zelf een schifting van de documenten verricht.
Als gevolg hiervan moet de ad-hocgroep Rwanda vaststellen dat tal van documenten in feite geen vertrouwelijk karakter (meer) hebben en dat hun inhoud vaak via de media publiek geworden is. Strikt genomen had de ad-hocgroep Rwanda zich dus kunnen beperken tot het raadplegen van de documenten waarvan de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden geen kennis kon of mocht krijgen omwille van hun zeer vertrouwelijk karakter. Dit stelt echter opnieuw het probleem van de voorafgaandelijke schifting die uitdrukkelijk niet door de commissie werd gewenst.
3. DE DOOR DE AD-HOCGROEP RWANDA
GEVOLGDE WERKWIJZE
Er werd niet overgegaan tot taakverdeling tussen de leden : elk lid kon in principe alle beschikbare documenten lezen. Dit geschiedde in een afzonderlijke zaal van de Senaat, waar de documenten, zoals door SGR vereist, achter slot en grendel werden bewaard en door een onderofficier van de Militaire Veiligheid ter inzage werden gegeven. De lectuur gebeurde tijdens de kantooruren op alle werkdagen, in functie van de beschikbaarheid van elk lid.
Tijdens de vergaderingen van de ad-hocgroep werden de bevindingen van de leden met elkaar geconfronteerd en werden nieuwe sporen van onderzoek aangewezen. Twee leden begaven zich naar Kigali om ter plaatse de implicaties en de betekenis van bepaalde inlichtingen na te gaan.
Tijdens de vergaderingen werd eveneens vastgesteld welke bijkomende documentatie aan de betrokken departementen diende gevraagd te worden.
Op die wijze werden een tiental probleemvelden voor nader onderzoek weerhouden die verderop worden opgesomd.
Betreffende elk van deze punten werd nagegaan over welke precieze inlichtingen de Belgische militaire en burgerlijke overheden beschikten tijdens de beschouwde periode. De leden van de ad-hocgroep vergeleken hun nota's dienaangaande en kwamen zo tot een gemeenschappelijke bevinding. Er werd geen rapporteur aangewezen. Wel leverden één of enkele leden van de werkgroep een ontwerp-tekst voor elk van de onderdelen van het verslag. Deze teksten werden in plenum besproken, aangevuld of verbeterd, zodat zij met eenparigheid konden worden goedgekeurd. Onderhavig verslag is bijgevolg een collectief werkstuk dat U namens de eensgezinde ad-hocgroep Rwanda wordt voorgesteld.
Bij zijn onderzoek van de documenten is de ad-hocgroep Rwanda uitgegaan van de voornaamste punten van kritiek die de voorbije jaren werden uitgebracht op de dramatische gebeurtenissen die zich in Rwanda hebben afgespeeld vanaf 6 april 1994. Tien Belgische para's die behoorden tot de UNAMIR-troepen kwamen op 7 april in verschrikkelijke omstandigheden om het leven. Diezelfde dag werd het startsein gegeven voor een genocide waarbij in enkele weken tijd wellicht meer dan één miljoen Tutsi's en gematigde Hutu's werden afgeslacht.
Teneinde de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden toe te laten een oordeel te vellen over die punten van kritiek, alsmede de verantwoordelijkheden voor dit drama vast te leggen, heeft de ad-hocgroep Rwanda volgende vragen onderzocht :
1. Wat wisten de Belgische autoriteiten (ministerie van Buitenlandse zaken en ministerie van Landsverdediging) over het in Rwanda heersend anti-Belgisch klimaat in de periode voorafgaand aan de beslissing van de Belgische regering om deel nemen aan de zogenaamde UNAMIR-operatie, beslissing genomen in de ministerraad op 19 november 1993 ?
Het antwoord op deze vraag dient de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden te helpen bij het beoordelen van het besluit van de Belgische regering om Belgische troepen naar Rwanda te zenden in het kader van de UNAMIR-operatie en van de voorbereidingen die daartoe werden getroffen.
2. Wat wisten de Belgische autoriteiten over het in Rwanda heersend anti-Belgisch klimaat in de periode na 19 november 1993 ?
Het antwoord op deze vraag dient de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden te helpen bij het beoordelen van het handhaven door de regering van de Belgische troepen in het kader van de UNAMIR-operatie.
3. Waren de Belgische autoriteiten op de hoogte van een specifieke bedreiging tegen UNAMIR in het algemeen en de aanwezigheid van Belgische troepen in het kader van de UNAMIR in het bijzonder ?
Net zoals het antwoord op de tweede vraag, dient het antwoord op deze vraag de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden behulpzaam te zijn bij het beoordelen van het handhaven door de regering van de Belgische troepen in Rwanda. Inzonderheid moet dit antwoord de commissie helpen zich een oordeel te vormen over de omvang van het risico dat er moordaanslagen op Belgische blauwhelmen zouden worden gepleegd.
4. Welke inlichtingen bezaten de Belgische autoriteiten m.b.t. de initiatiefnemers, de financiering, de werking en de uitzendingen van de zogenaamde Radiotélévision Libre Mille Collines ? Hoe werd er tegen opgetreden ?
Het antwoord op deze vragen dient de commissie te helpen bij het beoordelen van de ernst van de bedreiging die rustte op de Belgen in het algemeen en de aanwezigheid van Belgische UNAMIR-troepen in het bijzonder.
5. Welke waren de aanduidingen waarover de Belgische autoriteiten beschikten m.b.t. de voorbereiding van een genocide op de Tutsi's en van moorden op politieke Hutu-opponenten en meer in het bijzonder welke inlichtingen bezat België m.b.t. de rol die de extreme Hutu-milities, het geregeld Rwandees leger (FAR) en de Gendarmerie Nationale in die voorbereiding hebben gespeeld ?
Het antwoord hierop dient de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden behulpzaam te zijn bij het beoordelen of België vooraf kennis had van de voorbereiding van een genocide en moorden, zoniet of België beschikte over informatie waaruit kon worden afgeleid dat politieke moorden en een genocide op til waren dan wel of dit althans tot de mogelijkheden behoorde.
6. Wat was het mandaat van de UNAMIR-troepen ? Welke waren de moeilijkheden terzake ? Welke stappen werden concreet ondernomen om dit mandaat te wijzigen ?
Het antwoord op deze vragen dient de commissie in staat te stellen zich een oordeel te vormen over wie de verantwoordelijkheid draagt voor het mandaat waarmee de UNAMIR-troepen werden uitgestuurd en voor de weigering om dit mandaat aan te passen. Tevens dient het de commissie de mogelijkheid te bieden de omvang van de inspanningen te beoordelen die de overheden terzake hebben geleverd om het mandaat aan te passen.
7. Welke inlichtingen bevatten de geraadpleegde documenten inzake de gebeurtenissen van 7 april 1994, dag waarop de Belgische para's werden omgebracht ?
8. Welke waren de problemen inzake informatie, logistiek, uitrusting en bewapening waarmee de UNAMIR-troepen in het algemeen en de Belgische UNAMIR-troepen in het bijzonder werden geconfronteerd ?
Het antwoord op deze vraag dient het de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden mogelijk te maken zich een oordeel te vormen over de vraag of het aantal manschappen dat werd uitgezonden, hun uitrusting en bewapening aangepast waren aan de uit te voeren opdrachten.
9. Welke inlichtingen bevatten de geraadpleegde documenten m.b.t. de beslissing van de Belgische regering de Belgische UNAMIR-troepen uit Rwanda terug te trekken na de dramatische gebeurtenissen van 7 april 1994 ?
Het antwoord hierop dient de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden te helpen bij het beoordelen van deze beslissing.
10. Ten slotte wordt in een tiende hoofdstuk weergegeven welke relevante inlichtingen de Belgische overheden in de bewuste periode bezaten in verband met tal van kwesties die direct en indirect de gebeurtenissen in Rwanda hebben beïnvloed. Het betreft o.m. inlichtingen i.v.m. met wapenleveringen aan Rwanda, de aanslag op 6 april 1994 op het vliegtuig waarin de staatshoofden van Rwanda en Burundi de dood vonden, het bestaan van een parallelle diplomatie en de betrokkenheid van vreemde naties bij de dramatische ontwikkelingen die Rwanda in de onderzochte periode heeft gekend.
4. RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
VAN DE DOCUMENTEN
4.1. Wat wisten de Belgische autoriteiten over het in Rwanda heersend anti-Belgisch klimaat in de periode voorafgaand aan de beslissing van de Belgische regering om deel te nemen aan de zogenaamde UNAMIR-operatie, beslissing genomen in de ministerraad op 19 november 1993 ?
De beslissing om Belgische troepen naar Rwanda te sturen in het kader van de UNAMIR-operatie werd genomen door de voltallige ministerraad op 19 november 1993.
De beslissing werd voorbereid in een beperkt ministercomité op 10 november 1993, op basis van een verslag van een verkenningseenheid van het leger die naar Rwanda werd gestuurd ingevolge een beslissing van de ministerraad van 8 oktober 1993. M.a.w. het beginsel dat Belgische troepen zouden deelnemen aan de UNAMIR-operatie waartoe in VN-resolutie nr. 872 op 5 oktober 1993 door de Veiligheidsraad werd beslist, werd reeds informeel genomen op de ministerraad van 8 oktober 1993.
De informele vraag hiertoe ontving België reeds op 8 september 1993 langs onze ambassadeur bij de Verenigde Naties. De uiteindelijke beslissing van 19 november 1993 voorzag in het zenden van 370 manschappen met de mogelijkheid tot het « opdrijven van de getalsterkte van het detachement tot een maximum van 450 militairen mocht dit voor de veiligheid van het personeel onontbeerlijk blijken ».
De beslissing om Belgische troepen naar Rwanda te zenden kwam niet onverwacht. Ons land was samen met Frankrijk de grote pleitbezorger voor het ontplooien van een internationale troepenmacht in Rwanda om alzo uitvoering te geven aan de akkoorden van Arusha die op 4 augustus 1993 tot stand kwamen (de aanwezigheid van wat aanvankelijk een « neutral international force » (NIF) werd genoemd was een punt van de onderhandelingen waarover in Arusha tussen beide partijen overigens reeds op 11 juni 1993 een akkoord werd bereikt). Zo richtte de minister van Buitenlandse zaken Willy Claes op 29 september 1993 een brief aan zijn Amerikaanse collega Warren Christopher waarin hij om een snelle ontplooiing van de NIF verzocht. Het Somalië-debacle deed de VS immers twijfelen aan een nieuwe VN-vredesoperatie op het Afrikaanse continent.
Uiteindelijk, zoals hierboven reeds aangegeven, gaf de VN-Veiligheidsraad op 5 oktober 1993 in resolutie nr. 872 zijn goedkeuring aan de ontplooiing voor een periode van zes maanden van een neutrale internationale troepenmacht in Rwanda, genaamd « United Nations Assistance Mission for Rwanda » (UNAMIR).
Ongetwijfeld is het geven van een uitvoering aan de Arusha-akkoorden de belangrijkste reden geweest voor de Belgische beslissing om deel te nemen aan UNAMIR. Dit werd met zoveel woorden nog bevestigd door de eerste minister in het parlementair debat dat volgde op de dramatische gebeurtenissen van 7 april 1994. (Parlementaire Handelingen van de Belgische Senaat vergadering van 22 april 1994).
Toch blijkt uit de onderzochte documenten dat dit niet de enige reden was en dat er bij de Belgische legerleiding en het ministerie van Landsverdediging ook andere motieven een rol hebben gespeeld. Zo gaf de militaire inlichtingendienst van het Belgisch leger (SGR) een positief advies over een mogelijke deelname van België aan wat toen nog de NIF heette, op grond van de vaststelling dat de aanwezigheid van Belgische manschappen in Rwanda een geruststellende invloed zou uitoefenen op vele geëxpatrieerden (bijkomende informatienota van 28 september 1993 van SGR documenten SGR nr. 7140 e.v.), terwijl Luitenant-Generaal Charlier op 15 oktober 1993 in een nota aan de minister van Landsverdediging stelt dat de Belgische deelname aan de Rwandese operatie een argument bood om te weerstaan aan de vraag tot verlenging van de Belgische aanwezigheid in Somalië. « (...) Le Président des États-Unis a insisté à deux reprises, auprès du Premier ministre, pour que la Belgique maintienne sa présence en Somalie jusqu'au départ des Américains. Toutefois, d'après les informations qui nous sont parvenues ce jour de Washington (attaché militaire), il apparaît que les États-Unis comprendraient la décision belge de se retirer de Somalie pour s'engager avec un effectif comparable au Rwanda. Cet argument est en effet des plus convaincants pour résister aux pressions extérieures, qui visent à obtenir la prolongation de la présence belge en Somalie ».
(documenten JS nr. 6687).
De ad-hocgroep Rwanda onderzocht of bij dit alles niet werd over het hoofd gezien dat er zich sinds oktober 1990 (ogenblik waarop na het uitbreken van de gevechten tussen het Rwandese leger (FAR) en het FPR de technisch-militaire samenwerking stopte, onze landgenoten repatrieerde en weigerde de geplande wapenleveringen aan Rwanda uit te voeren) een anti-Belgisch klimaat in Rwanda ontwikkelde, althans in de extreme Hutu-kringen verbonden met President Habyarimana en zijn directe entourage.
Zoals hierboven reeds werd medegedeeld werden bij de voorbereiding van de beslissing van de ministerraad van 8 oktober 1993 en 19 november 1993 geen documenten rondgedeeld. Evenmin werden er documenten ter beschikking gesteld tijdens het beperkt ministercomité van 10 november 1993. De discussies in de ministerraad en het beperkt ministercomité zouden hebben plaatsgegrepen op basis van mondelinge verslagen en uiteenzettingen. Het was voor de ad-hocgroep vanzelfsprekend onmogelijk om na te gaan of bij die mondelinge verslagen het probleem van het anti-Belgisch klimaat aan de orde werd gesteld of hiermee bij het nemen van de beslissing rekening werd gehouden. Wel ging de ad-hocgroep nauwgezet na of in de documenten en in de desbetreffende informatie die aan de regering in het algemeen en aan de ministers van Buitenlandse Zaken en van Landsverdediging in het bijzonder ter beschikking werd gesteld, al dan niet melding wordt gemaakt van een vijandschap jegens België.
In telex nr. 975 van 27 september 1993 van Ambabel Kigali gericht aan Minafet Brussel wordt nog gewezen op het krediet dat België in Rwanda bezit.
De Belgische participatie, zo luidt het « (...) is unaniem gewenst d.w.z. door Rwandees regime en bevolking (...) ».
Enkele passages teruggevonden in andere telexen uitgaande van onze ambassade in Kigali bevestigen dit positief gevoel. Evenwel blijkt uit het geheel van de onderzochte documenten dat er zich in de periode tussen 4 augustus 1993, dag van de ondertekening van de Arusha-akkoorden en 19 november 1993, dag van de formele beslissing om Belgische troepen te laten deelnemen aan de UNAMIR-operatie, een anti-Belgische stemming in Rwanda ontwikkelde. Dit geschiedde niet onmiddellijk na het afsluiten van de Arusha-akkoorden. Die anti-Belgische stemming was ook niet geheel nieuw.
In februari 1993 bijvoorbeeld werden nog twee leden van de Belgische diplomatie te Kigali bedreigd, en in april 1993 werd op initiatief van de CDR (Coalition pour la Défense de la République) RTLM (Radiotélévision Libre Mille Collines) opgericht, een vrije radio die vrij vlug anti-Belgische propaganda zou spuien. Zoals hierboven reeds aangehaald, was die latent aanwezige anti-Belgische animositeit het rechtstreeks gevolg van de beslissingen die ons land nam na het uitbreken van de gevechten tussen de FAR en het FPR in oktober 1990. Maar het is vooral na het ondertekenen van de Arusha-akkoorden op 4 augustus 1993 en vooral na de staatsgreep in Burundi in oktober 1993 waarbij President Ndadaye vermoord werd, dat in extreme Hutu-kringen een hardnekkige weerstand groeit tegen die Arusha-akkoorden in het algemeen en tegen België in het bijzonder, dat overigens als een van de voornaamste pleitbezorgers van die akkoorden werd aangezien.
Was de Belgische overheid hiervan op de hoogte ? Wat wisten de Belgische autoriteiten terzake ? Werd met deze feiten rekening gehouden bij het nemen van de beslissing van 19 november ?
Bijkomende informatienota van 6 augustus 1993 van SGR aan verschillende bestemmelingen waarin twee dagen na de ondertekening van de Arusha-akkoorden wordt gemeld dat er binnen de harde Hutu-kern heel wat ontevredenheid en tegenstand bestaat tegen deze akkoorden en dat dit ook in legerkringen het geval is. « Er moet dan ook gevreesd worden, dat er in de komende dagen een golf van betogingen, rellen en zelfs aanslagen op gang kan komen ».
Telex nr. 1057 van 22 oktober 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin verslag wordt uitgebracht van een incident waarbij een bus met Belgische schoolkinderen met stenen wordt bekogeld. Het is het eerste voorval dat wijst op het bestaan of althans het ontstaan van een anti-Belgisch klimaat. In het verslag wordt ook voor de eerste maal gewezen op de rol van RTLM die een « ophitsend editoriaal » uitzond.
(idem documenten SGR nr. 530).
Telexen nrs. 1087 en 1098 van 28 oktober en 1 november 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin verslag wordt uitgebracht over een tweede anti-Belgisch incident, met name met een Boeing van Sabena. De Burundese minister van Justitie vergezeld van Rwandese rijkswachters voeren een controle uit over de passagiers.
(idem documenten SGR nr. 448).
Telex nr. 1096 van 1 november 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel meldt in punt 7, n.a.v. een persconferentie van OAE-secretaris-generaal Salim Salim, de kritiek van de pers, meer bepaald van de hoofdredacteur van « L'echo des mille collines » op de Belgische deelname aan UNAMIR.
Telex nr. 1106 van 5 november 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel omvattende het verslag van het onderhoud van de Belgische ambassadeur met eerste minister, mevr. Agathe Uwilingiyimana, waarin die het voorbehoud meedeelt van de MRND-ministers « tegen te overwegende participatie van België aan UNAMIR » (punt 2). De Eerste Minister hoopt echter dat België zich toch vlug engageert, evenwel « vindt ze het geraden dat België niet alleen de klus zou klaren en dat een ander buitenlands en geloofwaardig contingent zich aan de zijde van Belgische troepen schaart » (punt 3). In punt 5 meldt de ambassadeur dat in een MDR-betoging van diezelfde dag anti-Belgische slogans zouden zijn meegedragen.
Brief van 8 november 1993, niet ondertekend, gericht aan de VN-secretaris-generaal. Onder de titel « Pas de troupes belges au Rwanda » wordt de deelname van Belgische troepen aan UNAMIR zwaar op de korrel genomen. België wordt er verder van beschuldigd in oktober 1990 aan Rwanda de noodzakelijke munitie geweigerd te hebben, goedgunstig te staan tegenover het FPR en zich medeplichtig en partijdig te gedragen in de door de FPR ontketende oorlog.
(fax nr. 259 van 12 november 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel en documenten SGR nr. 3650).
Dossier van 10 november 1993 van de Generale Staf aan de minister van Landsverdediging t.b.v. het beperkt ministercomité van 10 november 1993 (JSO-P 033578).
Dit dossier omvat :
1. Het verslag van de verkenningseenheid « Recce UNAMIR » van 2 november 1993, waarin onder punt 5 b. het volgende over de anti-Belgische sfeer wordt gesteld : « Il est fait état d'actions de mouvements extrémistes HUTU, notamment contre la participation de la BELGIQUE à I'UNAMIR (...). Ces mouvements disposent d'organes de presse et d'au moins une radio libre ».
In ditzelfde onderdeel van het verslag wordt verder nog het probleem aangegeven van het bestaan van geheime wapen- en munitieopslagplaatsen onder de bevolking, terwijl ook het punt wordt aangesneden van de andere buitenlandse troepen (Bangladeshi en Ghanezen) die naast de Belgische troepen zullen opereren. Het verslag meldt « impression défavorable laissée lors du briefing avec le Pers. Force H. Q. ».
2. Een telex van « Recce UNAMIR » van 9 november 1993 aan C Ops waarin expliciet wordt gesteld :
« nous attendons pour les cinq jours qui viennent des manifestations dirigées (...) contre la participation de la Belgique à l'UNAMIR ».
(document C Ops nr. 21634).
3. Een niet gedateerde nota, getiteld « Mémo justificatif d'un besoin opérationnel ». In de nota wordt onder punt 3 d. een omstandige verantwoording verstrekt voor de gevraagde troepensterkte. Een van de argumenten die tegen een eventuele vermindering van de gevraagde Belgische troepensterkte wordt naar voren gebracht, zijn de te verwachten « provocations de la part des mouvements extrémistes hutus ».
Telex nr. 1126 van 12 november 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel omvattende het verslag van het onderhoud van de Belgische ambassadeur met MDR-leider Jean Kambanda waarin deze de Belgische deelname verwelkomt, doch « Frankrijk als een « gestrafte » uit UNAMIR weren vindt hij een psychologische misrekening (...) » (punt 6).
Telex nr. 1128 van 12 november 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin het anti-belgicisme in detail beschreven wordt dat heerst binnen het CDR, de MRND en een vleugel van de MDR. Het belangrijkste nieuwe feit dat wordt aangevoerd is de weigering van de MRND om samen met de gematigde partijen een verklaring te ondertekenen waarin in een paragraaf een gunstig standpunt ingenomen wordt tegenover de Belgische participatie. « Radio meldde dat MRND zich uitgerekend wegens deze paragraaf gedistancieerd heeft van de verklaring en dus geweigerd heeft ze te ondertekenen » (punt 2).
De ambassadeur stelt verder : « het valt niet te ontkennen dat extremistische groeperingen zich weren tegen de belangrijke Belgische rol in het vredesproces. (...) anderzijds mogen wij ons niet laten intimideren (...) » (punt 5) en « voel mij genoodzaakt om een dringend onderhoud bij president Habyarimana aan te vragen (...) » (punt 6).
(idem documenten SGR nr. 913).
Telex nr. 1130 van 12 november 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel omvattende het verslag van het onderhoud van de Belgische ambassadeur met president Habyarimana omtrent de anti-Belgische animositeit. Habyarimana stelt gerust, dringt aan dat België niet van mening zou veranderen en preciseert zijn houding en deze van de MRND. « President is er van overtuigd dat MRND niet tegen Belgische participatie gekant is, maar wel, zoals hem (lees : hij), een meer gebalanceerde samenstelling verkiest » (punt 6).
Hij opteert daarbij voor een Franse deelname « ne fût-ce que symboliquement ». Verder deelt hij ook nog mee te « (...) begrijpen dat er nog enkele slechte herinneringen bestaan bij de gemiddelde Rwandees over het Belgisch beleid in het begin van het conflict. Het embargo op reeds betaalde munities is nog niet verteerd (...) » (punt 7).
In dezelfde telex echter wordt ook nog verslag uitgebracht van het onderhoud dat de ambassadeur had met de minister van Buitenlandse zaken Gasana (MDR) die het gehele UNAMIR-bataljon in Kigali met Belgische blauwhelmen bemand zou willen zien en meedeelt dat president Habyarimana in feite tegen UNAMIR is gekant en de ontplooiing ervan zo lang mogelijk wil tegenhouden.
Telex nr. 1133 van 15 november 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel i.v.m. de terugkeer op de Rwandese politieke scène van gewezen eerste minister Dr. Nsengiyaremye (MDR, aartsrivaal van zijn partijgenoot Twagiramungu die in de akkoorden van Arusha aangewezen wordt om de nooit geïnstalleerde overgangregering te gaan leiden). De ambassadeur maakt zich zorgen over het feit dat betrokkene een persconferentie zou geven in de lokalen van het Belgisch Parlement. Hij raadt aan dat dit ergens anders zou gebeuren « om nieuwe anti-Belgische krispaties in Rwanda te vermijden » (punt 7).
Telex nr. 1134 van 15 november 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarbij de Belgische ambassadeur gezien het trilateraal overleg in Washington van die dag nogmaals polst i.v.m. een mogelijke Franse participatie. « Kan een beperkte Franse participatie nog overwogen worden ? ». Hij wil geen dubbelzinnigheid zien bestaan in de Franse intenties « gezien vooral de delicate politieke context waarin UNAMIR wordt geïnstalleerd » (punt 1).
Telex nr. 1135 van 15 november 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel hoofdzakelijk gewijd aan het MRND-standpunt m.b.t. de Belgische deelname en aan het onderhoud terzake van de Belgische ambassadeur met MRND-voorzitter Ngirumpatse. « Ngirumpatse en zijn gewezen eenheids-partij MRND zijn niet gekant tegen Belgische deelname aan UNAMIR, ook niet tegen een substantiële betrokkenheid.(...) maar de Belgen mogen hier geen exclusieve verantwoordelijkheid dragen. Het is overigens in het belang van de Belgen dat zij niet alleen geëxposeerd worden in geval van incidenten ». De ambassadeur meldt in punt 5 dat hij Ngirumpatse heeft geantwoord dat dit standpunt overeenstemt met de benadering van de Belgische regering voor wie het om budgettaire redenen niet mogelijk is meer dan 300 à 350 militairen in te zetten « zodat in ieder geval minstens een ander land zal moeten mede-instaan voor de veiligheid te Kigali ».
Briefing van 18 november 1993 van SGR aan C Ops waarin een samenvatting wordt gegeven van de standpunten van de verschillende politieke partijen en van president Habyarimana t.a.v. de Belgische deelname aan UNAMIR. Die samenvatting steunt hoofdzakelijk op de hierboven aangehaalde telexen nrs. 1106, 1126, 1128, 1130 en 1135 van Ambabel Kigali.
Wat de MRND betreft, wordt herhaald dat zij zich verzet tegen een Belgische deelname omdat zij België ervan verdenkt niet neutraal en pro-FPR te zijn. De voornaamste reden die voor deze verdenking wordt aangehaald, is de weigering van België in oktober 1990 om munitie te leveren.
(documenten SGR nr. 7260).
Ook generaal Dallaire veroordeelt in zijn toespraak op 17 november 1993 bij de installatie van het UNAMIR-hoofdkwartier in Kigali, in aanwezigheid van president Habyarimana, de anti-Belgische houding van diverse politieke middens.
(telex nr. 1168 van 22 november 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel en documenten SGR nrs. 660 en 914).
Ten slotte verzendt de minister van Buitenlandse Zaken op 19 november 1993, dus de dag waarop de ministerraad de definitieve beslissing neemt om in het kader van UNAMIR Belgische troepen naar Rwanda te sturen, een telegram naar onze ambassadeur in Kigali, waaruit blijkt dat hij beseft dat het aanhoudend anti-belgicisme gevaar oplevert voor de Belgische blauwhelmen en dat moet worden behandeld om het anti-belgicisme te doen ophouden. « Je vous prie dès lors d'intervenir sans délai auprès des autorités (...) pour qu'elles fassent interdire tout discours provocateur des partis quels qu'ils soient. En ce qui nous concerne, cela est capital pour nos compatriotes casques bleus. »
(zie punt 4.3.)
4.2. Wat wisten de Belgische autoriteiten over het in Rwanda heersend anti-Belgisch klimaat in de periode na 19 november 1993 ?
Ook na 19 november 1993 houdt het anti-Belgisch klimaat aan. Overigens begint ook vanaf die dag de pers aandacht te besteden aan de vijandige sfeer die in Rwanda tegen de Belgische deelname aan UNAMIR leeft.
Driemaal komt het in Rwanda levend anti-belgicisme en de vijandigheid tegenover de Belgische troepen ter sprake in het Parlement.
Op 6 december 1993 stelt de heer Van Belle een schriftelijke vraag (nr. 441) aan de minister van Binnenlandse Zaken over de bewaking door de rijkswacht van de Belgische ambassades in Kigali en Bujumbura (een vraag die overigens slechts beantwoord wordt in februari 1995 zie Vragen en Antwoorden Senaat 28 februari 1995 blz. 7837).
Op 15 februari 1994 interpelleert de heer Van Peel de minister van Buitenlandse zaken in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. In zijn antwoord ontkent de minister niet dat er regelmatig anti-Belgische reacties opduiken.
(Handelingen Kamer van Volksvertegenwoordigers 15 februari 1994 C 50-18 e.v.)
Op 29 maart 1994 richten mevrouw Maes en de heer Van Belle in de Senaat hun interpellaties tot de minister van Landsverdediging over zijn uitspraken n.a.v. zijn reis naar Rwanda en de functie van de Belgische blauwhelmen in het democratiseringsproces van Rwanda.
(Handelingen Senaat 29 maart 1994 blz. 1761 e.v.)
Welke inlichtingen bevatten de door de ad hoc-groep onderzochte documenten terzake (waarbij in elk geval de aandacht moet gevestigd worden op het feit dat de verwijzingen naar de hiernavolgende stukken moeten gelezen worden in samenhang met de verwijzingen in punt 4.3., die meer in het bijzonder betrekking hebben op een specifieke bedreiging ten aanzien van UNAMIR en van de Belgische troepen die opereerden in het kader van UNAMIR) ?
Brief van 22 november 1993 uitgaande van functionarissen van de BNR (Nationale Bank van Rwanda) gericht aan de VN-secretaris-generaal Boutros-Ghali en gekant tegen de Belgische deelname aan UNAMIR.
« La Belgique est à la base de tous les malheurs qui y sévissent. »
(Documenten SGR nr. 612 en punt 3 van telex nr. 1128 van 12 november 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel).
Telex nr. 1180 van 25 november 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin verslag wordt uitgebracht over het onderhoud dat de ambassadeur op zijn vraag had met de minister van voorlichting Rucogaza betreffende de aanhoudende anti-Belgische berichtgeving zowel in de zogenaamde onafhankelijke, als in de officiële pers. De minister noemt zich de machteloze speelbal van een obscure minderheid die de Belgische UNAMIR-operatie negatief uitspeelt tegen de letter en de geest van de akkoorden van Arusha.
(Idem documenten SGR nr. 657.)
Info van 26 november 1993 van MTS-CTM aan SGR (kwalificatie A-1) waarbij een persartikel wordt overgezonden getiteld « Merci la France » en waarin gemeld wordt dat bepaalde Rwandese milieus gekant blijven tegen de Belgische aanwezigheid in het kader van UNAMIR. » « Cette opposition est, selon moi, restreinte » wordt er evenwel aan toegevoegd.
(Documenten SGR nr. 956.)
Telexen nrs. 1190, 1192 en 1196 van 26, 29 en 30 november 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin nieuwe anti-Belgische incidenten worden gemeld. Een vrachtwagen van het Belgische Rode Kruis loopt op een mijn. Twee missionarissen worden door het Rwandese leger (FAR) verontrust. Zij worden evenwel verder met rust gelaten « nadat bleek dat ze geen Belgen waren ». In het MRND-gezinde blad « Kamarampaka » wordt ongezouten kritiek op België geleverd. Het blad roept de Hutu's op « de s'opposer catégoriquement à ce que les Belges gardent la ville de Kigali ».
(Idem documenten SGR nr. 652.)
Na onderzoek door de Belgische blauwhelmen blijkt dat het incident met de vrachtwagen van het Rode Kruis geen ongeluk, maar een aanslag was. De mijn werd vanop afstand bediend en kwam tot ontploffing op een weg gecontroleerd door de Rwandese regeringstroepen.
(Notulen van de wekelijkse coördinatievergadering Buitenlandse Zaken Landsverdediging van 2 december 1993 punt 5.)
Briefing van 26 november van SGR aan C Ops waarin gemeld wordt : « de animositeit omtrent de (BE) deelname aan UNAMIR houdt aan ».
(Documenten SGR nr. 7265.)
Fax van 27 november 1993 van UNAMIR aan C Ops waarbij drie persartikelen worden toegezonden die getuigen van afkeer en vijandschap jegens de Belgische aanwezigheid in Rwanda in het kader van UNAMIR.
(Documenten SGR nrs. 590 en 917 en documenten C Ops nr. 23174).
Deze drie persartikelen die ook door het 1 Para aan C Ops werden toegezonden, werden door C Ops overgemaakt aan JSO, JSO-P/Ops, PP-MDN en SGR.
(Dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Not. nr. 01 00009.95 Kaft onderzoek C 1259).
Telegram van 30 november 1993 van de minister van Buitenlandse Zaken aan Ambabel Kigali waarin in punt 4 een volledige opsomming wordt gegeven van de anti-Belgische incidenten van de voorbije weken en maanden en waaruit blijkt dat de minister op de hoogte was van het heersend anti-belgicisme.
Telex nr. 1217 van 3 december 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin de ambassadeur nogmaals het anti-belgicisme aanklaagt, ditmaal bij Ruhigira, de kabinetschef van president Habyarimana. Deze sust en stelt gerust.
(Idem documenten SGR nr. 1413.)
Telex nr. 1229 van 8 december 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel omvattende het syntheserapport van de week van 29 november tot 5 december 1993. In punt 1.2. wordt eens te meer het heersende anti-belgicisme aangeklaagd waartegen de Rwandese autoriteiten weinig of niets doen, integendeel « de mon côté , je dois cependant déplorer que ni les dirigeants du MRND ni le président de la République ne tiennent publiquement des propos positifs et correctifs permettant de lever l'ambiguïté (et l'impression de double langage) et de rendre le climat plus serein dans le pays ».
Telex nr. 1231 van 8 december 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin de ambassadeur verslag uitbrengt van zijn onderhoud diezelfde dag met president Habyarimana. De ambassadeur vraagt « dat de president en andere autoriteiten geschikte gelegenheden zouden aanwenden om meer positieve en ondubbelzinnige geluiden te laten horen over de inspanningen van de internationale gemeenschap in het algemeen en van België in het bijzonder (bijv. UNAMIR- participatie) al ware het maar om tegengewicht te vormen in de lastercampagne tegen ons land ».
President Habyarimana belooft beterschap, hoewel hij zich geen illusies maakt over de haalbaarheid van het vredesproces. In fine vermeldt de ambassadeur ook nog zijn gesprekken met een aantal MRND-verantwoordelijken en heeft hij de indruk dat MRND zich moeite getroost om « op een beter blaadje te komen ».
Rapporten van 8, 14 en 29 december 1993 van UNAMIR aan SGR. Waar in het eerste verslag nog sprake is van « anti-Belgische sfeer nauwelijks te merken », bevestigt het laatste rapport het bestaan van een verontrustend anti-belgicisme. « Mensen vertellen ons dat zij geïntimideerd en bedreigd worden omdat zij pro-Belgisch zijn ».
(Documenten SGR nrs. 1316, 1317, 1319.)
Briefing van 10 december 1993 van SGR aan C Ops waarin gemeld wordt dat de oorsprong van het anti-belgicisme dient te worden gezocht bij ORINFOR (Office d'information du Rwanda) die o.m. instaat voor de uitzendingen van radio Rwanda.
(Documenten SGR nr. 7278.)
Briefing van 17 december 1993 van SGR aan C Ops meldt dat « les échos qui paraissent dans la presse belge ont tendance à exagérer ». Het anti-belgicisme situeert zich vooral in de prefecturen van Ruhengeri en Gisenyi.
(Documenten SGR nr. 7289.)
Telex nr. 1261 van 21 december 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin enerzijds bevestigd wordt dat de anti-Belgische opruiende taal sterk afneemt, doch anderzijds twee markante feiten worden aangehaald die zulks relativeren. Zo weigerde de Rwandese minister van Defensie op 2 december bij een plechtigheid georganiseerd door de MTS-CTM iets positiefs over de Belgische deelname aan UNAMIR te zeggen. « Ik maakte de minister hier opmerkzaam op maar ik kreeg een zeer ontwijkend antwoord ».
Op 16 december zendt de officiële radio meermaals een toespraak van president Habyarimana uit waarin de Fransen worden bewierookt als « les vrais, les vrais amis qui n'ont pas abandonné le Rwanda dans les moments les plus difficiles », termen die een nauwelijks verholen verwijt inhouden t.a.v. België. Bovendien, zo meldt de ambassadeur nog, bleef president Habyarimana ook weg op de opening van een tentoonstelling gewijd aan de Belgische coöperatie in Rwanda.
Briefing van 24 december 1993 van SGR aan C Ops waarin gemeld wordt « La réalisation de l'Ops « show the flag » des (BE) semble satisfaire l'ensemble de la population de Kigali. ».
(Documenten SGR nr. 7290.)
Info van 28 december 1993 van SGR (kwalificatie A) waarbij twee faxen met bijlagen van UNOMUR (UN-Observer Mission Uganda-Rwanda) aan generaal Dallaire zijn gevoegd. In deze faxen worden vier artikelen weergegeven zoals verschenen in de Oegandese pers. Het eerste draagt de titel « Belgian unwanted in Rwanda ». De politieke adviseur van UNOMUR voegt er in een commentaar aan toe dat hoewel zowel de Rwandese regering als het FPR akkoord gaan met de Belgische deelname « the article could also be viewed as a mirror of the environment in wich UNAMIR would be operating ».
(Documenten SGR nr. 1243 e.v.)
Briefing van 29 december 1993 van UNAMIR aan C Ops waarbij naar aanleiding van het uitvoeren van de operatie « Clean Corridor » (de begeleiding naar Kigali door de Belgische UNAMIR-troepen van een FPR-bataljon, dit in uitvoering van de Arusha-akkoorden) de stemming anti-Belgisch wordt genoemd.
(Documenten SGR nr. 1316.)
Telex nr. 64 van 23 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin gemeld wordt dat president Habyarimana in een radiointerview nogmaals zijn dank aan en zijn lof voor de Fransen herhaalde, maar weer geen woord zei over de Belgische participatie aan UNAMIR.
Telex nr. 70 van 25 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel omvattende het verslag van een onderhoud van de ambassadeur met Murego, de secretaris van het MDR over de anti-Belgische animositeit bij president Habyarimana en het MRND.
(Nadere specificaties in punt 4.3.)
C Ops-verslag van 26 januari en 1 februari 1994 en SITREP's van 25, 26 en 31 januari 1994 van UNAMIR aan C Ops waarbij toenemende aanslagen tegen UNAMIR in het algemeen en KIBAT, zijnde de Belgische blauwhelmen in het bijzonder worden vermeld.
(Documenten SGR nrs. 1530, 1586 en 1594 en documenten C Ops nrs. 1373 en 1759.)
(Nadere specificaties in punt 4.3.)
Briefing van 28 januari 1994 van SGR aan C Ops waarin melding wordt gemaakt van een herneming van de anti-Belgische uitzendingen op RTLM, « qui prend un malin plaisir à diffuser de fausses Info, ou à insister lourdement sur les incidents réels impliquant des Mil (BE).(..) On peut conclure que la campagne d'intoxication anti-belge est à nouveau en pleine recrudescence ».
(Documenten SGR nr. 7338.)
Rapport van 31 januari 1994 van UNAMIR aan SGR waarin de voortdurende anti-Belgische beïnvloeding wordt aangeklaagd. « Er is een ernstig gevaar van opzettelijke intoxicatie. De post wordt druk beluisterd (..) ». Over de eigen inspanningen met het oog op een evenwichtiger voorlichting aan de bevolking over UNAMIR, wordt gesteld: « Het resultaat ervan schijnt maar klein te zijn ».
(Documenten SGR nr. 1715.)
Telexen nrs. 86, 90 en 91 respectievelijk van 31 januari en 1 februari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarbij een reeks incidenten waarin Belgische blauwhelmen betrokken zijn en een aantal uitzendingen op RTLM worden gemeld die wijzen op een verder toenemend anti-belgicisme.
(Nadere specificaties in punten 4.3. en 4.4.)
Rapport van 1 februari 1994 van Lt. Nees aan Comd KIBAT waarin melding wordt gemaakt van een betoging, verscheidene uitzendingen op RTLM en enkele andere incidenten waarmee de Rwandese bevolking tegen de Belgen worden opgehitst.
(Dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Kaft onderzoek C Not. nr. 01 00009.95 906 en 907).
Telex nr. 92 van 3 februari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin nauwgezet verslag wordt uitgebracht over een incident met enkele Belgische blauwhelmen bij het huis van J. B. Barayagwiza (zie voor nadere specificaties in punt 4.5.1.) en waarin wordt gemeld dat RTLM aanzet tot het plunderen van Belgische eigendommen (punt 6) en dat in een betoging opnieuw anti-Belgische slogans werden gescandeerd (punt 7).
Info van 10 februari 1994 van SGR (kwalificatie B-2) waarbij na een verblijf in Kigali wordt gemeld, « According to the Belgians of the CTM, black people are still very nervous and hostile against white people and especially Belgians, and the situation remains dangerous. »
(Documenten SGR nr. 2475.)
Info van 11 februari 1994 van SGR (kwalificatie B-3) waarbij melding wordt gemaakt van de impressies van informanten op doortocht in Kigali. Zij zijn getroffen door het gestook tegen de Belgen door RTLM « qui tape sans cesse sur les Belges » te midden van een toestand van veralgemeende onveiligheid, waarbij het krioelt van militairen en wapens en munitie kwistig worden uitgedeeld.
(Documenten SGR nr. 2473.)
Telex van 17 februari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin verslag wordt uitgebracht over de informele ontmoeting die de ambassadeur had met president Habyarimana in aanwezigheid van o.m. de Rwandese minister van Defensie, kolonel Sagatwa, kolonel Marchal, luitenant-kolonel Leroy en kolonel Vincent van de MTS-CTM. De ambassadeur raakt daarbij de vele anti-Belgische incidenten aan die van Rwandese zijde worden uitgelokt om UNAMIR te discrediteren. Habyarimana beloofde de nodige inspanningen te zullen leveren (idem documenten SGR nr. 2614 e.v.).
Van deze vergadering wordt door MTS-CTM rechtstreeks verslag uitgebracht ten behoeve van de SGR, evenwel in meer geruststellende termen.
(Documenten SGR nr. 2591 e.v.)
Telex nr. 205 van 14 maart 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin n.a.v. de aanval op gewezen eerste minister Dr. Nsengiyaremye (MDR) de vaststelling wordt gemaakt dat de aanslagen steeds gericht zijn tegen het politiek centrum en voornamelijk tegen politici met een sympathie voor België (Gabyisi, Gatabazi, Nsengiyaremye, Nkubito). Overigens is het reeds de tweede maal dat zulks gebeurt op het einde van een Belgisch ministerieel bezoek (hiermee wordt het bezoek van minister van Landsverdediging, Leo Delcroix bedoeld, terwijl met de eerste maal wordt verwezen naar de moord op PSD-secretaris-generaal Gatabazi die plaatsgreep op 22 februari 1994 toen minister van Buitenlandse zaken Willy Claes in Rwanda op bezoek was).
(Idem documenten SGR nr. 3317.)
Telex nr. 243 van 23 maart 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel omvattende verslag van een nieuw anti-Belgisch editoraal op RTLM van 21 maart 1994.
(Idem documenten SGR nr. 3352.)
Briefing van 23 maart 1994 van SGR aan C Ops waarin eveneens een nieuwe anti-Belgische uitzending op RTLM wordt gemeld die moet beschouwd worden als het antwoord op de voor de Rwandese president weinig lovende artikelen van Colette Braeckman en Marie-France Cros.
(Documenten SGR nr. 7402 e. v.)
Info van 24 maart 1994 van SGR (kwalificatie B-2) waarbij melding wordt gemaakt van een uitzending op RTLM gericht tegen de Belgische ambassadeur. De Belgische ambassadeur zou samen met zijn collega van Tanzanië en de nuntius een staatsgreep hebben gepland.
(Documenten SGR nr. 3201.)
Telex nr. 256 van 29 maart 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel omvattende verslag van de franstalige uitzendingen op RTLM van 28 maart 1994. De telex meldt nieuwe aanvallen op de Belgen n.a.v. het Belgisch voornemen een aantal wijzigingen aan te brengen in de geleverde ontwikkelingshulp. België wordt er van beschuldigd Rwanda te chanteren.
(Idem documenten SGR nr. 3333.)
Rapport van 29 maart 1994 van majoor Podevijn aan generaal Dallaire met kopij aan SGR waarbij in punt dat « Belgians are particularly harassed by RGF and gendarmerie (...) ».
(Documenten SGR nr. 3227.)
Telex nr. 266 van 31 maart 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel die meldt dat de jongste editorialen op RTLM bijzonderlijk lasterlijk zijn voor België. Ook de aanvallen tegen UNAMIR, Dallaire en bepaalde Rwandese politieke kopstukken zijn legio.
(Idem documenten SGR nr. 3328.)
Tenslotte is er de mededeling van 7 april 1994 van het Comité de crise de la Communauté Rwandaise de Belgique waarin wordt medegedeeld dat Belgische blauwhelmen op 6 april de aanslag pleegden op het presidentiële vliegtuig. « En effet, selon des sources militaires des casques bleus non-belges de la Minuar, il est confirmé que les obus qui ont abattu l'avion présidentiel provenaient du site occupé par les militaires belges de la Minuar ». De mededeling vraagt verder « le retrait immédiat des troupes belges de la Minuar (..). »
(Documenten SGR nr. 3670 e.v.)
4.3. Waren de Belgische autoriteiten op de hoogte van een specifieke bedreiging tegen UNAMIR in het algemeen en de aanwezigheid van Belgische troepen in het kader van de UNAMIR-operatie in het bijzonder ?
Naast de documenten die hierboven reeds onder punten 4.1 en 4.2 werden aangehaald, met als voornaamste die waarin gewezen wordt op de gevaren en de mogelijke provocaties tegen de Belgische UNAMIR-troepen, zoals dit o.m. het geval is in de telex die de minister van Buitenlandse Zaken op 19 november 1993 aan de ambassade in Kigali toezond, vond de ad-hocgroep in de onderzochte stukken een aantal concrete aanwijzingen voor het bestaan van een specifieke bedreiging tegen UNAMIR in het algemeen en tegen de Belgische blauwhelmen in het bijzonder. Benevens die specifieke bedreiging waren UNAMIR en de Belgische UNAMIR-troepen, hoewel zij in het kader van een operatie « peace keeping » en niet « peace making » naar Rwanda waren gezonden, vrij vlug na hun aankomst ook het mikpunt van allerlei aanvallen en aanslagen.
Hierna volgen, zoals ze in de geraadpleegde documenten werden vermeld en terug te vinden zijn, enkele van de incidenten waarbij UNAMIR en de Belgische blauwhelmen betrokken waren of geviseerd werden. De eerste briefing van 23 november 1993, onmiddellijk na de ontplooiing van de Belgische blauwhelmen is nog geruststellend. Er worden geen vijandige reacties gemeld (zie briefing van 23 november 1993 van SGR aan C Ops documenten SGR 7263). Daarna volgt een reeks incidenten die hoofdzakelijk geconcentreerd zijn in drie periodes (eind januari, eind februari, begin april).
Telex nr. 1219 van 3 december 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin wordt gemeld dat op 2 december een patrouille van UNAMIR in het noorden van Rwanda werd aangevallen en beschoten.
(idem documenten SGR nr. 1412).
SITREP van 29 december 1993 van UNAMIR aan C Ops waarin melding wordt gemaakt van een demonstratie tegen UNAMIR voor de VS-residentie te Kigali op 28 december 1993.
(documenten SGR nr. 1092 en documenten C Ops nr. 25596).
C Opsverslagen van 26 januari 1994 en SITREP's van 25 januari 1994 van UNAMIR aan C Ops waarbij een aanslag op Belgische UNAMIR-troepen wordt gemeld. Zo werden namelijk op 24 januari schoten gelost op de Belgische blauwhelmen die het huis van de speciale VN-vertegenwoordiger Booh Booh bewaakten.
(documenten SGR nr. 1530 en documenten C Ops nrs. 1759).
C Opsverslagen van 27 januari en 1 februari 1994 en SITREP's van 26 en 31 januari 1994 van UNAMIR aan C Ops waarbij nieuwe aanslagen op UNAMIR in het algemeen en Belgische UNAMIR-troepen in het bijzonder worden gemeld: op 26 januari schoten op een patrouille van Belgische blauwhelmen in Kigali, op 30 januari granaataanval tegen sector HQ van UNAMIR te Kigali.
(documenten SGR nrs. 1586, 1594, 1873 en 1979 en documenten C Ops nr. 1759).
C Opsverslag van 23 februari 1994 en SITREP's van 22 en 23 februari 1994 van KIBAT aan C Ops waarin een explosieve situatie in Kigali wordt gemeld, alsmede nieuwe aanslagen en incidenten waarbij UNAMIR in het algemeen en Belgische UNAMIR-troepen in het bijzonder het mikpunt zijn. Op 20 februari dienen Belgische blauwhelmen zich te ontzetten door het afvuren van 63 schoten in de lucht tegenover een agressieve menigte die met stenen gooit; op 21 februari stelt men een nieuwe agressieve houding bij de bevolking tegenover de UNAMIR-troepen vast; op 22 februari wordt er een escorte van Belgische blauwhelmen die FPR-militairen begeleiden aangevallen, waarbij een dode valt, namelijk een FPR-soldaat en een gewonde, een UNOMUR-waarnemer; eveneens op 22 februari wordt rood alarm afgekondigd waarbij bijzondere veiligheidsmaatregelen rond de kantonnementen van kracht worden.
(documenten SGR nrs. 2236, 2241, 2358 en 2501 en C Ops niet genummerd).
Deze gebeurtenissen worden ook bevestigd in een Intrep van 22 februari van MTS-CTM aan SGR en JSO. Er wordt in dit stuk ook gemeld dat bij wijze van voorzorgsmaatregel de Belgische school in de ochtend werd gesloten.
(documenten SGR nr. 2579).
SITREP van 24 februari 1994 van UNAMIR aan SGR waarin gemeld wordt dat er op 23 februari bij Gikondo n.a.v. een escorte een vuurgevecht uitbrak tussen Belgische troepen en gewapende burgers.
(documenten SGR nr. 2380).
SITREP van 28 februari 1994 van UNAMIR aan C Ops en SGR waarin melding wordt gemaakt van een granaatinslag tussen het parlementsgebouw en de Force HQ.
(documenten SGR nr. 3088).
Voor wat het bestaan van een specifieke bedreiging aangaat tegen UNAMIR en de Belgische UNAMIR-troepen vond de ad-hocgroep volgende aanwijzingen in de onderzochte documenten.
Rapport van 6 december 1993 van KIBAT aan generaal Dallaire met kopij aan C Ops waarin melding wordt gemaakt van een incident op 5 december waarbij twee Rwandezen, waarvan er één bekend staat als een terrorist-bommen legger, pogen binnen te dringen in het Lycée Notre Dame de Citeaux te Kigali, één van de vermeende kantonnementen van de Belgische blauwhelmen. Na onderzoek blijkt dat « (...) ils sont pris sous contrat pour faire des attentats sur des installations militaires ONU, spécifiquement militaires belges » . Dit incident werd ook opgenomen in de dagelijkse SITREP en in het C Opsverslag van 7 december 1993.
(documenten SGR nr. 1075 en documenten C Ops nr. 2395 en 23923).
C Opsverslag van 6 december 1993 waarbij op grond van de SITREP van 4 december van Comd KIBAT aan C Ops gemeld wordt « Comd Bn se pose des questions quant à la sécurité de ses Tp durant les missions d'escorte. ».
(documenten C Ops nr. 23869).
SITREP van 19 december 1993 van UNAMIR aan C Ops waaraan vertalingen zijn gevoegd van artikelen verschenen in het tijdschrift « Le Flambeau » en het tijdschrift « Kiberinka » van respectievelijk 6 december en 17 december 1993 waarin melding wordt gemaakt van een vergadering die op 21 november 1993 zou gehouden zijn op de Generale Staf van het Rwandese leger. « Le but était de dire aux officiers la nécessité de convaincre les troupes pour qu'ils combattent les Inkotanyi et les Belges ».
(documenten SGR nr.1130, 1134 en 1171 en documenten C Ops nr. 24919).
C Ops maakte deze documenten ook over aan JSO-P/Ops, JSO-P, PP-MDN, Bde Para-Commando, 1 Para en SGR.
(dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Not. nr. 01 00009.95 Kaft onderzoek C 1259).
Info van 31 december 1993 van SGR (kwalificatie B) waarin de vijandige houding tegenover de Belgische troepen wordt aangestipt bij een groot deel van de Rwandese bevolking. « La population indigène proche du président n'apprécie pas le départ des Français et l'arrivée des troupes de l'ONU (...). Des tracts ont d'ailleurs été distribués au moment de l'arrivée des troupes belges stigmatisant le fait que les Belges sont plutôt favorables au FPR (...) ».
(documenten SGR nr. 1232)
Telex nr. 32 van 13 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin melding wordt gemaakt van een plan om Belgische blauwhelmen te doden of te verwonden. De telex bevat het verslag van een belangrijk onderhoud dat van de speciale VN-vertegenwoordiger Booh Booh en generaal Dallaire met de ambassadeurs van de VS en België in aanwezigheid van de Franse zaakgelastigde.
Booh Booh had de ambassadeurs dringend bij zich geroepen omdat hij vanwege het VN-hoofdkwartier in New-York opdracht had gekregen voor een onmiddellijke audiëntie bij president Habyarimana. Booh Booh verzoekt de drie ambassadeurs hetzelfde te doen.
Een informant, die een vooraanstaande Interahamweleider en gewezen medewerker van de veiligheidsdiensten van de president is en die de opleiding van de MRND-jeugdmilities verzorgt en in nauw contact staat met de stafchef van de FAR, onthulde tegenover UNAMIR het bestaan van geheime wapenopslagplaatsen onder de bevolking, van paramilitaire opleidingen onder jongeren, van de aanwezigheid van rijkswachters in burgerkledij in de door de Interahamwe georganiseerde betogingen, van gebruik door de Interahamwe van communicatie-materiaal toebehorend aan het leger en van een plan « om Belgische militairen te doden of te verwonden om alzo de terugtrekking van het Belgisch detachement of zelfs van UNAMIR af te dwingen ». De ambassadeur stelt in zijn bericht aan Brussel dat « deze informatie bevestigt wat reeds eerder werd vernomen of vermoed » en dat dit alles niet gewoonweg kan « geïgnoreerd » worden. Hij vraagt instructies.
(idem documenten SGR nr. 1958).
De ad-hocgroep merkt op dat de informatie die Booh Booh en generaal Dallaire aan de ambassadeurs hier meedelen in feite de weergave is van de inlichtingen die door een zekere « Jean-Pierre » op 10 januari 1994 aan UNAMIR werden medegedeeld en die op 11 januari 1994 door generaal Dallaire aan het VN-hoofdkwartier van New-York werden overgezonden. De tekst van de betrokken telex werd getijpt door capt-cdt Claeys die ten tijde van de UNAMIR-operatie G2 was op QG Force te Kigali.
Ter informatie van de leden van de commissie wordt een kopie van deze telex, waarvan zich een afschrift in het dossier van het auditoraat-generaal bevindt, als bijlage gevoegd (bijlage 4).
Hoewel de ad-hocgroep in de onderzochte documenten de juiste identiteit kon terugvinden van « Jean-Pierre », werd zijn naam niet opgenomen in onderhavig rapport om de persoonlijke veiligheid van betrokkene en van zijn familieleden, voor zover die nog in leven mochten zijn, niet in gevaar te brengen.
Briefing van 14 januari 1994 van SGR aan C Ops waarbij in punt 3 gemeld wordt dat de speciale VN-vertegenwoordiger om een dringend onderhoud heeft verzocht bij president Habyarimana. « Des présomptions de mieux en mieux établies existent en effet au sujet de liens et/ou d'appuis secrets aux INTERAHAMWE de la part de hauts gradés des FAR ou de la GdN. Cette démarche des autorités de l'ONU se fonde sur leurs craintes que les INTERAHAMWE, dans leur stratégie de déstabilisation, ne commencent à s'en prendre à du Pers de l'UNAMIR (le Det (BE) pourrait être une cible privilégiée d'actes d'intimidation). »
(documenten SGR nr. 7298).
Telex nr. 41 van 14 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel omvattende het verslag van het onderhoud dat een zevenkoppige diplomatieke delegatie, waaronder de Belgische ambassadeur, die dag had met president Habyarimana. Dit onderhoud was reeds enige tijd gepland en kaderde in een actie t.a.v. alle bij de akkoorden van Arusha betrokken partijen om hun bezwaren tegen de installatie van de overgangsregering te temperen.
Blijkens punt 6 wordt de bedreiging die op de Belgische blauwhelmen weegt niet of in elk geval slechts in heel onrechtstreekse bewoordingen aangekaart. »Onze boodschap i.v.m. de veiligheid werd herhaaldelijk en sterk benadrukt. (...) De angst voedt het wederzijds wantrouwen en hindert de politieke dialoog. Daarom moet prioritaire aandacht gaan naar het veiligheidsprobleem ».
Wat derhalve opvalt is dat telex nr. 41 geen melding maakt van het plan om Belgische blauwhelmen te doden of te verwonden zoals vermeld in telex nr. 32. De ambassadeur vervolgt zijn verslag van die dag met de vraag of een specifieke demarche bij de president over de informatie vervat in zijn telex nr. 32 nog wel nodig is. Ook hier wordt met geen woord gerept over het plan gericht tegen de Belgische blauwhelmen. « Gezien de sterke nadruk die op de veiligheidsaspecten werd gelegd (m.i.v. de activiteiten der Interahamwe en wapenverdelingen) rijst de vraag of een specifieke demarche temeer daar Habyarimana begrip bleek te tonen ». « Parijs reageerde restrictief » t.a.v. een speciale demarche, wordt er nog aan toegevoegd.
Telex nr. 44 van 15 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin wordt gemeld dat de trilaterale ambassadeursgroep besluit geen bijkomende demarche bij de president te ondernemen. Men gaat de informatie zoals weergegeven in telex nr. 32 wel « zeer aandachtig blijven volgen ».
Telex nr. 45 van 15 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin bijkomende inlichtingen worden doorgezonden omtrent telex nr. 32, zoals die verkregen werden vanwege de speciale VN-vertegenwoordiger Booh Booh, generaal Dallaire en kolonel Marchal. De telex betreft uitsluitend het probleem van de geheime wapenopslagplaatsen, de mogelijke ontmanteling van deze opslagplaatsen, de richtlijnen terzake van het VN-hoofdkwartier in New-York en het geven van een bescherming aan de betrokken informant (zie verder punten 4.5.2. en 4.6.). Het plan dat erin zou bestaan Belgische blauwhelmen te doden of te verwonden komt niet ter sprake.
Overigens merkt de ad hoc-groep op, dat dit evenmin het geval is voor de telexen die door Minafet Brussel in die periode aan Ambabel Kigali werden gericht. In de bewuste periode werd er één telex aan Kigali verzonden, namelijk op 13 januari 1994 (telex waarbij in een reactie op telex nr. 32 aan de ambassadeur de toelating werd verleend om samen met zijn collega's van Frankrijk en de VS een demarche te ondernemen bij de Rwandese president).
Rapport van 15 januari 1994 van kolonel Marchal aan C Ops waarbij in punt 5 gesteld wordt « Ce point est secret et a été transmis via le STU II en SECURE. Je demande une réponse rapide à ce point ». De inhoud van dit punt werd overgezonden langs een gecrypteerde telefoon. Kolonel Marchal vraagt hierbij naar nadere richtlijnen in geval van ernstige gebeurtenissen en een noodzakelijke evacuatie. « Ben ik verplicht de VN bevelen te volgen of moet ik een Belgisch standpunt innemen en verder landgenoten evacueren ? (onder Belgische muts i.p.v. blauwe). Ik vraag dringend antwoord. Situatie kan basculeren. Duidelijke richtlijnen ! ».
Hierover meer dan een jaar na de feiten op 23 november 1995 door de gerechtelijke politie bij het Militair Gerechtshof ondervraagd, verklaarde kolonel Marchal dat hij deze vraag samen met een vraag tot versterking van de munitie aan C Ops richtte als reactie op de gewelddadige manifestatie te Kigali van extreme Hutu's op 8 januari 1994 en de inlichtingen die hij hierover achteraf op 10 januari van een informant « Jean-Pierre » heeft bekomen. Die inlichtingen betroffen niet zozeer het bestaan van een plan, wel het feit dat er voor de manifestatie van 8 januari « des directives avaient été données concernant l'infiltration d'armes parmi les manifestants ainsi que des directives en vue de blesser ou de tuer des militaires belges en vue de provoquer leur retrait de la MINUAR, si des militaires belges intervenaient d'une manière trop engagée lors de la manifestation. ».
Op zijn vraag die hij midden maart bij gebrek aan enige reactie ook voorlegde bij de Belgische ambassadeur te Kigali, zo stelt kolonel Marchal, kwam nooit een antwoord. Wel bevat het dossier van het auditoraat-generaal een kopij van een kort bericht van 15 januari 1994 van C Ops aan Comd Sector Kigali waarin wordt gesteld dat ingevolge een bepaling van het rapport van de VN-secretaris-generaal van 24 september 1993 het mandaat niet beperkt is tot de veiligheid van het VN-personeel, maar ook betrekking heeft op het beschermen van de internationale gemeenschap.
(dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Kaft onderzoek C Not. nr. 01 00009.95 1146 e.v. en 1228 en 1229).
EEI-nota van 17 januari 1994 waarbij ingevolge de hierboven aangehaalde briefing van 14 januari 1994 door de Generale Staf binnen SGR « essentiële elementen van informatie » worden opgevraagd over de dreiging die op de Belgische blauwhelmen weegt uitgaande van de Interahamwe. De EEI-nota wordt verantwoord door het feit dat « des craintes sont manifestées par les autorités de l'ONU, les diplomates en poste et le Comd Sect Kigali sur leur plan de s'en prendre à l'UNAMIR et plus spécialement à sa composante Belge ». Negen specifieke vragen worden gesteld, gericht aan andere diensten binnen SGR.
(documenten SGR nr. 1600).
Telex nr. 63 van 20 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin verslag wordt uitgebracht dat het hoofd van de MTS-CTM achtereenvolgens had met de stafchefs van de Rwandese rijkswacht en van het leger.
De stafchef van de rijkswacht minimaliseert het probleem van de veiligheid van UNAMIR. « Insiste sur le caractère marginal de cette action antibelge ». « Les milices armées Interahamwe sont, selon lui, peu crédibles(...). » Ook de stafchef van het Rwandese leger vindt het gevaar voor UNAMIR miniem. De contacten met UNAMIR en de Belgische troepen zijn « excellents », maar in tegenstelling tot zijn collega van de rijkswacht vindt hij dat de milities wel degelijk een gevaar vormen. Twee maanden later evenwel zal de stafchef van het Rwandese leger, generaal Nsabimana, de MTS-CTM uitdrukkelijk waarschuwen voor mogelijke terreuracties tegen buitenlandse doelwitten. Telex nr. 235 van 22 maart 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel meldt dat de stafchef van het Rwandese leger aan kolonel Vincent van de MTS-CTM zijn bezorgdheid uitdrukte over « mogelijke terreuracties tegen buitenlandse doelwitten, vnl. diplomatieke ».
(idem documenten SGR nrs. 3201 en 3359).
Telegram van 20 januari 1994 van DelbelUNO aan Minafet Brussel omvattende het verslag van het onderhoud dat hij had met Riza, de adjunct van Annan, de vice-secretaris-generaal van de VN, verantwoordelijk voor de vredesoperaties. « Ik heb hem de ongerustheid van de Belgische regering uitgedrukt over de toestand in Rwanda en meer bepaald over de veiligheid van de Belgische troepen aldaar, (...). »
Fax van 22 januari 1994 van kolonel Marchal aan C Ops waarbij een brief wordt doorgezonden die door de Interahamwe was gericht aan de speciale VN-vertegenwoordiger Booh Booh met virulente aanvallen tegen de Belgische UNAMIR-troepen.
(documenten SGR nr. 1877 en documenten C Ops nr. 1169).
Telex nr. 70 van 25 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin de ambassadeur verslag uitbrengt over een onderhoud met MDR-secretaris Murego van de dag voordien. Murego staat bekend als een extreme Hutu die ook tegenstander is van de Arusha-akkoorden. « De president en de MRND zijn de grond van onze problemen. Zij wakkeren de haatgevoelens tegen de Belgen aan. » Hij noemt de namen van Kabuga (geldschieter van de MRND), Ngirumpatse (voorzitter van de MRND) en Nahimana (voorgedragen als minister van Hoger Onderwijs in de nog te installeren overgangsregering). Meer nog, hij voorziet dat de Interahamwe een burgeroorlog zullen ontketenen « en ze de anti-Belgische animositeit zullen uitspelen ». Hij vermeldt ook dat onder de bevolking verteld wordt dat de Belgen de opdracht hebben gekregen het FPR aan de macht te brengen en dat de Bangladeshi het daar niet mee eens zijn.
Rapport van 27 januari 1994 van lt. Nees aan Comd KIBAT waarin gemeld wordt dat er op RTLM in het kinyarwanda volgende boodschap is uitgezonden. « Met behulp van Belgische troepen hebben Tutsi's andermaal Hutu's omgebracht. Tot wat dient de aanwezigheid van de Belgen in onze hoofdstad behalve om de Inkontanyi aan de macht te helpen ? Kol. Marchal wordt dikwijls in de aanwezigheid van Landuals Ndasingwa gesignaleerd, wat hebben ze mekaar te vertellen behalve te comploteren tegen de Hutu's ? We weten dat er onder de Belgische troepen van de MINUAR moordenaars zitten, bandieten en dieven die zich ophielden in de straten van Brussel. (...) Dat ze inpakken, zij hebben niets te zoeken in Rwanda. MINUAR zit vol dubieuze personen en zeker onder de Belgen. Wij vragen aan de bevolking haar verantwoordelijkheid op te nemen zoniet zal Rwanda door de Belgen aan de Tutsi's geschonken worden. »
Het rapport meldt tevens dat er in de zetel van de MRND een vergadering plaatsgrijpt van het directiecomité van de partij in aanwezigheid van Kajuga de voorzitter van de Interahamwe. De beslissingen zijn hem evenwel nog niet bekend.
(dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Kaft onderzoek C Not. nr. 01 00009.95 904 en 905).
Rapport van 30 januari 1994 van lt. Nees aan Comd KIBAT waarin in punt 2 de uitkomst van de vergadering wordt gemeld die zoals aangekondigd in zijn vorig rapport plaatsvond op de zetel van de MRND. Op deze vergadering van woensdag 26 januari van de politieke leiders van de MRND en de Interahamwe werden aan de leiders van de Interahamwe instructies gegeven met het oog op hun optreden tegen de Belgische blauwhelmen. « Er werd hun opgelegd niet te luisteren naar bevelen van Belgische militairen. Wanneer zij in confrontatie komen met Belgen, zo vlug en zoveel mogelijk Intarahamwemensen uit de buurt optrommelen. Steeds ervoor zorgen dat zij getuigen bij de bevolking hebben. In de wijken waar de Belgen op sympathie van de bevolking kunnen rekenen, zich tijdig na verzet echter, terugtrekken. De Belgische militairen in een toestand van collectieve psychose brengen door gebruik van simulatiemiddelen. ».
(documenten SGR nr. 2229).
Dit rapport werd via de SITREP van 1 februari 1994 ook toegezonden aan C Ops, die het op zijn beurt heeft overgemaakt aan JSO-P/Ops, JSO-P, PP-MDN en aan SGR.
(dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Not. nr. 01 00009.95 Kaft onderzoek C 1259).
Telex nr. 86 van 31 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarbij melding wordt gemaakt van een verontrustend bericht op RTLM : « het ogenblik is gekomen Belgische doelwitten te viseren ».
Telex nr. 91 van 1 februari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarbij o.m. wordt gemeld dat RTLM het bericht de wereld instuurt al zouden Belgische militairen deel uitmaken van de moordescaders van de FPR.
Complément d'information van 2 februari 1994 van SGR aan verschillende bestemmelingen waarin in antwoord op de hierboven aangehaalde EEI-nota van 17 januari 1994 een studie wordt uitgevoerd over de Interahamwe, hun werking, hun handlangers, hun banden met de Rwandese autoriteiten, hun trainingskampen e.d.m. In punt 1 c. wordt gemeld : « Le problème de ces milices, mais plus encore de leur stratégie déstabilisatrice, s'est révélé assez important dans la menace qu'elle représente pour la mission de l'UNAMIR et pour la sécurité de son Pers. (...). Un des buts poursuivis par ces milices serait de viser en particulier les Mil (BE) participant à la mission UNAMIR, afin de provoquer le retrait du Det (BE), qui est considéré comme l'élément le plus fort de l'UNAMIR. »
(documenten SGR nr. 7340 e.v.)
Fax van 6 februari 1994 van Comd KIBAT aan C Ops met melding dat aan de Comd Sector Kigali werd gevraagd de checkpoints op te schorten wegens het groot aantal incidenten met voornamelijk hogere officieren van het Rwandese leger, waardoor de veiligheid van de Belgische blauwhelmen niet meer gewaarborgd is.
(documenten SGR nr. 2190).
Nota van 6 februari 1994 van Comd Sector Kigali aan Comd KIBAT met kopij aan C Ops waarin hij meedeelt dat de checkpoints worden gestopt omdat hij tot de vaststelling is gekomen dat het groot aantal incidenten bij die operaties niet het gevolg is van het gedrag van de Belgische blauwhelmen, « but the result of a (...) will to seek incident with Belgian militaries (...) » (documenten SGR nr. 2184). In een afzonderlijk bericht aan C Ops bevestigt kolonel Marchal dat hij de checkpoints opschortte omdat « me fait craindre une volonté délibérée de déclencher des incidents avec les militaires du Det BE. ».
(documenten SGR nr. 2571).
Rapport van 7 februari 1994 van lt. Nees aan Comd Sector Kigali met kopij aan Comd KIBAT waarin gemeld wordt dat het anti-belgicisme niet moet gezien worden als een reactie op het gedrag van de Belgische blauwhelmen, maar als een bewuste campagne die door een bepaalde politieke strekking wordt gevoerd (punt 1). Telkens als er incidenten zijn bij de checkpoints gaat het om hooggeplaatste Rwandesen die vaak behoren tot de zogenaamde « Réseau Zéro » (punt 2). Om beter te begrijpen wat er aan de hand is, verwijst het rapport (punt 3) naar een brief van 8 januari 1994 van een informant, waarin de besluiten weergegeven worden van een vergadering van de Interahamwe gehouden in de MRND-zetel te Kimihurura vier dagen nadat de Belgische blauwhelmen begonnen zijn met het in beslag nemen van wapens, munitie e.d.m.
Onder leiding van Ngirumpatse, de voorzitter van het MRND en in aanwezigheid van onder meer de minister van Defensie, de stafchef van het Rwandese leger en van de rijkswacht wordt overeengekomen welke de « riposte » is die tegen de Belgische militairen zal gegeven worden.
(documenten SGR nr. 2171 en 2173).
« Ne jamais accepter de remettre son ou ses arme(s) sans ou avec l'autorisation de port d'arme (...).
Des officiers du FAR (MRND) seront choisis auprès de qui (à leur domicile) les armes lourdes et des munitions seront stockés, ainsi donc au moment venu, les propriétaires pourront aller les chercher là bas.
Changer tout les endroits de cache d'armes connus jusqu'ici.
Sensibiliser les Interahamwe de la nécessité absolue de se défendre au cas où les militaires Belges (MINUAR) viendraient confisquer les armes auprès d'un des membres du MRND et au besoin, leur apprendre la guerre de pierres (Intifada).
Rendre inopérante la collaboration entre: a) les gendarmes choisis pour aider la MINUAR et celle ci, b) les populations civiles et les militaires Belges et la MINUAR ».
Dit rapport werd door de Comd KIBAT met de dagelijkse SITREP toegezonden aan C Ops, die het op zijn beurt heeft overgemaakt aan JSO-P/Ops, PP-MDN, Bde Para-Cdo en SGR.
(dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Not. nr. 01 00009.95 Kaft onderzoek C 1258).
SITREP van 21 februari 1994 van Comd 13 Cie aan Comd KIBAT als bijlage gevoegd bij SITREP van 22 februari 1994 van KIBAT aan C Ops waarin gesteld werd dat de bevolking een steeds vijandiger houding aanneemt tegenover UNAMIR. « Nous risquons dans les jours à venir de recevoir une grenade. Nous risquons donc de devoir nous défendre. (...) . ».
(documenten SGR nr. 2240).
SITREP van 23 februari 1994 van Comd Sector Kigali aan C Ops waarin melding wordt gemaakt van zeer hevige agitaties in Kigali en « des informations nous parviennent signalant que les INTERAHAMWE auraient reçu comme directives de s'attaquer ouvertement à la MINUAR. ».
(documenten SGR nr. 2564).
SITREP van 24 februari 1994 van UNAMIR aan SGR waarin gemeld wordt dat er op 23 februari bij Gikondo n.a.v. een escorte een vuurgevecht uitbrak tussen Belgische troepen en gewapende burgers.
(documenten SGR nr. 2380).
SITREP van 24 februari 1994 van KIBAT aan C Ops waarin een verder toenemende agressiviteit tegen UNAMIR wordt gemeld. « As mentioned in previous SITREP's local population becomes more aggressive, towards each other AND towards UNAMIR troops. At several occasions, our patrols had to use their weapons (by firing in the air) to liberate themselves. » Als voorbeeld wordt verwezen naar een incident op 23 februari waar Belgische blauwhelmen een Rwandese rechter dienden te ontzetten. Zij werden beschoten. De Belgische blauwhelmen dienden een twintigtal schoten te lossen.
(documenten SGR nr. 2347 en 2353).
Telex nr. 172 van 1 maart 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel gewijd aan de door de CDR opgerichte zender RTLM. Er wordt nogmaals gemeld dat deze radio « (...) tient souvent des propos virulemment anti-Minuar et anti-belge (...). ».
Fax nr. 77 van 17 maart 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarbij een brief wordt overgezonden aan de VN-secretaris-generaal waarin scherpe kritiek wordt geleverd op de Belgische blauwhelmen. « Nous exigeons que les éléments belges de la Minuar cessent de se comporter comme une force d'occupation (...) ».
(idem documenten SGR nr. 2893 e.v.).
Notulen van de coördinatievergadering Buitenlandse Zaken-Landsverdediging van 17 maart 1994 melden als tweede punt expliciet de toenemende bedreiging tegen UNAMIR : « Au cours des derniers jours nombreux appels téléphoniques à la Minuar avec menaces d'attentats. »
Telex nr. 235 van 22 maart 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin verslag wordt uitgebracht van twee nieuwe anti-Belgische editorialen van Ruggiu op RTLM. De Belgische regering wordt beschuldigd van kolonialisme, paternalisme en medeplichtigheid met het FPR. Ruggiu geeft de Belgen de schuld voor Arusha, de Belgen die Rwanda « un gouvernement de bandits et de massacreurs » willen opdringen met de « complicité silencieuse des Belges de MINUAR « . Ruggiu dreigt de Belgen af (« la lutte sera sans pitié », « l'amitié se transformera en haine sans merci », « Que les Bwana belges se réveillent et s'en aillent »). Tijdens de ochtenduitzending wordt zelfs omgeroepen dat er een staatsgreep wordt beraamd met medeplichtigheid van de Belgische ambassadeur.
(idem documenten SGR nrs. 3201 en 3359).
Rapport van 30 maart 1994 van VN-secretaris-generaal Boutros-Ghali aan de Veiligheidsraad meldt in punt 28 « (...) the distribution of weapons to civilians which constituties a serious threat, not only to public security in Kigali (...) but also to UNAMIR personnel ».
C Opsverslag van 31 maart 1994 meldt dat er tijdens een controle in het centrum van Kigali met stenen werd geworpen naar een Belgische patrouille.
(documenten C Ops nr. 5612).
Fax van 5 april 1994 van kolonel Marchal aan JS waarin hij melding maakt van de haatcampagne van RTLM tegen de Belgische UNAMIR-troepen, « allant jusqu' à inciter, à plusieurs reprises, les auditeurs à se faire un Belge ».
(dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Kaft onderzoek C Not. Nr. 01 00009.95 1154).
4.4. Welke inlichtingen bezaten de Belgische autoriteiten m.b.t. de initiatiefnemers, de financiering, de werking en de uitzendingen van de zogenaamde Radiotelevision Libre Mille Collines (RTLM) ?
Zoals uit de inhoud van vooral de telexen uitgaande van onze ambassade te Kigali kan worden opgemaakt en die hierboven onder de punten 4.1, 4.2 en 4.3 reeds werden aangehaald, waren de Belgische autoriteiten op de hoogte van de hatelijke en opruiende anti-Belgische taal die RTLM over de Rwandese bevolking uitstrooide en van het gevaar dat zulks inhield voor de Belgische blauwhelmen aldaar. Over welke andere inlichtingen beschikte België betreffende deze zender ?
Telex nr. 86 van 31 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel (zie punten 4.2 en 4.3) waarin gemeld wordt dat F. Kabuga en F. Nahimana, vrienden van president Habyarimana, aandeelhouders zijn van RTLM. Er wordt voor het eerst ook melding gemaakt van het feit dat de betrokken journalist een Belg zou kunnen zijn. Hij spreekt met « licht Belgisch accent ».
Telex nr. 90 van 1 februari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel o.m. omtrent RTLM. « De opruiende taal van de omroep wordt steeds meer als een belangrijke factor van een mogelijk destabiliseringsscenario gezien. »
Telex nr. 172 van 1 maart 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarbij gemeld wordt dat « Ruggio Georges » de naam is van de journalist in kwestie van RTLM en waarbij vanuit België alle beschikbare gegevens worden opgevraagd.
Telex nr. 176 van 3 maart 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel omvattende het verslag van een onderhoud van de ambassadeur met president Habyarimana waarin nogmaals de Belgische klachten over RTLM worden herhaald (punt 4.5.1).
Telegram van 11 maart 1994 van de minister van Buitenlandse Zaken aan Ambabel Kigali waarin enkele summiere inlichtingen over Ruggiu worden overgezonden : « J'ai l'honneur de vous informer que cette personne est connue de mes services. Il s'agit en réalité de Georges RUGGIU, de nationalité belge (par option de patrie en 1975, son père étant italien), né à Verviers le 12/10/1957 et domicilié à Liège depuis 1987 (information datant de mai 1993). Il est le créateur avec deux ressortissants rwandais, Paulin MURAYI et Wencelas NZABALIRWA, du « Groupe de Réflexion rwando-belge ». Ce groupe a pour objectif de mener une activité militante en faveur du régime en place à Kigali et de contrer les actions du Front patriotique rwandais en Belgique. Les activités consistent en la rédaction de communiqués de presse. Il est à noter que Paulin MURAYI a été auparavant responsable de la « Communauté des étudiants rwandais en Belgique » dont le siège est installé à l'ambassade du Rwanda à Bruxelles. » De telex besluit met de mededeling : « heb nog geen beslissing genomen over eventueel te ondernemen stappen. »
Telex nr. 209 van 15 maart 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin verslag wordt uitgebracht over het bezoek van minister van Landsverdediging Leo Delcroix aan Rwanda. I.v.m. RTLM « Habyarimana beloofde Delcroix matiging van de commentaren ».
Telex nr. 240 van 23 maart 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin verslag wordt uitgebracht van een door de Belgische ambassade georganiseerd seminarie over de rol van de media in het Rwandees democratiseringsproces. Een van de deelnemers is Gaspard Gahigi, de hoofdredacteur van ... RTLM.
Telex nr. 256 van 29 maart 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel. De ambassadeur verklaart te twijfelen aan de woorden van president Habyarimana wanneer die belooft RTLM te zullen matigen.
(idem documenten SGR nr. 3333).
Telex nr. 266 van 31 maart 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarbij gemeld wordt dat de anti-Belgische campagne die in volle hevigheid woedt, vermoedelijk van hogerhand georchestreerd wordt.
(idem documenten SGR nr. 3328).
Telex nr. 270 van 31 maart 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin gemeld wordt dat de Rwandese minister van Defensie Bizimana in een onderhoud met de Franse ambassadeur zijn verwondering had uitgedrukt over het ongenoegen dat minister Leo Delcroix bij zijn bezoek aan Rwanda had laten blijken omtrent RTLM, « puisque son propre parti avait à l'époque encouragé le président de mettre sur piste une radio libre qui pourrait former un contrepoids à la propagande de radio Muhabura (FPR) ». De ambassadeur voegt er in een volgend punt aan toe dat « RTLM zelf in een recente uitzending beweerd zou hebben dat de IDC (de christen-democratische internationale) tot haar geldschieters behoort ».
Telegram van 1 april 1994 van de minister van Buitenlandse Zaken aan Ambabel Kigali waarin hij in punt 5 opnieuw zijn beklag maakt over RTLM « Gelet op wat wij doen voor Rwanda is het onbegrijpelijk dat die radio waarvan wij de financiering kennen op een schandalige wijze een anti-Belgische campagne voert ». Het ministerie van Buitenlandse Zaken kende blijkbaar de herkomst van de geldmiddelen van RTLM. De ad-hocgroep vond echter in de onderzochte documenten geen verdere preciseringen over de passage « waarvan wij de financiering kennen », tenzij deze passage slaat op de inhoud van telex nr. 86 en, of telex nr. 270.
Na de gebeurtenissen van 7 april 1994 zal UNAMIR op 8 april 1994 aan C Ops, en dit op vraag van JS, de coördinaten toesturen van de plaats waar zich de zender van RTLM bevindt. « Localisation de l'émetteur 1000 collines RTLM Rue du Commerce à NYARUGENGE en Coord 0650 8490 ».
(documenten SGR nr. 4493).
Ook de Staatsveiligheid zal in een brief van 12 april 1994 en een nota van 18 april 1994 nog wat summiere informatie over RTLM verstrekken.
(documenten SGR nrs. 6456 en 6507).
De belangrijkste informatie die beschikbaar was, vermelden deze beide stukken niet, met name dat F. Nahimana, de toenmalige directeur van ORINFOR (Office d'information du Rwanda), die reeds in telex nr. 86 van 31 januari 1994 als een van de initiatiefnemers van RTLM wordt aangewezen, een groep van Rwandese televisie-technici aanvoerde in het kader van twee vormingsprogramma's bij BRT en RTBF, respectievelijk in november 1990 en augustus 1991, waarvan de kostprijs (tweemaal 25 miljoen Bfr.) overigens gefinancierd werd door ABOS. Naast F. Nahimana werd ten minste een van de personen die in het kader van dit project een opleiding volgde (J.B. Karimero) lid van RTLM (zie het antwoord van de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking op vraag nr. 27 van de heer Destexhe van 6 maart 1996 Vragen en Antwoorden Senaat 16 april 1996 771).
Uiteindelijk zal op 16 april 1994 het radiostation RTLM vernietigd worden door het FPR. (SITREP van 18 en 19 april 1994 van BAFDET Nairobi aan SGR documenten SGR nr. 6220).
4.5. Welke waren de aanduidingen waarover de Belgische autoriteiten beschikten m.b.t. de voorbereiding van een genocide op de Tutsi's en van moorden op politieke Hutu-opponenten ? Welke inlichtingen bezat België m.b.t. de rol die de extreme Hutu-milities, het geregeld Rwandees leger (FAR) en de Gendarmerie Nationale in die voorbereiding hebben gespeeld ?
Zoals naderhand werd vastgesteld in het verslag van de Commissie van Experten van 9 december 1994 die werd opgericht door de VN-Veiligheidsraad bij resolutie nr. 935 en in tal van rapporten van de Comissie van de Mensenrechten van de Sociaal-Economische Raad van de VN en van het Hoog Commissariaat voor de Mensenrechten van de VN was de genocide zorgvuldig gepland en voorbereid. Deze planning en voorbereiding omvatte onder meer :
1. het op de lange baan schuiven van de uitvoering van de akkoorden van Arusha o.m. door het aanwakkeren van de etnische tegenstellingen binnen de meer gematigde politieke partijen;
2. de verspreiding van wapens onder de bevolking;
3. de paramilitaire opleiding van de Hutu-milities van MRND en CDR (de zogenaamde Interahamwe en Impuzamugambi) die samen met militairen van de FAR en leden van de Gendarmerie Nationale de genocide pleegden;
4. het aanleggen van lijsten met de namen van de Tutsi's en de gematigde Hutu's die uit de weg dienden te worden geruimd;
5. het langzaam opvoeren van het geweld tegenover de Tutsi's en de gematigde Hutu's en het plegen van politieke moorden.
De aanslag op het vliegtuig waarbij de president van Rwanda, Juvenal Habyarimana en de president van Burundi, Cyprien Ntaryamira de dood vonden, heeft de genocide op gang gebracht en meteen de omstandigheden in de hand gewerkt die de moord op de tien Belgische para's hebben uitgelokt. Die tienvoudige moord heeft op haar beurt de terugtrekking van de UNAMIR-troepen voor gevolg gehad.
De ad-hocgroep keek na welke aanwijzingen de Belgische autoriteiten hadden over de voorbereiding ervan en van welke onderdelen van dit plan zij op de hoogte waren. Het weze nogmaals onderstreept dat de periode die de ad-hocgroep onderzocht, slechts loopt van augustus 1993 (na het afsluiten van de akkoorden van Arusha) tot april 1994. De inlichtingen die in deze periode werden verkregen, vallen natuurlijk niet in het luchtledige. Ze komen bovenop de inlichtingen waarover de internationale gemeenschap reeds beschikte.
De eerste duidelijke aanwijzing in dat verband was het rapport van de Internationale Onderzoekscommissie inzake schendingen van de mensenrechten (het FIDH-rapport) dat in maart 1993 werd gepubliceerd en dat zelfs leidde tot het terugroepen van onze ambassadeur uit Kigali. De onderzoekscommissie gebruikte aanvankelijk de term « genocide » om circa tweeduizend systematisch uitgevoerde moorden te omschrijven die sinds 1 oktober 1990 op de Tutsi's werden gepleegd, term die evenwel in de officiële versie werd vervangen door volgende passages :
« The majority of the victims have been members of the minority group, the Tutsi, and they have been killed and otherwise abused for the sole reason they are Tutsi. (...) While the casualty figures established by the Commission are significant, they may be below the threshold required to establish genocide ... These technical matters aside, the tragic reality is that for the sole reason of belonging to the Tutsi group, many Rwandans are dead, have disappeared, have been seriously injured and mutilated, have been deprived of their property, or have had to flee their homes and been forced to hide or live in terror. »
In het rapport (1) van de speciale rapporteur Ndiaye van de Verenigde Naties omtrent dezelfde feiten en daterend van 11 augustus 1993 wordt de term « genocide » wel letterlijk gebruikt. Nadat het rapport de situatie in Rwanda beschrijft als een tijdbom, waarbij sinds oktober 1990 slachtingen onder de burgerbevolking worden aangericht waarvoor regeringsmiddens en de milities van de MRND en de CDR verantwoordelijk zijn, wordt in de paragrafen 79 en 80 gesteld :
« The cases of intercommunal violence brought to the Special Rapporteur's attention indicate very clearly that the victims of the attacks, Tutsis in the overwhelming majority of cases, have been targeted solely because of their membership of a certain ethnic group and for no other objective reason. (...) The violations of the right to life, as described in this report, could fall within the purview of article III of the Convention, which reads :
The following acts shall be punishable :
(a) Genocide;
(b) Conspiracy to commit genocide;
(c) Direct and public incitement to commit genocide;
(d) Attempt to commit genocide;
(e) Complicity in genocide. »
Naast die beide rapporten was de gehele internationale gemeenschap op de hoogte van minstens twee bezwarende Rwandese regeringsdocumenten (deel twee van « The Joint Evaluation of Emergency Assistance to Rwanda » van maart 1996 Edit. D. Millwood ISBN 87-7265-335-3/331-0/332-9/333-7/334-5).
Het eerste was een brief van de Rwandese eerste minister tot de minister van Defensie van 25 maart 1993 over de verdeling van wapens onder de bevolking, waarin gevraagd werd daar tegen op te treden. Het tweede was een intern rapport van een commissie bestaande uit hogere legerofficieren getiteld « Definitie en Identificatie van de Vijand » en daterend van 21 september 1992. Het rapport brandmerkt als « vijanden » niet alleen de Tutsi's binnen en buiten Rwanda die het FPR ondersteunen, maar ook de echtgenoten van gemengde huwelijken en de gematigde Hutu's die zich verzetten tegen de hardliners in de regering.
4.5.1. Het boycotten van de akkoorden van Arusha
Telegram van 16 augustus 1993 van de minister van Buitenlandse Zaken aan Ambabel Kigali waarin verslag wordt uitgebracht van het bezoek aan het departement van J.B. Barayagwiza, directeur bij het Rwandees ministerie van Buitenlandse zaken.
Barayagwiza legde uit waarom de akkoorden van Arusha onaanvaardbaar zijn en de uitvoering van die akkoorden nog tot meer bloedvergieten zal leiden.
Opgemerkt moet worden dat het hier gaat om dezelfde persoon als de directeur die aan het woord komt in een RTBF-televisieuitzending en waarin die een reeks virulente anti-Belgische uitspraken doet en die eind januari 1994 in een incident met Belgische blauwhelmen betrokken was (zie punt 4.2). In de vertrouwelijke nota van kolonel L. Marchal daterend van mei 1995 wordt diezelfde J. B. Barayagwiza aangewezen als een van de zeer invloedrijke persoonlijkheden achter RTLM en een van de « maîtres-penseurs » van de genocide.
Telex nr. 1133 van 15 november 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin een tekst wordt weergegeven opgesteld door gewezen eerste minister Dr. Nsengiyaremye die stelt dat rond president Habyarimana een anti-democratisch blok wordt gecreëerd dat het vredesproces wil blokkeren.
Telex nr. 1134 van 15 november 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin onder punt 3 gemeld wordt dat « vrees bestaat dat Palpehutu en CDR (alsook extreme tendenzen binnen andere partijen) een gewelddadige oplossing nastreven (...) ».
Info van 28 december 1993 van SGR (kwalificatie B) waarin naast een lange lijst van aanslagen gepleegd door de Interahamwe tegen de Tutsi's een document is gevoegd daterend van 10 december 1993 dat verslag uitbrengt van een vergadering waaraan kolonel Bagosora en de schoonbroer van president Habyarimana, Séraphin Rwabukumba, zouden hebben deelgenomen. Op deze vergadering zou er toe besloten zijn met de Interahamwe een strategie van geweld te volgen vooral gericht op woonwijken waar weinig MRND-sympathisanten wonen om zo na het vertrek van de Franse troepen de Arusha-akkoorden te torpederen.
(documenten SGR nrs. 1239 tot en met 1242).
Telex nr. 1275 van 29 december 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel omvattende een onderhoud van de ambassadeur met Ruhigira, kabinetschef van president Habyarimana. Deze meldt dat de president de installatie van de overgangsregering op de gestelde datum van 29 december niet ziet zitten. De interne partijtwisten binnen MDR en PL worden als argument aangehaald, waarop de ambassadeur aan zijn gesprekspartner in nauwelijks verholen termen laat opmerken dat de MRND en de president daar zelf voor verantwoordelijk zijn en aansturen op een radicalisering en bipolarisering van het Rwandese politieke landschap.
Telex nr. 1 van 3 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin verslag wordt uitgebracht over de mislukking van de installatie van de overgangsregering zoals bepaald in de akkoorden van Arusha. In een onderhoud die dag met de ambassadeur verwijst president Habyarimana naar de interne tegenstellingen binnen de PL en het MDR. De in de akkoorden van Arusha aangewezen eerste minister Twagiramungu legt de schuld bij president Habyarimana die voortdurend deze interne tegenstellingen met steeds nieuwe eisen aanwakkert.
Telex nr. 13 van 5 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin in punt 3 gemeld wordt dat de kandidaten-volksvertegenwoordigers van de gematigde vleugel van de PL door de presidentiële garde verhinderd werden de eedaflegging bij te wonen en zo het overgangsparlement te installeren, als bepaald in de akkoorden van Arusha.
Telex nr. 17 van 7 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waaruit blijkt (punt 2.1) dat president Habyarimana in de lijsten met kandidaten voor regering en parlement van de PL en het MDR meer vertegenwoordigers van de extremistische Hutu-frakties wil opgenomen zien om zo te zijnen gunste een blokkeringsminderheid in het toekomstige parlement tot stand te brengen, iets wat hij niet bekwam tijdens de onderhandelingen in Arusha.
Rapport van 9 januari 1994 van Comd Sector Kigali aan C Ops waarin gemeld wordt dat de gewelddadige manifestatie van 8 januari 1994 was georganiseerd door partijen « de la mouvance présidentielle » met de bedoeling om een nieuwe poging tot eedaflegging van het overgangsparlement als bepaald in de akkoorden van Arusha te verhinderen.
(documenten C Ops nr. 32 811 in dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Kaft onderzoek D Not. nr. 01 00009.95 1355).
Telex nr. 21 van 10 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin wordt bevestigd dat de gewelddadige actie die de Interhamwe op 8 januari 1994 ondernamen om de installatie van de overgangsregering zoals bepaald in de akkoorden van Arusha te beletten, begeleid en ondersteund werd door « véhicules officiels ».
Telegram van 9 februari 1994 van de minister van Buitenlandse Zaken aan Ambabel Kigali bevattend het verslag van het onderhoud van het diensthoofd Afrika met RPF-voorzitter Kanyarengwe waarin wordt gemeld dat de entourage van de Rwandese president wapens onder de milities en de bevolking verspreidt met de bedoeling de uitvoering van de Arusha-akkoorden te verhinderen (punt 4.5.2).
Telexen nrs. 89, 99, 120, 127 en 228 respectievelijk van 31 januari, 3, 11 en 14 februari en 18 maart 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waaruit telkens blijkt hoe de MRND en president Habyarimana steeds weer opnieuw de druk opvoeren op PL-voorzitter Mugenzi om elk compromis omtrent de overgangsregering af te wijzen, de politieke impasse te laten aanslepen en zo de Arusha-akkoorden te ondermijnen.
Briefing van 23 maart 1994 van kolonel Marchal aan C Ops waarin hij meedeelt dat de kogel door de kerk is en de overgangsinstellingen als bepaald in de akkoorden van Arusha zullen kunnen worden geïnstalleerd. Hij waarschuwt echter : « Certains éléments ultra sont tout à fait capables d'entamer un processus de déstabilisation qui n'est ni difficile à initier ni compliqué à amplifier ».
(documenten SGR nr. 3257).
4.5.2. De verspreiding van wapens onder de bevolking door de Rwandese autoriteiten
Publicatie « Le flambeau » van 6 december 1993 (door Comd KIBAT overgemaakt aan de Comd Sector Kigali en aan de Comd Brigade Para-Commando) waarin melding wordt gemaakt van een vergadering geleid door president Habyarimana die op 20 november 1993 gehouden werd in zijn hotel te Rebero, waar beslist werd onder de Interahamwe en de jongeren van de CDR granaten, geweren, machetes en andere wapens te verdelen.
Dit document werd eveneens toegezonden aan C Ops met de SITREP van 22 december 1993, die het op haar beurt heeft overgemaakt aan JSO-P/Ops, JSO-P, PP-MDN, Bde Para-Commando, 1 Para en SGR.
(dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Not. nr. 01 00009.95 Kaft onderzoek C 1259).
Telex nr. 1272 van 27 december 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin melding wordt gemaakt van geruchten, volgens welke op verscheidene plaatsen in het land militairen wapens verdelen onder de plaatselijke autoriteiten.
Telex nr. 1276 van 29 december 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin de ambassadeur verslag uitbrengt over een onderhoud die dag met eerste minister Mevr. Uwilingiyimana in aanwezigheid van een MRND-minister. Zij meldt dat de inlichtingendiensten van haar departement niet uitsluiten dat er door het ministerie van Defensie wapendistributies geschieden.
Telex nr. 5 van 4 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel meldt in punt 3.3 : « vous rappelle par ailleurs les informations relatives à la distribution d'armes dans certaines régions du pays attribuée à la mouvance présidentielle ».
Telex nr. 20 van 8 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin bevestigd wordt dat er wapens onder de bevolking verdeeld worden door de « presidentiële middens ».
Telex nr. 32 van 13 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel (zie punt 4.3), meer bepaald punt 3 waarin gemeld wordt dat « volgens de informant geheime wapendepots worden aangelegd bij de burgerbevolking (...) ».
Telex nr. 45 van 15 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel (punt 4.3), meer bepaald punt 2 :
« UNAMIR beschikt nu over voldoende bewijzen over het bestaan van minstens vier geheime wapenopslagplaatsen. De voornaamste « cache » betreft het hoofdkwartier van de MRND zelf in de wijk van Kimihurura. De informant toonde er verscheidene tientallen geweren aan een Afrikaans UNAMIR-officier die speciaal was aangeduid door generaal Dallaire om de informant te vergezellen ».
In punt 3 wordt meegedeeld dat UNAMIR geneigd is om zo vlug mogelijk een ontdekkingsoperatie naar die wapendepots in te zetten, « omdat zij weet dat deze wapens in de komende dagen zullen verdwijnen in de richting van de Interahamwe en de burgerbevolking ».
Na vastgesteld te hebben dat New-York het besluit de wapendepots te ontmantelen uitstelt, waarschuwt de ambassadeur : « zal de distributie in de komende dagen voortgezet worden met alle risico's die hieraan verbonden zijn wat betreft de verdere destabilisering van het land » (punt 7).
Info van 17 januari 1994 van SGR (kwalificatie B-2) waarin onder punten 5 en 6 melding wordt gemaakt van wapenverdelingen onder de bevolking. De bron, gewezen minister van Ambtenarenzaken Nyandwy (MRND), « (...) a dû admettre que certaines autorités communales distribuaient des armes (...) ».
(documenten SGR nr. 1694).
Brief van 19 januari 1994 van de eerste minister mevr. Uwilingiyimana aan de ministers van de Rwandese regering voornamelijk behorende tot de MRND-strekking waarin die aanklaagt dat de minister van Defensie weigert gevolg te geven aan de beslissing van de ministerraad om de wapens die illegaal onder de bevolking werden verspreid weer in te zamelen.
(documenten SGR nr. 2756).
Telex nr. 54 van 20 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin gemeld wordt dat volgens Booh Booh alle wapens ondertussen uit de geheime opslagplaatsen zijn verdwenen. « Het valt dus te vrezen », zo gaat de telex verder, « dat ze onder de lokale overheden, Interahamwe en burgerbevolking verdeeld zijn ».
Telegram van 20 januari 1994 van DelbelUNO aan Minafet Brussel (punt 4.3) waarin Riza, de adjunct van de verantwoordelijke voor de VN-vredesoperaties, vanuit Kigali meldt vernomen te hebben dat « de milities van Habyarimana zouden doorgaan met de uitdeling van wapens aan de bevolking. »
Rapport van 7 februari 1994 van lt. Nees aan Comd Sector Kigali met kopie aan Comd KIBAT en C Ops (geciteerd onder punt 4.3), waarbij een brief wordt medegedeeld van 8 januari uitgaande van een informant, waarin gemeld wordt dat de top van de MRND, het Rwandese leger en de rijkswacht beslist hebben de geheime wapenopslagplaatsen te verplaatsen bij officieren van het Rwandese leger.
(documenten SGR nr. 2173).
Info van 7 februari 1994 van SGR (kwalificatie B-2-3) waarbij gemeld wordt dat volgens een oud lid van de presidentiële wacht grote hoeveelheden wapens en munitie worden opgeslagen in de drie residenties van president Habyarimana (Gisenyi, Ruhengeri en het kamp van Kanombe).
(documenten SGR nr. 2440).
Telegram van 9 februari 1994 van de minister van Buitenlandse Zaken aan Ambabel Kigali bevattend het verslag van het onderhoud van het diensthoofd Afrika met RPF-voorzitter Kanyarengwe, meer bepaald punt 2.3 : « presidentiële entourage gaat voort met uitdeling van wapens aan militie en bevolking. Het enige doel kan slechts zijn te gelegener tijd bloedige onlusten uit te lokken om aldus de uitvoering van Arusha-akkoorden (...) te verhinderen ».
Rapport van 3 maart 1994 van majoor Podevijn aan generaal Dallaire met kopie aan SGR waarin melding wordt gemaakt van wapenuitdelingen aan de lokale milities in de streek van Gikondo.
(documenten SGR nr. 3252).
Rapport van 30 maart 1994 van VN-secretaris-generaal Boutros Boutros-Ghali aan de Veiligheidsraad, meer bepaald punt 26 (f) « (...) increasing reports of paramilitary training and arms distributions (...) »
Fax nr. 100 van 5 april 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel omvattende een brief van het FPR aan de voorzitter van de VN-Veiligheidsraad waarin o.m. gewezen wordt op de wapenverdelingen onder de bevolking door de Rwandese autoriteiten.
4.5.3. De paramilitaire opleiding van de Hutu-milities (Interahamwe en Impuzamugambi) en de betrokkenheid van de Rwandese autoriteiten
Document van 3 september 1993 bevattende de enquêtes van de mensenrechtenorganisatie ARDHO (op 6 oktober doorgestuurd door Ambabel Kigali aan Minafet Brussel) over commando-opleidingen van de Interahamwe in Gabiro/Gishwati, Gako en Rwabusoro, de betrokkenheid van diezelfde Hutu-militie bij tientallen incidenten en moordpartijen en de vraag daarom wapenconsignaties uit te voeren.
Brief van 18 november 1993 van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties (UNHCR) aan het Rwandees ministerie van Buitenlandse Zaken (op 7 december 1993 doorgestuurd door Ambabel Kigali aan Minafet Brussel) waarin gewezen wordt op paramilitaire opleidingen in de Burundese vluchtelingenkampen in het zuiden van Rwanda, hetgeen in strijd is met artikel 3 van de conventie van OAE van 10 september 1969.
Telex nr. 1214 van 3 december 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin gemeld wordt dat de presidentiële wacht jongeren opleidt om in Kigali « rafles » uit te voeren. Ook het Rwandese leger verschaft medewerking aan de Palipehutu bij paramilitaire opleidingen onder Burundese vluchtelingen. De telex somt de plaatsen van de drie kampen op waar dit gebeurt.
Telex nr. 1276 van 29 december 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin eerste minister mevr. Uwilingiyimana in aanwezigheid van een MRND-minister aan de ambassadeur bevestigt dat de inlichtingendiensten van haar departement over betrouwbare informatie beschikken betreffende paramilitaire opleidingen, hoewel de redenen en het doel ervan nog niet duidelijk zijn.
(Zie punt 4.5.2.)
Rapport van 5 januari 1994 van majoor Podevijn aan genenaal Dallaire met kopij aan SGR omvattende het verslag van een vergadering op 4 januari 1994 waarin, naast twee geheime wapendepots, de plaatsen worden aangeduid waar de paramilitaire opleidingen van de Interahamwe gebeuren.
(Documenten SGR nr. 1857.)
Briefing van 7 januari 1994 van SGR aan C Ops waarin het woud van Nyungwe wordt aangeduid als de plaats waar de paramilitaire opleidingen van de Intarahamwe plaasvinden. De briefing meldt dat het belang ervan niet mag overdreven worden. Wel zou er ook een doodseskader bestaan dat net zoals de Interahamwe de bescherming zou genieten van plaatselijke autoriteiten.
(Documenten SGR nr. 7294.)
Telex nr. 32 van 13 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel (punt 4.3.) waarin gemeld wordt : « volgens een informant (...) werden reeds 1 700 jongeren opgeleid in kampen buiten Kigali. 300 daarvan werden na de aankomst van UNAMIR gevormd ».
Notulen van de coördinatievergadering Buitenlandse Zaken-Landsverdediging van 13 januari 1994 waarbij in punt 2 wordt medegedeeld :
« UNAMIR estime à environ 1 500 le nombre des milices MRND. »
Complément d'information van 2 februari 1994 van SGR aan verschillende bestemmelingen omvattende een uitvoerige studie over de Interahamwe waarin naast een lijst van de tientallen aanslagen en moorden gepleegd door deze milities, in detail uitgelegd wordt hoe ze georganiseerd zijn, waar de paramilitaire opleidingen plaatsvinden, wie die opleidingen verzorgt. Ze worden vervoerd door vrachtwagens van Onatracom (de openbare vervoermaatschappij), kunnen gebruik maken van de communicatiemogelijkheden van het Rwandese leger. « Ayant également le soutien de personnalités de l'ancien régime toujours en fonction, ils jouissent d'une impunité presque totale », waarbij verwezen wordt naar de medeplichtigheid van de politie en de Rwandese rijkswacht. In een uitvoerige commentaar gevoegd bij de nota wordt er op gewezen dat het belang van de Interahamwe en de resultaten van hun acties nu ook niet moet overdreven worden, gezien er onder de bevolking ook andere tendensen leven, maar dat die bevolking leeft onder de angst van represailles van de milities. Wat de betrokkenheid van het presidentschap en de MRND betreft, stelt de studie : « nous pensons que nier le problème serait de l'inconscience et que des présomptions suffisantes existent pour en faire endosser la responsabilité aux autorités proches de la présidence de la République et du parti MRND. Les démentis officiels ne changent rien à cette conclusion. »
(Documenten SGR nr. 7340 e.v. reeds geciteerd onder punt 4.3.)
Rapport van 2 maart 1994 van luitenant Nees aan Comd. KIBAT met kopij aan C Ops waarbij in punt 3 gemeld wordt dat volgens inlichtingen bekomen van eerste minister mevr. Uwilingiyimana de Interahamwe gevormd en bewapend zijn en er buiten de prefectuur van Gitarama « geen cellule of sector » meer te vinden is waarin « geen Interahamwemensen » vertegenwoordigd zijn.
(Documenten SGR nr. 3058.)
Dit rapport werd met de SITREP van 3 maart 1994 overgemaakt aan C Ops, die het op zijn beurt heeft overgemaakt aan JSO-P/Ops, JSO-P, PP-MDN en SGR.
(Dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Not. nr. 01.00009.95 Kaft onderzoek C 1259.)
Rapport van 30 maart 1994 van VN-secretaris-generaal Boutros-Ghali aan de Veiligheidsraad, meer bepaald punt 26 (f) : « (...) increasing reports of paramilitary training and arms distributions (...) ».
4.5.4. Het aanleggen van executielijsten
Publicatie « Le Flambeau » van 17 december 1993 (doorgestuurd op 23 december 1993 door Ambabel Kigali aan Minafet Brussel) waarin sprake is van de oprichting van « identificatiecommissies » die de namen moeten aanduiden van de personen die uit de weg moeten worden geruimd.
(Idem punt 4.5.6.)
Telex nr. 45 van 15 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin sprake is van de opdracht die de Interahamwe kregen om « de Tutsi-families te lokaliseren ».
(Idem punt 4.5.6.)
Complément d'information van 2 februari 1994 van SGR aan verschillende bestemmelingen over de opdrachten van de Interahamwe om Tutsi's te vermoorden (zie punt 4.5.4.) : « Ils auraient notamment reçu la mission de localiser toutes les familles Tutsi. Des assassinats de Tutsi seraient prévus, dans les zones où ils sont concentrés ».
(Documenten SGR nr. 7340 e.v. geciteerd onder punten 4.3. en 4.5.3.)
4.5.5. Het opdrijven van geweldplegingen en van moorden op politieke leiders
De geraadpleegde documenten bevatten tientallen verslagen van hulp- en mensenrechtenorganisaties over geweldplegingen in de loop van het jaar 1993 en begin 1994 waaruit telkens de betrokkenheid blijkt van president Habyarimana, de Rwandese autoriteiten en de extreme Hutu-milities. De slachtoffers zijn telkens Tutsi's of gematigde Hutu's. Ook de telexen die de Belgische ambassade in Kigali aan het ministerie van Buitenlandse Zaken te Brussel zond, bevatten tal van aanwijzingen in die richting.
Telex nr. 816 van 2 augustus 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel meldt geweldplegingen en stelt : « une nouvelle preuve de l'existence des escadrons de la mort dont l'objectif est d'éliminer physiquement les opposants au president Habyarimana ».
Telex nr. 1030 van 18 oktober 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin bewuste agitatie door de MRND en geweldplegingen door de Interahamwe worden gemeld.
Mededeling van 30 oktober 1993 van de mensenrechtenorganisatie AVP (Association des volontaires de paix) (overgezonden aan Minafet Brussel op 16 november 1993) waarin melding wordt gemaakt van een jacht op Tutsi's door CDR- en MRND-verantwoordelijken en Burundese Hutu-vluchtelingen. De ambassadeur voegt er in zijn begeleidend schrijven aan toe : « même si cette dénonciation est restrictive, elle ne reflète pas moins une réalité rapportée par ailleurs (...). »
Telex nr. 1163 van 19 november 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin verslag wordt uitgebracht van gruwelijke moordpartijen in Ruhengeri in de nacht van 17 op 18 november waarbij minstens twintig lokale mandatarissen, vrouwen en kinderen omkomen. Volgens de Rwandese media moeten de daders bij het FPR worden gezocht, maar de ambassadeur twijfelt daaraan en denkt dat het brein achter deze aanslagen eerder in de omgeving van president Habyarimana moet gezocht worden : « zit secretaris van Habyarimana kolonel Sagatwa hierachter en wil men onterecht schuld in schoenen van FPR schuiven ? »
(Idem documenten SGR nrs. 660 en 663.)
Telex nr. 1185 van 26 november 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin gemeld wordt dat radio RTLM heeft omgeroepen dat eerste minister mevr. Uwilingiyimana en de door de akkoorden van Arusha aangewezen eerste minister van de overgangsregering Twagiramungu moeten worden omgebracht.
(Idem documenten SGR nr. 654.)
Fax nr. 278 van 1 december 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel omvattende een rapport van de mensenrechtenorganisatie ARDHO. Het rapport meldt tientallen aanslagen en moorden op Tutsi's in de maand november in de gemeenten Birenga, Rutonde, Muhazi, Kayonza, Kigarama, Glkomero, Bicumbi, Ngenda, Nyamata, voornamelijk het werk van de Interahamwe. De daders, zo stelt het rapport, deinzen er zelfs niet voor terug « (...) pour déclarer que cette population est complice des Inkotanyi, car essentiellement tutsi et que son extinction serait une bonne affaire pour eux. »
Telex nr. 1212 van 3 december 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin zonder definitieve conclusies te trekken, de hypothese plausibel wordt geacht dat in tegenstelling tot de officiële versie de gewelddaden die sinds de tweede helft van de maand november in het noorden van Rwanda zijn uitgebroken (moordpartijen in de nacht van 17 op 18 november in Ruhengeri, aanslag op de vrachtwagen van het Belgische Rode Kruis op 26 november, moordpartijen in de nacht van 29 op 30 november in Mutara) het werk zijn van CDR en MRND-groepen om de akkoorden van Arusha te hypothekeren.
(Idem documenten SGR nr. 1416.)
Info van 28 december 1993 van SGR (kwalificatie B) waarbij meerdere moorden en aanslagen op Tutsi's worden gerapporteerd waarbij telkens Interahamwe of CDR-militanten betrokken zijn.
(Documenten SGR nr. 1239 e.v.)
SITREP van 29 december 1993 van UNAMIR aan SGR bevestigt dat er door de Interahamwe acties tegen de Tutsi's worden ondernomen met de hulp van de Rwandese overheid o.a. de Rwandese rijkswacht.
(Documenten SGR nr. 1316.)
Briefing van 30 december 1993 van SGR aan C Ops waarin de rol van de Interahamwe wordt belicht die m.m.v. lokale autoriteiten een toestand van algehele onveiligheid willen scheppen.
(Documenten SGR nr. 7292 e.v.)
Telex nr. 46 van 17 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel omvattende het weekverslag van 10 tot 16 januari waarin o.m. melding wordt gemaakt van een nieuwe reeks terreuraanslagen en intimidaties tegen Tutsi's en mensenrechtenorganisaties waarvan de presidentiële garde wordt verdacht.
Mededeling van 1 februari 1994 van de mensenrechtenorganisatie ARPDH (Association pour la protection des droits de l'homme) bevattende het verslag van een reeks aanvallen en moorden uitgevoerd door de milities van MRND en CDR, « des manifestations qui ne visaient que l'extermination de toute personne qui n'est pas adhérée à leur parti politique ».
(Toegezonden aan Minafet Brussel op 15 februari 1994.)
Complément d'information van 2 februari 1994 van SGR aan verschillende bestemmelingen waarin een lijst van drie pagina's lang wordt weergegeven met alle aanslagen en moorden die worden toegeschreven aan de Interahamwe en hun handlangers.
(Documenten SGR nr. 7340 geciteerd onder punten 4.3., 4.5.3., 4.5.4.)
Notulen van de coördinatievergadering Buitenlandse Zaken-Landsverdediging van 3 februari 1994 waarin de generale staf van het Belgisch leger de onveiligheid bevestigt die onder de bevolking van Kigali leeft, die het gevolg is van een reeks aanslagen met granaten. Er wordt aan toegevoegd : « Il s'agit à son avis d'une action concertée ».
Briefing van 11 februari 1994 van SGR aan C Ops waarbij in punt 3 melding wordt gemaakt van een merkbare vermindering van het aantal incidenten wellicht toe te schrijven aan een gewijzigde houding van de Interahamwe.
(Documenten SGR nrs. 2685 en 7358.)
Telexen nr. 151, 154 en 157 van 23 februari en 24 februari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin verslag wordt uitgebracht over de moord op PSD-secretaris-generaal Gatabazi, CDR-voorzitter Buruyana en de daaropvolgende aanslagen en moorden op Tutsi's door CDR-militanten. « Les violences semblent depuis la soirée du 22/2/94 essentiellement à caractère ethnique (...). »
SITREP van 25 februari 1994 van Comd Sector Kigali aan C Ops waarin gemeld wordt dat de onrust voortduurt en steeds meer gezinnen zich groeperen in eenzelfde woning. « Un autre phénomene se développe. Nombreux sont les gens qui recherchent protection et asile chez les religieux et même chez les fonctionnaires ONU ».
(Documenten C Ops nr. 3344 in dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Not. nr. 01.00009.95 Kaft onderzoek D 1400.)
Rapport van 26 februari 1994 van luitenant Nees aan Comd KIBAT met kopie aan Comd Sector Kigali en C Ops waarin de omstandigheden van de moord op PSD-secretaris-generaal Gatabazi werd vermoord, worden beschreven. Gezien de hinderlaag zeer vakkundig werd uitgevoerd, vallen twee hypotheses aan te houden : ofwel de presidentiële wacht die opgeleid werd door de Israëlische veiligheidsdienst, ofwel het FPR om alzo de vete tussen de Hutu's uit het noorden en de Hutu's uit het zuiden aan te wakkeren.
(Documenten SGR nr. 2342 e.v.)
C Opsverslag van 28 februari 1994 waarin gemeld wordt dat in Kigali twee opvangcentra (een in Remera in de omgeving van Amahoro-stadion en een in Magerwa in de omgeving van Rwandex) werden geopend om de Tutsi's op te vangen die asiel vragen en uit vrees voor het heersend etnisch geweld bescherming komen zoeken bij VN-installaties.
(Documenten SGR nr. 2652 e.v. en documenten C Ops nrs. 3500 e.v.)
Hiermee wordt de informatie hernomen die C Ops ontving van Comd Sector Kigali in zijn SITREP van 26 februari 1994 en waarbij gemeld wordt dat « Les dernières 16 heures ont été caractérisées par une psychose de violence ethnique de la part des Tutsis ».
(Documenten SGR nr. 2563.)
Telex nr. 168 van 1 maart 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel omvattende het verslag van het onderhoud dat de ambassadeur had met de weduwe van Gatabazi : « ... maar toch weegt de verdenking volgens hen eerder op de president en zijn entourage. »
In een telex van 3 maart 1994 van de minister van Buitenlandse Zaken aan Ambabel Kigali wordt dit vermoeden kracht bijgezet. Volgens de Staatsveiligheid zou de moord op Gatabazi immers het gevolg zijn van documenten die hij in zijn bezit had en die wijzen op financiële verduisteringen bezwarend voor president Habyarimana. Op haart beurt laat Ambabel Kigali met telex nr. 184 van 5 maart 1994 aan Minafet Brussel twee boodschappen toekomen van een informant die op een rechtstreekse betrokkenheid van de president en zijn entourage wijzen.
(Nadere specificaties in punt 4.10.4.)
Telex nr. 205 van 15 maart 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin een aanslag d.m.v. een granaat wordt gemeld op gewezen eerste minister Dr. Nsengiyeremye (MDR).
Telex nr. 245 van 24 maart 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin verslag wordt uitgebracht over toenemende gewelddaden.
Mededeling van 24 maart 1994 van de overkoepelende mensenrechtenorganisatie CLADHO (Collectif des ligues et associations de défense des droits de l'homme) (toegezonden aan Minafet Brussel op 6 april 1994) waarin een nieuwe lijst van moorden wordt bekend gemaakt en gevraagd wordt dat de bendes zouden worden ontwapend.
4.5.6. Het voorbereiden van een genocideplan
Telex nr. 1185 van 26 november 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel omvattende het onderhoud dat de ambassadeur had met eerste minister mevr. Uwilingiyimana n.a.v. de gruwelijke moordpartijen in de nacht van 17 en 18 november 1993 te Ruhengeri en de weigering van president Habyarimana om de minister van Defensie terecht te wijzen die de schuld voor deze moordpartijen legt bij het FPR, terwijl de verantwoordelijken eerder te zoeken zouden zijn in extreme Hutu-kringen. Naar het vermoeden van de eerste minister is het de bedoeling van Habyarimana « een staatsgreep, een reprise en main, na eerst een algemeen bloedbad te hebben aangericht ? » uit te voeren. Zij vraagt dat de westerse landen bij Habyarimana zouden tussenkomen. De ambassadeur oordeelt echter : « m.i. dient vermeden te worden dat in deze zaak overhaastig wordt gereageerd en dat de indruk wordt gewekt dat het diplomatiek korps zich onvoorwaardelijk achter de Eerste Minister schaart ».
(Idem documenten SGR nr. 654.)
Brief van 3 december 1993 van de hand van hogere Rwandese legerofficieren gericht aan generaal Dallaire (niet ondertekend, maar Ambabel Kigali die dit document op 14 december 1993 doorstuurt naar het ministerie van Buitenlandse Zaken te Brussel weet in een begeleidend schrijven vertrouwelijk de juiste identiteit te melden van de hooggeplaatste persoon van wie de brief uitgaat).
De ad hoc-groep vond het evenwel niet geraadzaam zijn naam in onderhavig rapport op te nemen om de persoonlijke veiligheid van betrokkene en van zijn eventuele familieleden voor zover die nog in leven mochten zijn, niet in gevaar te brengen.
In de brief wordt onthuld dat president Habyarimana een « machiavellistisch plan » heeft ontwikkeld, waarbij « d'autres massacres du genre sont en train de se préparer et devront s'étendre sur toutes les régions du pays à commencer par les régions dites à forte concentration de l'ethnie Tutsi ... ce plan (...) vise également certaines hautes autorités de ce pays (...).
Hierbij wordt de naam van de secretaris-generaal van de PSD Gatabazi genoemd. De ad-hocgroep merkt op dat Gatabazi inderdaad twee maanden later, op 22 februari 1994 wordt vermoord, waardoor op dat ogenblik, meer dan één maand voor het uitbreken van de genocide, de geloofwaardigheid werd versterkt van de overige in de brief aangebrachte elementen. Deze brief was eveneens bekend aan het ministerie van Landsverdediging.
(Documenten SGR nrs. 1277 e.v.)
Telex nr. 1236 van 13 december 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel. Naast de melding van tientallen incidenten van etnisch geweld, wordt door de ambassadeur verwezen naar een mededeling van CLADHO, de reeds hierboven geciteerde koepelorganisatie van mensenrechtenverenigingen, waarin aan de UNAMIR wordt bericht dat het oplaaiend politiek en etnisch geweld toe te schrijven is aan een « machiavellistisch plan » van « certaines autorités civiles et militaires » en aan « une propagande médiatique fasciste par certains medias publics et privés (...) orchestrée par des groupes à la solde des tenants réels du pouvoir. » Habyarimana moet zijn verantwoordelijkheid opnemen stelt CLADHO, « en vue de mettre fin à l'extermination du genre humain dans lequel s'est engagé une organisation de tueurs qui semble bénéficier de la protection ou de la complicité de certaines autorités ». CLADHO waarschuwt en « interpelle vigoureusement la communauté internationale pour qu'elle s'élève contre toute la banalisation du crime au Rwanda ».
Publicatie « Le Flambeau » van 17 december 1993 (doorgestuurd op 23 december 1993 door Ambabel Kigali aan Minafet Brussel) waarin gedetailleerd het plan beschreven wordt dat wordt uitgewerkt en dat omschreven wordt als « la solution finale ». Hierbij wordt onder meer melding gemaakt van de paramilitaire opleiding van de Interahamwe, de medewerking van de openbare vervoermaatschappij ONATRACOM, de steun hierbij van Franse militairen en de oprichting van « identificatiecommissies » die de namen moeten aanduiden van de personen die daarbij uit de weg moeten worden geruimd. Deze publicatie was ook bekend bij het ministerie van Landsverdediging. Zij werd met de SITREP van 22 december 1993 toegezonden aan C Ops, die ze op haar beurt heeft overgemaakt aan JSO-P/Ops, JSO-P, PP-MDN, Bde Para-commando, 1 Para en SGR.
(Documenten SGR nr. 1128 en het dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Not. nr. 01.00009.95 Kaft onderzoek C 1259.)
Telex nr. 32 van 13 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel (zie punt 4.3.) meer bepaald punt 6 waarin naar aanleiding van de onthullingen door een informant omtrent geheime wapenopslagplaatsen, paramilitaire opleidingen, de betrokkenheid van rijkswacht en ministers hierbij en waarbij de ambassadeur stelt « allezins zal een ernstig onderzoek naar de activiteiten der Interahamwe en aanverwante destabiliseringsplannen moeten bepleit worden ».
Telex nr. 41 van 14 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel (zie punt 4.3.), meer bepaald punt 3 waarin verslag wordt uitgebracht van de ontmoetingen van de ambassadeur met de eerste minister, mevr. Uwilingiyimana, de door de Arusha-akkoorden aangewezen eerste minister Twagiramungu en het FPR. « Zij hadden allen vrees voor algemeen destabiliseringsplan uitgeproken ».
Telex nr. 44 van 15 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel ingevolge een telefonisch onderhoud met de kabinetschef van het ministerie van Buitenlandse zaken te Brussel. In punt 3 wordt nogmaals op de mogelijkheid gewezen dat president Habyarimana « zoals velen beweren » de hand heeft in wat « een machiavellistisch destabiliseringsplan » wordt genoemd.
Telex nr. 45 van 15 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel (zie punt 4.3.) meer bepaald punt 3. De door UNAMIR met de hulp van een informant gelokaliseerde wapenopslagplaatsen maken onderdeel uit van een « destabiliseringsplan ». « Volgens de informant is het destabiliseringsplan zeer goed georganiseerd. De Interahamwe opereren in talrijke sectoren en hebben reeds opdracht gekregen de Tutsi-families te lokaliseren ».
Briefing niet gedateerd, maar in de documenten geklasseerd einde januari, begin februari 1994 zonder aanduidingen over auteur of bestemmeling getiteld « Briefing about subversive informations/actions » bevat concrete inlichtingen over het zogenaamde Zero-netwerk van kolonel Sagatowa, de lokalisatie en de namen van de verantwoordelijken van de trainingskampen. Meer in het bijzonder spreekt de nota over « (...) slaughterings are being prepared to be executed in areas where Tutsi are concentrated ». De bedoeling van deze « slachtingen » is op die wijze het FPR in beweging te zetten en zo de akkoorden van Arusha te torpederen.
(Documenten SGR nr. 1788.)
Complément d'information van 2 februari 1994 van SGR aan verschillende bestemmelingen vermeldt in punt 1 d. wat de opdrachten van de Interahamwe betreft : « Ils auraient notamment reçu la mission de localiser toutes les familles Tutsi. Des assassinats de Tutsi seraient prévus dans les zones où ils sont concentrés ».
(Documenten SGR nr. 7340 e.v. geciteerd onder punten 4.3. en 4.5.3.)
Telex nr. 99 van 3 februari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin waarschuwing door eerste minister Uwilingiyimana wordt gemeld. Er is een « destabiliseringsscenario » aan de gang o.m. bestaande uit subversie door de Interahamwe, wapenverdelingen onder de bevolking en etnische ophitsing door RTLM.
Mededeling van 25 februari 1994 van de mensenrechtenorganisatie AVP (Association des volontaires de la paix). « Dénonce le génocide des tutsi programmé par les extrémistes de CDR et du MRND ».
(Toegezonden aan Minafet Brussel op 11 maart 1994.)
Telex van 25 februari 1994 van de minister van Buitenlandse Zaken aan DelbelUNO aangaande het mandaat van de Belgische blauwhelmen waarin deze zelf de mogelijkheid van een volkenmoord of genocide oppert. Punt 1 : « De politieke moorden, de daarop volgende onlusten, de verslechtering in het veiligheidsklimaat, zouden wel eens tot een nieuw bloedbad kunnen leiden. » Punt 5 : « In geval de toestand inderdaad zou verslechteren en vernoemde MINUAR-orders in voege zouden blijven, is het voor de publieke opinie onaanvaardbaar dat Belgische blauwhelmen in Rwanda passieve getuigen van volkenmoord zouden kunnen worden (...). »
SITREP'S van 25 en 26 februari 1994 van Comd Sector Kigali aan C Ops die hierboven reeds in punt 4.5.5. worden geciteerd en waarin gemeld wordt dat er « une psychose de violence ethnique de la part des Tutsi's » in Kigali heerst. De families groeperen zich en zoeken bescherming en asiel bij religieuzen en VN-functionarissen. De VN heeft daartoe twee opvangcentra ingericht.
(Documenten C Ops nrs. 3344 en 3428 in dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Not. nr. 01.00009.95 Kaft onderzoek D 1400 en 1402.)
Telex nr. 172 van 1 maart 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarbij gemeld wordt dat de door het CDR opgerichte RTLM « des déclarations inflammatoires appelant à la haine voir même l'extermination de l'autre composante ethnique de la population » de ether instuurt.
Rapport van 2 maart 1994 van luitenant Nees aan Comd KIBAT waarbij in punt 6 melding wordt gemaakt van een plan om alle Tutsi's in Kigali uit te moorden, « volgens onze medewerker bij MRND heeft deze partij een volledig plan uitgewerkt om in geval van een FPR-aanval, alle Tutsi's in Kigali uit te moorden. In volgende kwartieren zijn reeds een groot deel van de Tutsi's gevlucht of brengen zij de nacht niet meer door : Kimicanga, Kicukiro centrum, Gatenga, Karambo, Gikondo-Nyenyeri, Kabuye, een gedeelte van Kimisagara, een deel van Kacyiru en Gatsata ».
(Documenten SGR nr. 3059.)
Dit rapport werd met de SITREP van 3 maart 1994 overgemaakt aan C Ops, die het op zijn beurt heeft overgemaakt aan JSO-P/Ops, JSO-P, PP-MDN en SGR.
(Zie dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Not. nr. 01.00009.95 Kaft onderzoek C 1259.)
Rapport van 4 maart 1994 van luitenant Nees aan Comd KIBAT met kopij aan C Ops waarbij in punt 2 opnieuw wordt gemeld dat de Tutsi-inwoners van meerdere wijken van Kigali niet meer thuis slapen, maar samen de nacht doorbrengen in jeugdcentra en parochiehuizen.
(Documenten SGR nr. 3003.)
Info van 14 maart 1994 van SGR (kwalificatie 2) waarbij de inhoud van een brief wordt medegedeeld van een Belg die in Rwanda verblijft en die o.m. meldt : « Si la MINUAR s'en va, le PNUD s'en ira aussi et sans doute également la coopération belge. Alors, la nuit des longs couteaux pourra débuter mais on n'en est pas encore là, heureusement ! »
(Documenten SGR nr. 3207.)
Telegram van 30 maart 1994 van DelbelUNO aan Minafet Brussel omvattende het verslag van een onderhoud dat hij had met generaal Dallaire. Dallaire twijfelt er aan of er een « masterplan » bestaat dat aanstuurt op een confrontatie.
Twee dagen voor de aanslag op het presidentiële vliegtuig en de aanvang van de genocide zijn er de uitspraken die kolonel Bagosora op 4 april 1994 doet op een receptie n.a.v. de Senegalese nationale feestdag in het Hotel Méridien in aanwezigheid van generaal Dallaire, dhr. Khan, raadgever van de speciale VN-vertegenwoordiger Booh Booh en kolonel Marchal : « la seule solution plausible pour le Rwanda serait l'élimination des Tutsis ».
(Ondervraging van kolonel Marchal op 29 november 1995 dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Kaft onderzoek C Not. nr. 01.00009.95 1227.)
In het vertrouwelijk rapport van kolonel Marchal opgesteld in mei 1995, meer dan een jaar na de gebeurtenissen, zegt hij : « Tout le monde savait, même en Belgique, ce qui allait se passer car le cadre du génocide était en place depuis longtemps ».
Tenslotte merkt de ad-hocgroep op dat gezien aan de SGR geen toestemming werd verleend de documenten die uitgaan van VS-autoriteiten ter inzage van de ad-hocgroep te stellen, niet kon worden uitgemaakt of de Belgische overheden op de hoogte waren van de « desk level analysis » van januari 1994 van de CIA, waarin één van de scenario's die m.b.t. de ontwikkelingen in Rwanda werd voorspeld een massale slachting onder de bevolking was met niet minder dan een half miljoen doden (« desk level analysis » van de CIA inzake Rwanda vermeld in « The Joint Evaluation of Emergency Assistance to Rwanda » van maart 1996, Edit. D. Millwood, ISBN 87-7265-335-3/331-0/332-9/333-7/334-5).
ader4.6. Wat was het mandaat van de UNAMIR-troepen ? Welke waren de moeilijkheden terzake ? Welke stappen werden concreet ondernomen om dit mandaat te wijzigen of uit te breiden ?
Het mandaat van de UNAMIR-troepen vond zijn oorsprong in punt 3 van resolutie nr. 872 die op 5 oktober 1993 door de VN-Veiligheidsraad werd goedgekeurd. De tekst van punt 3 van de resolutie luidt :
« (...) the Mission shall have the following mandate :
a) To contribute to the security of the city of Kigali, inter alia, within a weapons-secure area established by the parties in and around the city;
b) To monitor observance of the cease-fire agreement, which calls for the establishment of cantonment and assembly zones and the demarcation of the new demilitarised zone and other demilitarisation procedures;
c) To monitor the security situation during the final period of the transnational Government's mandate, leading up to the elections;
d) To assist with mine clearance, primarily through training programmes;
e) To investigate at the request of the parties, or on its own initiative, instances of alleged non-compliance with the provisions of the Protocol of Agreement on the Integration of the Armed Forces of the Two Parties, and to pursue any such instances with the parties responsible and report thereon as appropriate to the Secretary-General;
f) To monitor the process of repatriation of Rwandese refugees and resettlement of displaced persons to verify that it is carried out in a safe and orderly manner;
g) To assist in the coordination of humanitarian assistance activities in conjunction with relief operations;
h) To investigate and report on incidents regarding the activities of the gendarmerie and police. »
Dit mandaat zoals het in resolutie nr. 872 werd omschreven, steunde op de akkoorden van Arusha die op 4 augustus 1993 werden gesloten. In deze akkoorden was oorspronkelijk een veel ruimer mandaat voorzien voor wat toen nog de Neutral International Force (NIF) heette. De akkoorden van Arusha bepaalden dat de opdracht van de NIF was « guarantee overall security of the country », terwijl punt 3 a. van resolutie nr. 872 het mandaat omschrijft als to contribute, to the security of the city of Kigali, inter alia, within a weapons-secure area established by the parties in and around the city ».
Het mandaat dat ingevolge resolutie nr. 872 aan UNAMIR werd toegekend, werd achteraf vertaald in een aantal specifieke richtlijnen, waarvan de twee belangrijkste, althans i.v.m. de vragen die in onderhavig rapport aan de orde zijn, de « Rules of Engagement » (ROE) en de « Procédure opérationnelle pour l'établissement da la zone de consignation d'armes de Kigali « waren. De ROE, een geheel van gebods- en verbodsbepalingen ten behoeve van de VN-blauwhelmen, bepalen wanneer en in welke mate geweld mag worden gebruikt bij het uitoefenen van het mandaat en wie daartoe toestemming moet verlenen.
De « Procédure opérationelle pour l'établissement de la zone de consignation d'armes de Kigali » van haar kant omschrijft de voornaamste opdrachten van het mandaat, met name het creëren van een wapenvrije zone in en rond Kigali, de zogenaamde Kigali Weapon Secure Area (KWSA).
De voorlopige versie van beide documenten werd pas na het ontplooien van de UNAMIR-troepen ter beschikking gesteld, zodat de Comd Sector Kigali althans volgens zijn vertrouwelijk rapport van mei 1995 (pag. 7) zijn opdracht diende aan te vatten zonder richtlijnen, zonder enig document nopens zijn opdracht, zelfs zonder de ROE... De ROE werden vastgelegd door het VN-hoofdkwartier in New York na overleg met de militaire overheden van de landen die deelnamen aan UNAMIR, waaronder ook België. Zo meldt o.m. het C Opsverslag van 16 november 1993 dat « le second draft ROE adapté suivant les commentaires BE et autres a été transmis par FC à ONU NY pour approbation », terwijl het C Ops-verslag van 17 november 1993 melding maakt van een vergadering met generaal Dallaire over de herdefiniëring van de missie en van de ROE die zal doorgaan op 18 november 1993.
(documenten C Ops nrs. 22108).
Uiteindelijk zullen de ROE heel limitatief en beperkend zijn, geheel overeenkomstig het « peace keeping »-karakter van de operatie. Met uitzondering van de wettige zelfverdediging mag bij incidenten enkel het vuur worden geopend indien eerst een procedure wordt gevolgd die uit meerdere fases bestaat. Eén van die fases van de procedure heeft betrekking op het bekomen van de toelating om het vuur te openen. Die toelating moet verkregen worden van de Comd KIBAT wanneer het geweer FNC wordt gehanteerd en er « coup par coup » wordt gevuurd, van de Comd Sector Kigali wanneer het automatische wapen MINIMI wordt aangewend en van de Comd Force, dus rechtstreeks van generaal Dallaire zelf, wanneer het automatisch wapen MAG wordt ingeschakeld.
Teneinde de leden van de Commissie toe te laten zich zelf een idee te vormen van de omvang en de inhoud van deze richtlijnen werd als bijlage van onderhavig rapport de integrale tekst opgenomen van deze ROE zoals ze door de FC (generaal Dallaire) op 19 november 1993 onder de verschillende sectoren van de UNAMIR-troepen werden verpreid, alsmede van twee samenvattingen ervan zoals deze bij wijze van geheugensteun werden overhandigd aan de manschappen ter plaatse (bijlagen 5, 6 en 7).
De « Procédure opérationnelle pour l'établissement de la zone de consignation d'armes de Kigali » van haar kant omschrijft de wijze waarop in en rond Kigali een wapenvrije zone (KWSA) zal worden tot stand gebracht. Zij bepaalt de middelen die daartoe zullen worden aangewend (« points de contrôle », « barrages routiers », « perquisitions », « ratissages et fouilles », « patrouilles »). Tevens geeft zij aan wie recht heeft op escortes en uit hoeveel gewapende militairen deze escortes mogen bestaan. Meer in het bijzonder wat de « ratissages et fouilles » aangaat stelt de « Procédure opérationnelle » dat « La MINUAR peut être amenée à organiser une opération de fouille en vue de rechercher des armes, munitions et explosifs. Une autorisation préalable du QG de la MINUAR est nécessaire pour exécuter une telle opération. Cette opération se fera en liaison avec la Gendarmerie et la Police locale et elle doit être faite avec des forces et des réserves suffisantes. » (punt 11).
(documenten SGR nrs. 1164 e.v. en 1258 e.v.).
De « Procédure opérationnelle » werd d.m.v. van een Ops Order op 19 december 1993 ter kennis gebracht van de Belgische blauwhelmen. De richtlijnen hierin vervat vermelden o.m. : « In samenwerking met UNCIVPOL, de Gendarmerie en de lokale politie (...) de KWSA oprichten, in stand houden en controleren. (...) deelnemen aan het wapenvrij maken van de KWSA (...). »
(documenten SGR nr. 1153 e.v.).
Uiteindelijk werd in de nacht van 23 op 24 december 1993 na lange onderhandelingen die dagen aansleepten de « Procédure opérationnelle » door beide partijen (FAR en FPR) goedgekeurd. Officieel kwam de KWSA tot stand op 24 december 1993 om 15 uur.
(C Opsverslag van 27 december 1993 documenten C Ops nr. 25456).
Zoals dit het geval is met de ROE vinden de leden van de commissie als bijlage van onderhavig rapport de integrale tekst van de « Procédure opérationnelle pour l'établissement de la zone de consignation d'armes de Kigali » (zie bijlage 8).
De eerste vaststelling die de ad hocgroep bij het onderzoeken van de ter beschikking gestelde documenten maakt, is dat bij het nemen van de beslissing om deel te nemen aan de UNAMIR-operatie, de Belgische overheden in de mening verkeerden over een ruimer mandaat te beschikken dan luidens de strikte bepalingen van VN-resolutie nr. 872 en vooral van de « Procédure opérationnelle pour l'établissement de la zone de consignation d'armes de Kigali » het geval was.
Uit meerdere documenten kan immers worden afgeleid dat zij die de beslissing dienden voor te bereiden, uitgingen van de veronderstelling dat het UNAMIR toegelaten was ook op eigen houtje wapenconsignaties door te voeren.
Zo heeft het reeds hierboven aangehaalde verslag van de verkenningseenheid « Recce UNAMIR » van 2 november 1993 het onder punt 5 c) (4) over de noodzaak ook genietroepen naar Rwanda mee te sturen, « la présence d'un Pl Gn au sein du Bn KGL est essentielle, afin d'assurer dans les délais les plus brefs la destruction des munitions stockées en masse dans les quartiers des FAR, ou récupérées lors des missions de fouille ».
Nog explicieter is de reeds hierboven aangehaalde niet gedateerde nota, getiteld « Mémo justificatif d'un besoin opérationnel » die gevoegd was bij het dossier dat ten grondslag lag aan de beslissingen van het beperkt ministercomité van 10 november 1993 en van de ministerraad van 19 november 1993. De nota stelt dat naast het bewaken van belangrijke gebouwen zoals de luchthaven en het verzekeren van de veiligheid van de leden van de overgangsregering en van het in Kigali gelegerde FPR-bataljon o.m. volgende twee opdrachten moeten worden vervuld : « conduire des opérations de sûreté afin d'y établir une zone désarmée » en « contrôler l'armement par la mise en place d'un système de check points, de patrouilles et de fouilles ».
Deze beide opdrachten worden in de nota afzonderlijk vermeld, geheel los van een bijkomende taak, namelijk « assister la police et la Gendarmerie au travers de UNCIVPOL dans leur mission de surveillance et de contrôle des activités légales dans la zone désarmée de Kigali en menant des patrouilles, établissant des postes d'observation et en exécutant des fouilles ».
In de realiteit evenwel, en dit ingevolge een strikte interpretatie en toepassing van de hierboven aangehaalde wapenconsignatieprocedure, was de opdracht van de UNAMIR-troepen beperkt tot het laatste, namelijk het « helpen » bij, het « deelnemen » aan de wapenconsignatie « in samenwerking » met de lokale overheden.
Los van de vraag of voor de ontplooiing van de Belgische UNAMIR-troepen in Rwanda de Belgische overheden in de overtuiging verkeerden over een ruimer mandaat te beschikken dan achteraf op het terrein bleek, onderzocht de ad-hocgroep wat de Belgische overheden wisten van de moeilijkheden die het mandaat voor Belgische blauwhelmen opleverde. M.a.w. in welke mate waren de Belgische overheden er op de hoogte van dat het mandaat zoals dat werd vertaald in de ROE en de « Procédure opérationnelle pour l'établissement de la zone de consignation d'armes de Kigali » de aktie van de UNAMIR-troepen vleugellam maakte, waardoor het ondanks het herhaaldelijk aandringen van mensenrechtenorganisaties en van tal van Rwandese autoriteiten waaronder eerste minister mevr. Uwilingiyimana, onmogelijk was de KWSA te realiseren ? Wat deden de Belgische overheden om hieraan te verhelpen ?
Fax van 27 december 1993 van Comd Sector Kigali aan C Ops waarin melding wordt gemaakt dat sinds enkele dagen het Rwandese zich opnieuw « une activité en contradiction avec les procédures de la KWSA. » ontplooit.
(documenten C Ops nr. 25500 in dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Not. nr. 01 00009.95 Kaft onderzoek D 1346).
SITREP van 5 januari 1994 van Comd Sector Kigali aan C Ops waarin gemeld wordt dat in het kader van de totstandkoming van de KWSA KIBAT begonnen is met het opzetten van de eerste checkpoints.
(documenten C Ops nr. 73 in dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Not. nr. 01 00009.95 Kaft onderzoek D 1350).
Notulen van de coördinatievergadering Buitenlandse Zaken-Landsverdediging van 6 januari 1994 waarbij in punt 2 wordt gemeld dat « L'UNAMIR a mis en place une ceinture de sécurité autour de Kigali; toute personne entrant dans Kigali est désarmée. Le désarmement de la gendarmerie a également commencé. »
Telex nr. 32 van 13 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel (zie punt 4.3.) n.a.v. het ontdekken van geheime wapenopslagplaatsen. « UNAMIR beseft dat het moeilijk is om zelf maatregelen te nemen tegen de Interahamwe. Zijn mandaat is immers tot strikte peace-keeping beperkt. Een onderzoek zou normaliter in samenwerking met Rwandese rijkswacht moeten worden verricht. Maar indien blijkt dat rijkswachters zelf bij de Interahamwe-activiteiten betrokken zijn, heeft dergelijk onderzoek weinig kans op slagen. (...) Daarom heeft secgen geopteerd voor snelle demarche bij president Habyarimana (...). De secgen eist zelfs dat de president binnen de 48 uren maatregelen treft. Deze eis zal waarschijnlijk worden afgezwakt na onze opmerking dat zulks averechtse gevolgen kan hebben. (...) ».
Telex nr. 45 van 15 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel is volledig gewijd aan het probleem van de ontmanteling van de ontdekte wapenopslagplaatsen.
* punt 3 « Technisch gezien beschikt UNAMIR over voldoende garanties om een offensief in de richting van een of meerdere van deze depots te ondernemen. Zulks zou kaderen met het UNAMIR-mandaat op voorwaarde dat de operatie samen met de Rwandese rijkswacht wordt ondernomen. Dit ligt wel delicaat vermits volgens de informant de overgrote meerderheid van de gendarmerie geïnfiltreerd is. Nochtans zou het niet helemaal onmogelijk zijn om enkele betrouwbare elementen te selectioneren. Tot dusver werd de rijkswacht nog niet door UNAMIR op de hoogte gebracht van de informatie waarover zij beschikt. Dallaire beseft dat dit wel in de komende dagen zal moeten overwogen worden. UNAMIR is geneigd de ontdekkingsoperatie zo snel mogelijk in te zetten omdat zij weet dat deze wapens in de komende dagen zullen verdwijnen in de richting van de Interahamwe en de burgerbevolking. (...) »
* punt 4 « Ofschoon een offensief op illegale wapendepots voorzien is in de « procédures de consignation d'armes dans la zone de Kigali », wil UNAMIR niets ondernemen zonder uitdrukkelijke instemming van New-York. Op vrijdag 14.01.94 kwam andersluidende instruktie van secretaris-generaal. Hij vreest dat de operatie tot escalatie zal aanleiding geven en dat UNAMIR in een peace-makingscenario zal verzeild geraken (i.p.v. peace-keeping). Hij is natuurlijk ook begaan met de ernstige politieke repercussies die deze zaak kan teweegbrengen en daarover dient ernstig te worden nagedacht alvorens de onderneming te lanceren. (...) Daarom dringt New-York aan op enquêtes en maatregelen zijdens Habyarimana. Indien deze geen garanties kan bieden zal zulks worden opgenomen in het verslag van Booh Booh aan de secretaris-generaal, die de feiten zal rapporteren aan de Veiligheidsraad die op zijn beurt gemachtigd is om de informaties te publiceren en zelfs « gepaste maatregelen » te nemen. »
Telex nr. 63 van 20 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel omvattende het verslag van het hoofd van de MTS-CTM met de stafchefs van de Rwandese rijkswacht en van het leger. De stafchef van het Rwandese leger verklaart : « les autorités rwandaises ont demandé à la Minuar et à la GD de procéder à des actions visant à démanteler ces groupes ».
Telex van 20 januari 1994 van DelbelUNO New York aan Minafet Brussel omvattende het verslag van het onderhoud dat hij had met Riza, de adjunct van Annan, de vice-secretaris-generaal van de VN, verantwoordelijk voor de vredesoperaties. (idem punten 4.3. en 4.5.2.).
Riza verduidelijkt dat bij het ontdekken van de geheime wapenopslagplaatsen men gekozen heeft voor een diplomatieke optie, namelijk president Habyarimana voor zijn verantwoordelijkheid plaatsen en eventueel de Veiligheidsraad inlichten. « Volgens Riza moet alvorens nieuwe acties worden ondernomen eerst uitgekeken worden naar de reactie van Habyarimana op twee vlakken : enerzijds de ontwapening van de bevolking en de opdoeking van de wapendepots en anderzijds de vorming van een overgangsregering. Wat de wapens betreft zijn de eerste berichten vanuit Kigali weinig bemoedigend: de milities van Habyarimana zouden doorgaan met de uitdeling van wapens aan de bevolking. »
Brief van 21 januari 1994 van een aantal MRND-ministers aan de eerste minister mevr. Uwilingiyimana waarin gesteld wordt dat « le ministre de la Défense a déjà convenu avec la Minuar de procéder à la recherche de ces armes détenues illégalement ».
(documenten SGR nr. 2759).
Telex nr. 64 van 23 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin in punt 5 wordt gemeld dat kolonel Marchal min of meer tevreden is over de toepassing van de procedures betreffende de wapenconsignatie in de zone Kigali, wat evenwel afwijkt van zijn eigen rapport van 30 januari 1994 en van de volgende telex.
Telex nr. 69 van 25 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin gemeld wordt dat « generaal Dallaire en speciaal gezant Booh Booh nieuwe instructies aan New-York hebben gevraagd met betrekking tot UNAMIR-optreden ». Ofwel wordt toegezien op een strengere toepassing van de wapenconsignatie, ofwel wordt UNAMIR stopgezet wat kan uitdraaien in het voordeel van hen die destabilisatie nastreven.
Telex nr. 78 van 27 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin gemeld wordt dat het voor UNAMIR onmogelijk is in de toenemende onlusten tussen te komen.
Briefing van 28 januari 1994 van SGR aan C Ops waarin de onmacht van UNAMIR wordt onderstreept. »Le problème du Ctl par l'UNAMIR du trafic et des Mov d'armes est très difficile à réaliser. (...) L'ONU n'est pas encore prête non plus à autoriser des actions plus sévères de l'UNAMIR dans ce domaine (...) ».
Rapport van 30 januari 1994 van kolonel Marchal aan C ops waarin omstandig verslag wordt uitgebracht over de onmacht van UNAMIR. De troepen die naast de Belgische blauwhelmen opereren zijn van weinig of geen nut. De resultaten zijn onbestaande. Na 924 mobiele patrouilles, 320 patrouilles te voet en 306 checkpoints werden amper 9 wapens ingezameld.
(documenten SGR nr. 1867 en documenten C ops nr. 1626).
Mededeling van 31 januari 1994 van CLADHO (door Ambabel Kigali aan Minafet Brussel op 4 februari 1994) waarin wordt gevraagd dat UNAMIR tot een onmiddellijke ontwapening van de milities zou overgaan.
Telex nr. 99 van 3 februari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin UNAMIR beschreven wordt als een machteloos instrument. Er zijn dringend ontradingacties noodzakelijk waarbij een einde wordt gesteld aan de bevoorrading met wapens van de partijmilities en waarbij de wapen- en munitieopslagplaatsen worden opgedoekt. De telex citeert hierbij kolonel Marchal, « zo kan het in ieder geval niet verder gaan ».
Telex van 4 februari 1994 van DelbelUNO aan Minafet Brussel i.v.m. het mandaat. Hieruit blijkt dat na een nieuw aandringen van generaal Dallaire het VN-hoofdkwartier akkoord gaat dat UNAMIR zou optreden, meer bepaald door het bijstaan en toezicht houden op wapeninzamelingoperaties en dat het daarbij niet nodig is alle oplossingen eerst aan de VN voor te leggen. De ad-hocgroep constateert dat dit in feite niets meer of niets anders is dan het bevestigen van de « Procédures opérationnelles pour l'établissement de la zone de consignation d'armes de Kigali ».
(idem ook documenten SGR nr. 2633 e.v.).
Telex nr. 109 van 7 februari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel bevattende het overzicht van de week van 31 januari tot 6 februari en waarin gesteld wordt dat « Face aux violences des milices et des jeunes CDR, la non-intervention de l'UNAMIR apparaît comme un aveu d'impuissance. De l'avis de certains officiers la recherche des dépôts d'armes et le désarmement des milices s'imposent. ».
(idem documenten SGR nr. 2627).
C Opsverslag van 7 februari 1994 waarin melding wordt gemaakt van de beslissing van generaal Dallaire na een incident met de stafchef van het Rwandese leger generaal Nsabimana, om de checkpoints op te schorten (vanaf 6 februari tot 25 februari 1994 zullen dan ook geen check-points door UNAMIR meer worden opgezet).
(documenten C Ops nr. 2163) (idem punt 4.3.).
Brief van 11 februari 1994 van de minister van Buitenlandse Zaken aan VN-secretaris-generaal Boutros-Ghali. « Il me paraît cependant que cette accentuation du profil de l'ONU au niveau politique devrait aller de pair avec une attitude plus dissuasive de la Minuar sur le plan de la sécurité. (...) Il est à craindre néanmoins qu'à défaut d'enrayer l'évolution négative à laquelle nous assistons, la Minuar pourrait se trouver dans l'impossibilité de poursuivre valablement sa mission ».
Telegram van 14 februari 1994 van DelbelUNO aan Minafet Brussel waarin de reactie wordt weergegeven van het VN-secretariaat op hogervermelde brief van 11 februari. « De eerste reactie (...) was eerder perplex. (...) Generaal Dallaire kreeg reeds de toestemming om de Rwandese autoriteiten bij het opdoeken van wapendepots en het inzamelen van wapens te helpen (...). Wanneer UNAMIR de nodige voorzorgsmaatregelen getroffen heeft, dan mag het meehelpen aan de inzameling van wapens, met dien verstande dat de operaties door de autoriteiten geleid worden (...). (...) Dallaire is zelf op de actievere rol van UNAMIR niet meer teruggekomen, ofschoon hij vorige week nog aangekondigd had dat hij met concrete voorstellen voor de dag zou komen. »
Telex van 24 februari 1994 van de minister van Buitenlandse Zaken aan DelbelUNO, meer in het bijzonder punt 4, « De VN MINUAR operatie kan onder haar huidig mandaat geen « sterke handhaving van de publieke orde » uitvoeren. ».
Punt 6, « MINUAR zou een meer krachtige rol moeten kunnen uitoefenen en zich een duidelijker profiel moeten kunnen aanmeten (...). »
Punt 7, « De vraag die zich stelt is of dit zonder een nieuw mandaat van de Veiligheidsraad mogelijk kan zijn. Indien langs een nieuw mandaat (...) een versterking van MINUAR moet gezocht worden, kan men, gezien de huidige politiek van de VSA terzake, moeilijkheden verwachten. Op dit ogenblik lijkt voor hen een uitbreiding van de operatie (blauwhelmen, financiering) uitgesloten.(...) ».
Punt 8, « Het wordt zeer belangrijk om na te gaan hoe aktie versterkt zou kunnen worden onder het huidige mandaat (opname Oostenrijkse blauwhelmen ? grotere beslissingsmacht voor Dallaire ? tijdelijke verplaatsing blauwhelmen uit andere operaties in de regio ? ...) (...). ».
Punt 9, « Ontving gaarne uw bedenkingen over dit alles. Druk erop dat dit moet dienen als input voor besluitvorming over eventuele nieuwe stappen, maar dat hierover nog geen beslissing werd genomen. »
Nota niet gedateerd van DelbelUNO New York aan Minafet Brussel waarbij de Belgische permanente vertegenwoordiger antwoordt op de telex van 24 februari 1994, dit na contactname met het VN-secretariaat en de voornaamste leden van de Veiligheidsraad. Hij meldt dat :
1. een uitbreiding van de troepensterkte of van het mandaat van UNAMIR weinig waarschijnlijk is; de VS en Groot-Brittannië zijn er tegen zowel om financiële redenen, als wegens het feit het hier slechts gaat om een opdracht vallend onder hoofdstuk VI van het Handvest;
2. een aanpassing van de ROE al evenmin veel kans maakt;
3. een inschakeling van Oostenrijkse troepen slechts mogelijk wordt bij een troepenrotatie nadat Oostenrijk daar echter eerst formeel heeft om verzocht;
4. generaal Dallaire de Rwandese autoriteiten mag bijstaan bij de planning en de uitvoering van het opdoeken van wapendepots en dit op zichtbare wijze;
5. twee compagnies van het Ghanese bataljon uit de gedemilitariseerde zones naar Kigali zullen worden overgebracht.
Notulen van de coördinatievergadering Buitenlandse Zaken-Landsverdediging van 3 maart 1994 waarin in punt 2 gemeld wordt : « DelbelONU est intervenu auprès du Secrétaire général pour examiner avec lui les moyens de renforcer l'autorité de la Minuar, à ce stade dans le cadre du mandat existant. Dallaire est conscient de la nécessité de procéder à ce renforcement. 200 Casques bleus ghanéens devraient être redéployés de la zone démilitarisée à Kigali pour permettre aux Casques bleus belges de mieux utiliser leurs avantages en matière de mobilité. »
Telex nr. 209 van 15 maart 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin verslag wordt uitgebracht van het bezoek dat de minister van Landsverdediging Leo Delcroix bracht aan Rwanda. Uit het verslag komt naar voor dat Delcroix zich bewust is van de moeilijkheden en de gevaren verbonden aan het mandaat van UNAMIR. O.m. blijkt dit uit het feit dat hij i.v.m. de beslissing die de VN op 5 april m.b.t. het mandaat moet nemen, een aantal mogelijkheden van aanpassing oppert : « meer bewegingsvrijheid », « meer dissuasief optreden ».
Overigens werd hij tijdens dit bezoek door minstens een leidinggevende officier ook op de hoogte gesteld van de moeilijkheden die er voor de Belgische blauwhelmen rezen m.b.t. de ROE. Capt Breuer verklaarde aan de gerechtelijke politie bij het Militair Gerechtshof op 27 november 1995 : « Je lui ai répondu qu'en ce qui concernait le personnel, il n'y avait pas de problèmes majeurs mais que le problème se situait au niveau des limitations de l'usage de l'armement, en cas de difficultés ».
(dossier van het auditoriaat-generaal bij het Militair Gerechtshof Kaft onderzoek C Not. nr. 01 00009.95 1182).
Notulen van de coördinatievergadering Buitenlandse Zaken-Landsverdediging van 17 maart 1994 waarin in punt 3 gemeld wordt dat de Rwandese rijkswacht zelf om een wijziging van het mandaat van UNAMIR verzoekt : « La gendarmerie rwandaise souhaite une modification du mandat de la Minuar qui permette à celle-ci de faire preuve de davantage de fermeté et d'intervenir d'initiative. La gendarmerie s'estime elle-même incapable de faire face seule au rôle qui lui a été confié par les accords d'Arusha. (...) ».
Mededeling van 24 maart 1994 van CLADHO waarin nogmaals gevraagd wordt over te gaan tot de ontwapening van de milities (toegezonden aan Minafet Brussel op 6 april 1994).
Rapport van 30 maart 1994 van lt Col Comd Leroy aan Generale Staf (JSO) waarin hij als commandant van KIBAT verslag uitbrengt van zijn missie die liep van 18 november 1993 tot 29 maart 1994. Na uitvoerig de moeilijkheden beschreven te hebben die zijn manschappen ondervonden bij het uitvoeren van de hun toegewezen opdrachten (checkpoints, road-blocks, perquisitions, cordon and searches en patrouilles) concludeert hij dat het mandaat van bij de aanvang verkeerd werd ingeschat en dat « peace making » misschien wel een opdracht is voor militairen, maar dat « peace keeping » een taak is die moet worden toevertrouwd aan politieagenten. Peace keeping vergt een opleiding die wel in een aantal noordelijke landen bestaat, maar in de schoot van het Belgisch leger ontbreekt. Bovendien heeft ook de VN geen enkele inspanning geleverd om de Rwandese bevolking in te lichten omtrent het mandaat van UNAMIR. « Les « tracts » que nous avions d'initiative fait traduire (...) n'ont jamais été distribués »
(documenten JSO/SRT C 96/047552).
Ten slotte stelt de ad-hocgroep vast dat in het tweede rapport van de secretaris-generaal aan de VN-Veiligheidsraad over UNAMIR van 30 maart 1994 (S/1994/360) (2) nauwelijks met een woord wordt gerept over het probleem van het mandaat. In elk geval is er nergens sprake van de brief van minister van Buitenlandse Zaken Willy Claes of van de vraag van generaal Dallaire.
Het zenden uit de gedemilitariseerde zone van 200 Ghanese soldaten naar Kigali deed de discussie blijkbaar stilvallen. Op 5 april 1994 werd in resolutie nr. 909 van de VN-Veiligheidsraad het mandaat dan ook gewoon met vier maanden verlengd, evenwel met de mogelijkheid het na zes weken te herzien. Wel zond Ambabel Washington op 7 april 1994, dus op de dag van de moord op de Belgische blauwhelmen nog een telex aan Minafet Brussel i.v.m. het mandaat van UNAMIR. In deze telex wordt ten behoeve van het State Departement België om een spoedige reactie gevraagd i.v.m. de ontwikkelingen in Rwanda.
« Hoe beoordeelt de Belgische regering de situatie (...) ? Wie zijn de verantwoordelijken ? Wat overweegt België te ondernemen indien blijkt dat de Presidentiële wacht niet onder controle kan worden gebracht ? Kan België akkoord gaan met een wijziging (door de VN) van de « terms of engagement » van UNAMIR opdat de VN-vredesmacht in staat gesteld wordt buitenlanders in Rwanda te beschermen en te evacueren ? »
(documenten SGR nr. 4158).
In een telex van 9 april 1994 van Comd KIBAT aan C Ops waarbij deze verslag uitbrengt van zijn onderhoud met generaal Dallaire, komt nogmaals het probleem van het mandaat ter sprake. Generaal Dallaire verbiedt de Belgische blauwhelmen deel te nemen aan de evacuatieoperatie. « (...) si New York ne modifie pas le mandat, nous ne pouvons participer à cette ops et devrons donc nous même faire partie du pers Minuar à évacuer et non des unités évacuant (...). (...) l'humiliation de devoir répondre sans cesse aux compatriotes qu'on ne pouvait quasiment rien faire (...). Je demande instamment que Belgique contacte New York pour demander soit de changer notre mandat, soit de nous permettre de quitter la Minuar et de repasser sous ctl BE et faire ops avec collègues FR en BE.). »
(documenten SGR nr. 4530).
Samengevat stelt de ad-hocgroep dat het mandaat van de UNAMIR-troepen de hele duur van de operatie in feite beperkt is gebleven tot het escorteren van een aantal personaliteiten, het bewaken van een aantal strategische plaatsen en gebouwen (waaronder de luchthaven en het parlement waar het FPR-bataljon gelegerd was) en het patrouilleren in de stad (« showing the flag »). UNAMIR mocht enkel « hulp bieden » bij het consigneren van wapens en het ontmantelen van wapen- en munitieopslagplaatsen. Door de betrokkenheid van de Rwandese rijkswacht met de extreme Hutu-milities bleef dit echter dode letter.
De poging die het Belgisch ministerie van Buitenlandse Zaken vanaf januari 1994 ondernam om het mandaat uit te breiden of een nieuw mandaat te bekomen, liep op niets uit, waarna het geweer van schouder werd veranderd en gepleit werd voor een « versterking van de actie onder het bestaande mandaat », wat uiteindelijk resulteerde in een overheveling van 200 Ghanese soldaten van de gedemilitariseerde zone naar Kigali.
De ad-hocgroep stelt vast dat de regering, ondanks haar klaarblijkelijke streven naar een uitbreiding van het mandaat vastgesteld door de VN, er nooit mee heeft gedreigd de Belgische troepen uit de UNAMIR terug te trekken indien aan deze vraag geen gehoor werd gegeven, en dat evenmin bewijzen voorhanden zijn van een diplomatieke campagne bij de lidstaten van de Veiligheidsraad om dit doel te bereiken.
In « The Joint Evaluation of Emergency Assistance to Rwanda » van maart 1996 wordt gewezen op de belangrijke rol die de Verenigde Staten terzake speelden. De VS bleven tegen iedere uitbreiding van het mandaat gekant doordat ze verkeerdelijk hun slechte ervaring in Somalië projecteerden op de situatie in Rwanda en bovendien budgettaire motieven lieten prevaleren, een stelling die bevestiging vindt in de hierboven geciteerde telex van 24 februari 1994 uitgaande van de minister van Buitenlandse Zaken.
4.7. Welke inlichtingen bevatten de geraadpleegde documenten inzake de gebeurtenissen van 7 april 1994, dag waarop de Belgische para's werden omgebracht ?
'Alle nuttige informatie over de concrete omstandigheden waarin de moord op de tien Belgische para'sheeft plaatsgevonden, is voorhanden in het dossier van de openbare vordering van de heer auditeur-generaal bij het Militair Gerechtshof. Die openbare vordering heeft haar beslag gekregen met het in kracht van gewijsde getreden arrest van het genoemde Hof waarbij kolonel Marchal, die ten tijde van de gebeurtenissen de Comd Sector Kigali was, is vrijgesproken.
Het dossier van het auditoraat-generaal werd de ad-hocgroep ter inzage gesteld met toepassing van art. 125 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950 (Staatsblad van 30 december 1950) houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken op het tarief in strafzaken, dat de auditeur-generaal bij het Militair Gerechtshof machtigt uitgifte of afschrift te laten afleveren van de stukken van een strafdossier.
De ad hoc-groep herneemt hierna de hoofdstukken C, D, E, F en G van het verslag van 8 mei 1996 van de auditeur-generaal bij het Militair Gerechtshof die nauwkeurig de feiten en omstandigheden weergeven waarin de tien Belgische blauwhelmen om het leven kwamen.
« C. Désignation de la section Mortiers
En exécution des instructions données par le général Dallaire lors de la réunion à l'état-major des FAR, le colonel Marchal réinstaure les patrouilles et escortes qui avaient été supprimées dans le cadre de l'alerte « stade rouge ». Il confie dans le même temps par radio l'escorte de protection du Premier ministre Agathe au contingent belge ainsi que la protection du site de Radio-Rwanda (V 1574; D 1502; A 223).
D'après les directives en vigueur le commandant de secteur est en effet le seul habilité à détacher les escortes (V 1311-1319). Une note du secteur du 23 mars 1994 avait par ailleurs confié au bataillon belge la responsabilité de l'escorte permanente de Mme Agathe; d'autres escortes étaient exécutées par le bataillon bengali (Rutbat); les patrouilles quant à elles étaient effectuées tant par Rutbat que par Byubat (V 1313-1377).
Une discussion s'engage alors sur le réseau bataillon entre le Lt Col Dewez et le Col Marchal quant au rétablissement de ces escortes (C 1307).
Opposé à l'appréciation de la situation par son supérieur, le Lt Col Dewez lui fait observer que l'escorte pour Mme Agathe est une mission difficilement réalisable vu les difficultés de mouvement des patrouilles et la présence de barrages. Le Lt Col Dewez prétend qu'il était conscient que la situation était tendue et qu'instaurer une escorte cette nuit-là prenait une autre dimension que précédemment. Il avait de sérieux doutes quant à la réalisation de cette mission (C 1307 V 1287).
Le Maj Timsonet adjoint du Lt Col Dewez affirme que la mesure visant à supprimer les escortes lui semblait logique au vu des événements (IV 998). Il a été surpris que le secteur réinstaure les escortes car il craignait que la situation ne se détériore (A 143). Le Col Marchal répond que l'ordre lui avait été donné par le QG de la Force. Suite aux directives du Gén Dallaire relatives à la protection de Mme Agathe, confirme à 01 h 18 le maintenir de cette escorte (V 1287).
D. Départ de la section Mortiers
À 02 h 16 le Lt Lotin, commandant du peloton Mortiers, qui se trouve à l'aéroport avec ses jeeps pour y faire le plein d'essence, se voit attribuer cette mission.
Sur ordre du Lt Col Dewez, l'escorte sera toutefois doublée et comportera quatre jeeps.
Les véhicules reviennent à ce moment d'une mission plus touristique qu'opérationnelle (V 1375; IV 886; A 428).
En théorie les jeeps sont équipées d'affûts de manière à pouvoir monter des mitrailleuses automatiques MAG (IV 896; V 1375; C 1308). Il était par ailleurs prévu, qu'en cas d'absence d'affûts, les MAG devaient être emportées sans être fixées (V 1328).
L'enquête n'a toutefois pas pu déterminer avec certitude si, en quittant l'aéroport, les jeeps du Lt Lotin étaient équipées d'affûts pour MAG (V 1228).
Au départ de la mission, le dispositif des forces opérationnelles du contingent belge est le suivant : le bataillon est dispersé en 14 cantonnements allant de l'école abritant 90 militaires jusqu'à une villa privée de 5 militaires.
Ce dispositif, conçu pour une situation de « Peace-keeping » et non pour une situation de guerre civile, préoccupait le Lt Col Dewez qui après une reconnaissance sur place avait fait part à l'état-major général du problème d'insécurité que la dispersion des moyens et du personnel pouvait constituer. L'opération de regroupement à l'aéroport devait débuter le 15 avril 1994 (C 1306; A 272).
À 02 h 40 le Lt Lotin quitte l'aéroport en compagnie du Cpl Lhoir avec leurs deux jeeps. Il signale qu'il se rend chez Mme Agathe.
Les hommes sont porteurs de leur armement individuel et répartis dans les jeeps comme suit : Lt Lotin Thierry et Cpl Dupont Christophe; 1 Sgt Leroy Yannick, Cpl Meaux Bruno, Cpl Plescia Louis; Cpl Debatty Alain, Cpl Uyttebroeck Marc et Cpl Renwa Christophe; Cpl Lhoir Stéphane et Cpl Bassine Bruno (VI 1756).
Durant le parcours, le Lt Lotin passe par Viking, le cantonnement du peloton Mortiers et y récupère les jeeps du 1 Sgt Leroy et du Cpl Debatty.
Étant donné que le Lt Lotin indique qu'il doit franchir différents barrages aux carrefours, le Lt Col Dewez décide à 03 h 16 de lui envoyer le Capt Marchal et deux jeeps afin de l'aider à franchir un barrage situé avenue de la Republique.
Une demi-heure plus tard, soit à 03 h 45, le Capt Marchal indique que la mission Radio-Rwanda devient impossible vu la présence de blindés qui bloquent le passage.
Vers 05 h 00 cet officier rejoint le Lt Lotin pour lui indiquer le chemin à suivre pour se rendre chez Mme Agathe. Entre-temps les tirs se sont intensifiés de tous côtés, à tel point que la section du Capt Marchal se voyant encerclée et menacée par une mitrailleuse en batterie devant elle, obtient à sa demande à 05 h 19 l'autorisation de se dégager.
À 05 h 30 le peloton Mortiers signale un contact avec Mme Agathe.
E. Arrivée à la résidence du Premier ministre
Il y trouve cinq soldats ghanéens affectés à la sécurité interne du Premier ministre à son domicile.
À 05 h 37 le Lt Lotin indique qu'il n'est plus question de se rendre à Radio-Rwanda. Ordre lui est donné de prendre une position défensive et le secteur est informé.
À 06 h 03 le peloton Mortiers fait savoir que deux des quatre jeeps sont inutilisables et qu'ils sont soumis à des tirs depuis deux heures.
À 06 h 55 le Lt Lotin signale qu'il est encerclé par une vingtaine de militaires rwandais, armés de fusils et de grenades, et que des membres de la garde présidentielle lui demandent de déposer les armes. Le Lt Col Dewez répond de ne pas rendre les armes mais de maintenir le dialogue.
D'après le carnet de veille du bataillon la fuite du Premier ministre de son domicile est signalée à 08 h 34 tandis que d'après des témoignages de volontaires des Nations unies, cette fuite se situe à 07 h 40 (farde 24, p. 115 à 148).
Mme Agathe prend la fuite en compagnie de gendarmes affectés à sa sécurité qui vont la cacher dans la maison d'un voisin M. Daff, volontaire de l'ONU. Elle y est découverte par des membres de la garde présidentielle qui la ramènent à son domicile où elle sera tuée vers 11 h 45 ainsi que son mari (VII 138, 145; B 622, 650, 891; A 177).
À 08 h 32 le bataillon demande des directives au secteur. Sur ordre du Lt Col Dewez le Lt Lotin est déchargé à 08 h 43 de sa mission d'assurer la protection de Mme Agathe.
Tandis que le Lt Lotin indique que ses antagonistes lui demandent de rendre les armes, le Lt Col Dewez s'adresse à 08 h 44 une nouvelle fois au secteur pour obtenir des directives. Le Lt Lotin fait part de l'agressivité des militaires autour de lui et de frictions avec la garde présidentielle.
À 08 h 49 le Lt Col Dewez enjoint Lotin de ne pas se laisser désarmer et de négocier « à l'Africaine ». Le Lt Lotin rétorque qu'il est trop tard car il a déjà quatre hommes désarmés à terre (V 122 1).
Le Lt Col Dewez répond au Lt Lotin que dans ces circonstances il l'autorise à rendre les armes s'il le juge nécessaire. Le Col Marchal, à l'écoute sur le réseau bataillon, intervient dans les termes suivants: « Tu es sur place, c'est à toi d'apprécier la situation ».
D'après les témoignages du Cpl Emmanuel Doe et du Sgt Georges Aboagye, tous deux appartenant au contingent ghanéen, la résidence du Premier ministre fut encerclée par des soldats rwandais porteurs de bérets noirs et rouges, armés de fusils et de grenades. Les cinq Ghanéens et les dix Belges furent désarmés sans résistance possible et conduits, les mains en l'air, sous la menace des armes, vers un minibus VW qui attendait à l'extérieur (farde 24, p. 127-138).
D'après l'enquête de l'ONU, un véhicule des FAR avait été appelé par radio sur instruction de l'état-major rwandais pour se rendre au domicile du Premier ministre (B 89 1 893) (VIII 117).
Dans le véhicule auraient pris place, outre le chauffeur, un militaire rwandais armé assis à l'arrière et le Maj Ntuyahaga de l'état-major de l'armée, qui aurait affirmé aux occupants qu'il les emmenait dans un endroit sûr (B 689-1647 et farde 24 p. 119-130-234).
F. Massacre de la section Mortiers au camp de Kigali
En arrivant à destination soit au camp militaire de Kigali les quinze militaires auraient été obligés, sur ordre du Maj Ntuyahaga, de quitter le véhicule et de s'asseoir sur le tarmac situé à l'entrée du camp.
Immédiatement le major rwandais aurait fait circuler la rumeur parmi les militaires FAR rassemblés dans le camp que les soldats belges avaient abattu l'avion présidentiel (B. 619). Sur place l'Adj-chef Sebutiyongera, secrétaire à la présidence, aurait répandu la même rumeur (VII 47).
Ceci aurait rapidement engendré une mutinerie et un soulèvement général pour le lynchage des militaires belges.
À l'entrée du camp le Lt Lotin rencontre 1'observateur de l'ONU, le Capt togolais Apedo. Ensemble ils rejoignent le bureau de l'observateur où le Lt Lotin utilise à 09 h 06, le poste de radio Motorola du Capitaine pour informer le Lt Col Dewez que son équipe a été emmenée dans un endroit inconnu et que deux de ses hommes se font tabasser et lyncher.
Après avoir demandé au Lt Lotin s'il n'exagère pas, le Lt Col Dewez met le secteur au courant des faits et demande une intervention des FAR ou de Rutbat pour dégager les Mortiers. N'obtenant pas de réaction le Lt Col Dewez interpelle par radio à 09 h 08 le Capt Schepkens, officier de liaison auprès du secteur, en lui demandant si le Col Marchal est conscient de la gravité de la situation et demande les mesures envisagées (IV 992; V 1223).
Le Capt Apedo contacte le coordinateur Milob du secteur pour le tenir informé de la situation. À 09 h 10 le secteur indique au bataillon le lieu de détention des Mortiers (V 1223; C 978).
Entre-temps, des soldats rwandais parmi lesquels des handicapés de guerre se sont rués sur les militaires de l'ONU et les frappent à coups de crosses, béquilles, pierres, râteaux ou les piquent à l'aide de baïonnettes de fusil chinois, jusqu'à ce que quatre militaires belges succombent rapidement des suites de leurs blessures (VII 48-55; B 691-693; A 176).
Les magasins d'armement du camp, dont la Minuar avait la responsabilité, sont entre-temps fracturés (VII 137; V 1312).
Le Capt Apedo qui a quitté son bureau tente en vain de s'interposer pour arrêter les tueries.
Le Col Nubaha, commandant du camp, accouru sur les lieux en compagnie d'autres officiers, tente d'empêcher les Rwandais de pénétrer dans le local de permanence ONU où le Lt Lotin s'est réfugié avec quatre militaires belges qui l'avaient rejoint en profitant d'un moment de confusion.
De nombreux militaires rwandais qui s'interposent sont blessés (B 700).
Un cinquième militaire belge parvient bientôt à rejoindre le groupe Lotin en rampant sous un véhicule.
Suite aux conseils du Capt Apedo, le groupe Lotin composé de six militaires belges et les cinq ghanéens se réfugient dans un local annexe à celui de la permanence ONU.
Quelques instants plus tard, un militaire belge est tué par un tir d'arme à feu provenant de l'extérieur.
Le Capt Apedo qui se trouve parmi le groupe Lotin est extrait du local et obligé de suivre les Rwandais. Menacé de mort dans un premier temps, il est relâché et conduit à l'E.S.M. (école supérieur militaire) d'où il entend siffler les balles provenant du camp de Kigali.
Le local où sont réfugiés les militaires ONU est pris sous le tir des armes des Rwandais, obligeant les Belges et les Ghanéens à se jeter sous les lits qui s'y trouvent et à se protéger derrière le cadavre du soldat belge décédé.
Ayant arrêté les tirs pour un moment, les Rwandais ordonnent aux Ghanéens de quitter le local par une fenêtre qu'ils ont cassée. Sous escorte les cinq Ghanéens rejoignent le Capt Apedo à l'E.S.M. où ils y rencontrent vers midi le Gén Dallaire et le Maj Maggen. Après avoir informé le général que les militaires belges sont frappés et lapidés, les Ghanéens sont reconduits sur ordre du général en véhicule à l'état-major de la Minuar où ils arrivent vers 12 h 30.
Entre-temps un caporal rwandais non identifié, voulant pénétrer dans le local des Belges, se fait arracher son fusil Kalashnikov par le Lt Lotin qui le tue à l'aide de son revolver (A 176 B 636).
L'attaque redouble de violence contre les militaires belges qui appellent le Col Nubaha au secours (B 649). Des bombes lacrymogènes sont lancées dans le local tandis que les Belges tirèrent avec la Kalashnikov.
Un fusil lance-grenades est amené sur place. Le Cpl Twahirwa aurait alors escaladé le toit du local pour y lancer, d'un trou pratiqué dans ce toit, des grenades défensives (A 176 B623). Le Capt Hategikimana, surnommé « Power » et le Lt Uzabakiriho, appartenant au bataillon de reconnaissance, auraient contribué à cette action.
D'après des témoins la résistance belge s'arrête entre 12 h 00 et 14 h 00 (VII 47; A 176; B 618-636; 652; 882).
L'Adj-chef Sebutiyongera prétend avoir quitté les lieux entre 12 h 00 et 13 h 00 à un moment où il y avait déjà cinq victimes belges (B 697).
G. Réunion à l'école supérieure militaire
Durant ces tragiques événements se déroule dans les locaux voisins de l'ESM la réunion convenue le soir précédent entre différents responsables politiques et militaires.
Initialement prévue chez l'ambassadeur des États-Unis, cette réunion se tiendra dès 10 h 00 dans un quartier militaire en raison de la présence de barrages en ville (V 1403).
Le Gén Dallaire quitte vers 10 h 00 son QG en véhicule en compagnie du Maj Maggen pour s'y rendre. Le Maj Maggen signale qu'il a entendu avant le départ une conversation entre le Gén Dallaire et un de ses adjoints, concernant le décès de deux ou trois observateurs ONU au camp de Kigali (A 216-335).
En cours de route, à hauteur du cabinet du ministre de la Défense nationale, ils changent de véhicule et montent dans une voiture conduite par un major de la gendarmerie rwandaise.
En passant devant l'entrée du camp de Kigali, le Gén Dallaire constate la présence de quelques militaires revêtus de l'uniforme belge allongés sur le sol. Il déclare qu'il a ordonné au chauffeur d'arrêter le véhicule en vue de se rendre sur place, ce qui lui fut refusé par le chauffeur prétextant que les troupes au camp étaient hors de contrôle et que leur sécurité serait en danger (D 1472; A 216).
Vers 11 h 15, ils rejoignent la réunion à l'E.S.M., bâtiment situé à 200 mètres du camp de Kigali.
La réunion est présidée par le Col Bagosora, directeur du cabinet du ministre de la Défense, qui a été informé dès 10 h 30 par le Col Nubaha, commandant du camp de Kigali, de la tension qui y régnait (B 687).
Le Col Bagosora promet de se rendre sur place et demande au Col Nubaha de retourner au camp pour « calmer les esprits ».
Une dizaine de minutes après le départ du Col Nubaha, les participants entendent des coups de feu provenant du camp. Certains se rendent à l'extérieur pour apprécier la situation (B 630).
Le nommé Ntamagezo, qui se trouvait dans la salle d'opérations à l'état-major, déclarera qu'en regardant par dessus le mur de l'enceinte, il avait constaté la présence de corps qui jonchaient le sol devant le bureau du commandant du camp. Il a alors téléphoné à l'E.S.M. où le centraliste lui a répondu que les participants à la réunion étaient au courant (B 695).
urteD'après le Gén Ndindiliyimana, le Gén Dallaire a rejoint la réunion environ 15 minutes après les coups de feu et fut informé de la situation générale par le Col Bagosora (D 873). À la fin de la réunion vers midi, le Gén Dallaire rencontre à l'extérieur du bâtiment les cinq Ghanéens et le Capt Apedo qui le mettent au courant des faits, à savoir que des militaires belges et ghanéens, transférés au camp de Kigali. avaient été frappés et lapidés (24 p. 10 doss 57/95).
Sur instruction du Gén Dallaire, ces 6 militaires sont emmenés dans son véhicule, en sa compagnie, vers le QG de la MINUAR où ils arrivent vers 12 h 30.
Le Gén Dallaire déclare qu'il est retourné ensuite au Ministère de la Défense où il a participé au comité de crise. Malgré ses demandes d'obtenir des renseignements sur le sort des Belges et de pouvoir se rendre sur place, il affirme qu'il n'a obtenu aucun renseignement concret, mais qu'interdiction lui fut donnée de se rendre au camp vu l'état de mutinerie qui y régnait (V 1382).
Le Maj Rugambaye prétend qu'à 15 h 00 on est venu lui dire que tout était terminé. Il a vu comment on a retiré quatre cadavres du local ONU et comment les victimes furent pillées (A 623).
Le Gén Dallaire croit qu'en début d'après-midi il fut averti par le Col Marchal que 13 Belges avaient été tués au camp de Kigali. Cette information ne pouvait à ce moment être vérifiée (D 1476).
Il précise également que vers 21 h 00 le Gén Ndindiliyimana a eu confirmation du décès des Belges et qu'en sa compagnie il s'est rendu à l'hôpital de Kigali où il découvre vers 23 h 15 les corps entremêlés de militaires belges qu'il croit correspondre à 11 dépouilles mortelles. La manière dont les corps étaient entassés ne lui aurait pas permis de déterminer le nombre exact de victimes, à savoir dix ou onze (B 875). »
Naast het dossier van het auditoraat-generaal ging de ad hoc-groep ook na welke bijkomende inlichtingen m.b.t. de gebeurtenissen van 7 april 1994 terug te vinden zijn in de documenten die ter beschikking werden gesteld door het ministerie van Landsverdediging en het ministerie van Buitenlandse Zaken. De ad hoc-groep stelde vast dat de informatie die deze documenten bevatten geen ander licht werpen op en ook niets toevoegen aan de beschrijving van de dramatische gebeurtenissen die zich die dag afspeelden, zoals ze werden weergegeven in het hierboven geciteerde verslag van de auditeur-generaal van 8 mei 1996.
Wel begaven twee leden van de ad hoc-groep zich naar Rwanda om zich ter plaatse te vergewissen van de omstandigheden waarin de tien Belgische blauwhelmen om het leven kwamen. Het topografisch verslag dat zij opstelden en de bevindingen die zij hierbij optekenden, is als bijlage van dit rapport gevoegd (bijlage 9).
Wie kennis heeft genomen van het dossier, kan slechts het hoofd buigen voor de nagedachtenis van tien moedige mannen die meerdere uren, bijna zonder wapen vochten voor hun leven tegen een overmacht van niets ontziende vijanden.
De Ad hoc-groep hoopt overigens dat onderhavig rapport in elk geval behulpzaam zal zijn bij het trekken van de nodige lessen die kunnen voorkomen dat dergelijke drama's zich in de toekomst opnieuw zouden voortdoen.
Tenslotte wil de ad hoc-groep de enorme moed onderstrepen van de tien Belgische para's : de Cpl Bruno Bassine, Cpl Alain Debatty, Cpl Christophe Dupont, Cpl Stéphane Lhoir, Cpl Bruno Meaux, Cpl Louis Plescia, Cpl Christophe Renwa, Cpl Marc Uyttebroeck, 1 Sgt Yannick Leroy en Lt Thierry Lotin.
4.8. Welke waren de problemen inzake informatie, logistiek, uitrusting en bewapening waarmee de UNAMIR-troepen in het algemeen en de Belgische UNAMIR-troepen in het bijzonder werden geconfronteerd ?
De ad-hocgroep Rwanda onderzocht deze vragen omdat zowel uit het verslag van de auditeur-generaal bij het Militair Gerechtshof van 8 mei 1996, als uit een vertrouwelijke nota van kolonel Marchal (opgesteld in mei 1995), kan worden afgeleid dat de dramatische gebeurtenissen die zich op 7 april 1994 afspeelden, misschien anders waren verlopen indien er van bij de aanvang van de operatie geen wezenlijke problemen waren gerezen inzake troepensterkte, informatie, bewapening en logistiek.
Zo wordt in het voornoemd verslag van de auditeur-generaal gesteld dat er onder de militairen twee meningen leven omtrent de vraag of een militaire actie mogelijk was die tot doel zou hebben gehad de tien Belgische blauwhelmen te ontzetten. Een aantal officieren meent dat dit mogelijk was door het samenvoegen van meerdere compagnies. Een meerderheid van officieren evenwel oordeelt dat zo'n operatie irrealistisch was, « dû à la vulnérabilité des effectifs dispersés, le rapport des forces, la faiblesse des moyens, la présence de barrages, rendant notamment l'accès à la base logistique impossible » (pagina 10). M.a.w. UNAMIR bezat onder andere onvoldoende troepen, uitrusting en bewapening om zo'n interventie tot een goed einde te brengen.
In de vertrouwelijke nota opgesteld door kolonel Marchal worden eveneens tal van klachten geuit m.b.t. de informatie, de logistiek en de bewapening. Hij stelt o.m. :
« Malgré ma demande, plusieurs fois réitérée, de recevoir des directives de la part des responsables de la conduite des opérations, je suis parti le 4 décembre 93 sans le moindre document concernant ma mission (même pas les Règles d'engagement ROE), sans la moindre recommandation verbale ou écrite. »
« En date du 15 janvier 1994, j'adresse au C Ops à Evere une question à laquelle je demandais une réponse rapide. Je souhaitais en fait recevoir des directives quant à l'attitude à adopter en cas de troubles nécessitant une évacuation du Rwanda. (...) Si les autorités militaires responsables avaient pris en considération ma demande du mois de janvier, avaient réfléchi au problème posé et étoffé quelque peu leur réflexion, peut-être aurais-je pu disposer le 7 avril d'un cadre d'appréciation différent. »
« (...) Ce que je ne peux ni comprendre, ni admettre c'est que malgré une analyse précoce et correcte de la situation, malgré le fait que fin février de nouveaux troubles graves ont secoué l'ensemble du pays, la Division des Opérations n'a pas été en mesure de satisfaire cette demande de munitions dans un laps de temps supérieur à deux mois. »
Na een ontleding van de beschikbare documenten komt de ad-hocgroep dienaangaande tot volgende bevindingen.
4.8.1. I.v.m. de troepensterkte en bewapening.
Op 8 september 1993 ontving onze ambassadeur bij de Verenigde Naties Noterdaeme vanwege de VN de informele vraag of België 800 manschappen zou kunnen leveren voor een VN-vredesoperatie in Rwanda. Deze zouden deel uitmaken van de VN-vredesmacht van 2 548 manschappen waartoe de VN-Veiligheidsraad bij resolutie nr. 872 op 5 oktober 1993 zou beslissen. Oorspronkelijk waren de militaire experten van het VN-secretariaat op basis van een verkenningsmissie uitgevoerd onder leiding van generaal Dallaire tot de bevinding gekomen dat een vredesmacht van ongeveer 4 500 militairen noodzakelijk was.
Reeds op 22 september 1993 stelde toenmalig minister van Landsverdediging dat België wegens redenen van hoofdzakelijk financiële aard met geen 800, maar slechts 200 à 300 manschappen zou deelnemen aan de VN-vredesoperatie in Rwanda. Op 14 oktober 1993 ontving de generale staf de officiële vraag die door de Verenigde Naties aan België werd gericht i.v.m. een Belgische militaire bijdrage aan UNAMIR. Deze vraag betrof het zenden naar Rwanda van een bataljon van 800 manschappen die haar basis zou hebben in Kigali en wat de logistiek betreft volledig onafhankelijk zou kunnen opereren.
Het dossier dat de generale staf ten behoeve van de minister van Landsverdediging en de ministerraad voorbereidde, ging evenwel uit van 600 manschappen en 22 rupsvoertuigen. Dit voorstel steunde op het verslag uitgebracht door een verkenningseenheid die van 26 oktober tot 1 november 1993 in Rwanda vertoefde.
Uiteindelijk besliste de ministerraad op 19 november 1993 na een voorbereidende vergadering van een beperkt ministercomité op 10 november 1993, 370 manschappen te zenden. De ministerraad voegde er de mogelijkheid aan toe het aantal op te drijven tot 450 als de veiligheid van de troepen dit mocht vereisen. In concreto zullen afwisselend 420 tot 430 Belgische blauwhelmen in Rwanda operationeel zijn, waarvan iets meer dan 400 manschappen het Belgisch bataljon te Kigali zullen vormen. Hoe kwam de beslissing inzake het aantal tot stand ? Hoe werd daarbij rekening gehouden met het probleem van de veiligheid van de Belgische troepen ?
Volgende documenten zijn terzake relevant.
Dossier van 21 oktober 1993 van de generale staf aan de minister van Landsverdediging (zonder referenties) waarin wordt voorgesteld positief te antwoorden op de vraag van de Verenigde Naties om in het kader van UNAMIR 800 manschappen naar Rwanda te sturen. De nota bevat geen overwegingen over de wenselijkheid, het nut of de problemen hieraan verbonden, terwijl de bijlage bij de nota een kostprijsberekening van de operatie omvat gebaseerd op 600 manschappen.
Dossier van 10 november 1993 van de generale staf aan de minister van Landsverdediging, (JSO-P 033578) meer bepaald de « mémo justificatif d'un besoin opérationnel ». Deze nota die nog steeds uitgaat van een zending van 600 manschappen, stelt in punt 2 dat de gevraagde troepen, zijnde een bataljon bestaande uit vier « sous-unités dont une équipée de véhicules blindés transporteurs de troupe », noodzakelijk zijn. Deze laatste zou dienst doen als QRF (Quick Reaction Force) omschreven in de nota als « élément d'intervention apte à répondre à toute situation critique » en « (...) apte à intervenir d'urgence ».
De nota vervolgt in punt 3 d. dat « Toute diminution du volume de cette force d'action obligera nécessairement à négliger l'une ou l'autre des composantes (... ). Un tel état des choses est susceptible de faire dégénérer très rapidement une situation rendue potentiellement instable par la présence des éléments suivants :
1. camp de réfugiés à l'intérieur du Secteur (RUTONGO),
2. profusion d'armes et de munitions,
3. confrontation entre les différentes tendances,
4. provocations de la part des mouvements extrémistes hutus ».
Punt 4 van de nota vervolgt « Il est à noter que les effectifs ont été calculés au plus juste ».
In het verslag van de verkenningseenheid « Recce UNAMIR » van 2 november 1993, eveneens gevoegd bij het dossier van 10 november 1993, wordt in punt 2 d. ook het probleem aangesneden van de andere buitenlandse troepen (Bangladeshi en Ghanezen) die naast de Belgische zullen opereren. Het verslag meldt « impression défavorable laissée lors du briefing avec le Pers. Force H.Q. ».
Nota van 12 november 1993 van JS aan de minister van Landsverdediging met kopij aan het Militair Huis van de Koning (JSS-Srt L-7287) waarin deze zich verzet tegen het voornemen slechts twee compagnies met twee pelotons, hetzij 370 manschappen te zenden. « Il s'agit finalement (...) de la sécurité des soldats que nous enverrons là-bas, je me refuse de cautionner la faisabilité militaire de cette solution ».
Het minimum minimorum dat nodig is om de helft van het UNAMIR-bataljon te Kigali te leveren, is, zo stelt JS, twee compagnies met drie pelotons, hetzij 442 manschappen.
Telex nr. 1135 van 15 november 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel, meer bepaald punt 5 (zie punt 4.3.) waaruit blijkt dat o.a. budgettaire redenen niet toelieten meer Belgische militairen in te zetten en men er zich van bewust was dat een ander land een geloofwaardige troepenbijdrage zou moeten leveren om in te staan voor de veiligheid te Kigali.
Uiteindelijk zal het UNAMIR-bataljon te Kigali, waarvan het oorspronkelijk in de bedoeling van de VN en de legerleiding lag het volledig met Belgische militairen te bemannen, deels om politieke motieven (het verzet van president Habyarimana en van de extreme Hutu-partijen zie punt 4.1.), deels om budgettaire redenen bestaan uit iets meer dan 400 Belgen (genaamd KIBAT) die naast de logistiek met twee compagnies zullen instaan voor het centrum en het noorden van Kigali, incluis de luchthaven (die eerst was toegewezen aan de Bangladeshi), 370 Bangladeshi (genaamd RUTBAT) die het zuiden van Kigali en de QRF (Quick Reaction Force) zullen bemannen en een compagnie van 60 Tunesische militairen. Vanaf 22 maart 1994 zullen daar nog ongeveer 225 Ghanezen (genaamd BYUBAT) aan worden toegevoegd die oorspronkelijk gestationeerd waren in de gedemilitariseerde zone in het noorden van Rwanda.
Het besluit om de QRF aan de Bangladeshi toe te vertrouwen, daar waar oorspronkelijk voorzien was ook de Belgische blauwhelmen met deze opdracht te belasten, was het rechtstreeks gevolg van de initiële beslissing om slechts een half bataljon Belgische blauwhelmen (van ongeveer 400 manschappen) i.p.v. een volledig bataljon te zenden.
(zie verklaringen Gen. Dallaire dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof 5 maart 1996 Kaft vertaligen Ebis 67 punt 60).
Over de vraag of de 370 Bangladeshi en de 60 Tunesiërs, later aangevuld met de 225 Ghanezen het « tweede geloofwaardig buitenlands contingent » vormden waarover zowel België, de VN als tal van Rwandese middens het hadden voor de ontplooiing van UNAMIR, vond de ad-hocgroep volgende gegevens in de onderzochte documenten, gegevens die de commissie in staat moeten stellen ook omtrent deze vraag een oordeel te vellen.
Uit de documenten blijkt dat er reeds voor de ontplooiing van de Belgische UNAMIR-troepen twijfels rezen over de operationaliteit van de andere buitenlandse troepen. Zo heeft het reeds hierboven geciteerde verslag van de verkenningseenheid « Recce UNAMIR » van 2 november 1993, dat deel uitmaakte dossier dat de generale staf ten behoeve van de besprekingen in de schoot van de Belgische regering aan de minister van Landsverdediging toezond, het overspatieen « impression défavorable laissée lors du briefing avec le Pers. Force H.Q. » (documenten JSO-P 033578).
In het C Opsverslag van 9 november 1993 wordt eveneens gemeld dat de verkenningseenheid heel wat vragen had aangaande de integratie van de vreemde troepen in het Kigali-bataljon.
Minder dan drie weken na de ontplooing van de Belgische UNAMIR-troepen wordt ook in de coördinatievergaderingen van het ministerie van Buitenlandse Zaken en het ministerie van Landsverdediging het probleem aangekaart: « Les troupes du Bangladesh seront au nombre de 400 dès demain, mais le commandant de bataillon n'arrivera pas avant Noël; ses soldats n'ont pas l'intention de débuter leur mission avant son arrivée; leur équipement est minimum. ».
(notulen van de coördinatievergadering Buitenlandse Zaken Landsverdediging van 9 december 1993 punt 1).
Enkele weken later luidt het in een info van 31 december 1993 van SGR (kwalificatie B) : « Toutes les troupes (...) qui font partie de cette mission ONU sont arrivées, mais pour la plupart elles sont très mal organisées, hormis les Belges (...). Les détachements des autres nations sont très mal équipés; ils ne sont pas opérationnels, certaines troupes sont venuespresque sans armement ! » (documenten SGR nr. 1232 e.v.).
In een rapport van 28 januari 1994 van kolonel Marchal aan C Ops wordt gesteld: « Je dois reconnaître que notre partenaire au sein du Secteur KIGALI n'est pas fiable. »
(documenten C Ops nr. 1526 in dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Kaft onderzoek D Not. nr. 01 00009.95 1376).
Ook in het reeds hierboven geciteerde rapport van 30 januari 1994 van kolonel Marchal aan C Ops (zie punt 4.6.) worden de troepen die naast de Belgische blauwhelmen opereren in elk geval van weinig of geen nut genoemd.
Opnieuw tijdens één van de coördinatievergaderingen van het ministerie van Buitenlandse Zaken en het ministerie van Landsverdediging, meer bepaald op 3 februari 1994, luidt het: « Les responsables belges des casques bleus se plaignent du manque d'efficacité des troupes du Bangladesh qui doivent être sytématiquement « doublées » par des Belges ».
(notulen van de coördinatievergadering Buitenlandse Zaken-Landsverdediging van 3 februari 1994 eerste paragraaf).
België wist derhalve van bij de aanvang dat naast het beperkt Belgisch contingent er geen tweede geloofwaardige buitenlandse troepenmacht in Rwanda aanwezig was. Dat men zich hiervan heel goed bewust was, blijkt uit andere punten van de reeds hierboven aangehaalde notulen van de coördinatievergaderingen die iedere week werden gehouden tussen het ministerie van Landsverdediging en het ministerie van Buitenlandse Zaken, vergaderingen waarop overigens ook een afgevaardigde van de eerste minister aanwezig. Tot viermaal toe, met was name op 2 december 1993, 16 december 1993, 23 december 1993 en op 13 januari 1994, kwam het punt van de ontplooiing van een ander Europees, meer bepaald Oostenrijks contingent ter sprake. Zoals blijkt uit het verslag van het bezoek dat minister Delcroix op 18 februari 1994 aan de Oostenrijkse minister van Defensie Mock bracht, werden ook na 13 januari nog inspanningen geleverd om Oostenrijk ertoe te bewegen snel een troepenmacht van 150 à 200 manschappen te leveren.
(documenten SGR nr. 2828).
Wat de bewapening betreft beschikten de Belgische blauwhelmen in Rwanda over lichte wapens (FNC en MINIMI). Wel hadden de Belgische troepen naast lichte vrachtwagens van het type UNIMOG en MANN en jeeps van het type ILTIS waarop mitrailleurs MAG 7.62 konden worden bevestigd, (hoewel er twijfel blijft bestaan of op het ogenblik van de gebeurtenissen om welke reden dan ook alle jeeps wel waren uitgerust met de nodige affuiten), twee lichte helikopters en zes CVRT (twee Scimitars met 30mm-kanon evenwel zonder munitie en vier Spartans met mitrailleurs MAG 7.62).
Van die zes pantservoertuigen waren er echter slechts vier operationeel. Overigens werd gepland een aantal techniekers naar Kigali te laten afreizen om de bewapening van de CVRT opnieuw op punt te stellen. Deze zouden op 9 maart 1994 toegekomen zijn, hoewel een verzoek hiertoe door de commandant van KIBAT begin april werd herhaald.
(zie C Opsverslagen van 7 februari en 5 april 1994 en briefing van 18 maart 1994 bijlage D documenten C Ops nrs. 2163 en 5844 en documenten SGR nr. 3464).
Bovendien waren er bij de manschappen die naar Rwanda werden gezonden ook maar een of twee speciaal daartoe opgeleide bemanningen voorzien.
(dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Kaft onderzoek A Not. nr. 01.00 009.95 271).
Twee CVRT werden gebruikt voor de beveiliging van de vlieghaven, één à twee voor de beveiliging van het parlement en één voor de beveiliging van de commandopost, hoewel door het ontbreken van de nodige munitie en door een gebrek aan speciaal opgeleide bemanningen de CVRT eerder « figuratie » waren dan een instrument van « beveiliging ».
(dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Not. nr. 01 00009.95 Kaft onderzoek A 95).
De QRF (Quick Reaction Force) van zijn kant waarvoor de Bangladeshi instonden, beschikte over acht Armoured Personnel Carriers (APC) BTR-80 van Russische makelij. Dat voor dit materiaal werd gekozen zou o.m. het gevolg zijn geweest van de wens van generaal Dallaire om over pantservoertuigen op wielen te beschikken en niet op rupsen.
(dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Not. nr. 01 00009.95 Kaft onderzoek A 365).
Het reeds hierboven vermelde rapport « The Joint Evaluation of Emergency Assistance to Rwanda » van maart 1996 kwam evenwel tot een geheel andere bevinding. Geen enkel land was bereid een gewapende eenheid met APC's te leveren, zodat de UNO derhalve verplicht was « to search for left-overs from other UN operations (and did scrounge 8 APCs from Mozambique) ».
(voetnoot 68 van deel 2 van het rapport « The Joint Evaluation of Emergency Assistance to Rwanda » op. cit.).
Welke ook de reden moge geweest zijn waarom de QRF met BTR-80 diende te opereren, reeds in zijn « First impression report » op 8 december 1993 laat kolonel Marchal aan C Ops zijn ongerustheid blijken over het feit dat de QRF niet binnen de eerste twee maanden operationeel zal zijn. Hij meldt dat hij graag ook deze taak aan KIBAT zou willen toevertrouwen.
(documenten C Ops nr. 24133 in dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Kaft onderzoek D Not. nr. 01 00009.95 1320).
In een van zijn wekelijkse rapporten aan het VN-hoofdkwartier in New-York op 5 april 1994 stelt de speciale VN-vertegenwoordiger Booh Booh van zijn kant, dat hoogstens vijf van deze voertuigen operationeel konden worden genoemd, terwijl er geen mechanische onderdelen en evenmin vervangingsstukken ter beschikking waren.
(dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Kaft onderzoek A Not. nr. 01 00009.95-262).
Achteraf werd dit bevestigd door generaal Dallaire, Kolonel Marchal en andere officieren die verklaarden dat de QRF of de « reserve » zoals ze werd genoemd nooit gebruikt is geweest onder de vorm van een compagnie met al zijn middelen. « Elle n'était pas vraiment Ops, elle était formée de bric et de broc. Lors des événements, elle était toujours à l'Instr. J'ai d'ailleurs adressé une note au Général DALLAIRE disant une telle Sit: quand un pays s'engage à fournir des Tp, elles doivent être Ops. »
(dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Kaft onderzoek A Not. nr. 01 00009.95 311, Kaft vertalingen Ebis 67 punt 61 en Kaft onderzoek C Not. nr. 01 00009.95 997 e.v.).
Dit wordt bevestigd door het hoger reeds geciteerde rapport « The Joint Evaluation of Emergency Assistance to Rwanda/: « The APCs assembled from the UN operation in Mozambique rapidly broke down. As UNAMIR had no repair facilities, only one was operational by the time of the April 6 crisis ».
(voetnoot 68 van deel 2 van het rapport « The Joint Evaluation of Emergency Assistance to Rwanda » op. cit.).
Vanaf de gewelddadige incidenten voor het parlementsgebouw op 8 januari 1994 en de tegen de Belgische blauwhelmen geuitte bedreigingen wordt het voor de UNAMIR-troepen duidelijk dat zij niet over een adequate bewapening beschikken. In het logistiek centrum is een beperkte hoeveelheid munitie voorhanden (o.m. granaten, mortieren van verschillend kaliber, munitie voor MAG en FNC, LAW-anti-tank voor de korte afstand) die zowat dertig à veertig procent bedraagt van de « basic load » die normaal bij een operatie wordt meegenomen. De Belgische blauwhelmen beschikken bovendien over lanceerders om MILAN-anti-tankraketten voor de lange afstand af te vuren, maar de raketten zelf ontbreken.
(Dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Kaft onderzoek IV Not. nr. 02 02545.94 897 e.v.)
In elk geval wordt dit onvoldoende bevonden om bijvoorbeeld een succesvolle evacuatieoperatie tot een goed einde te brengen. Het hoofd van de UNAMIR-troepen in Kigali, kolonel Marchal richt dan ook een verzoek tot C Ops om vanuit België bijkomende munitie en wapens over te zenden, waaronder MILAN-anti-tankraketten en 30 mm munitie voor de CVRT. Uiteindelijk zal de gevraagde munitie Kigali niet bereiken voor de dramatische gebeurtenissen van 6 en 7 april 1994.
Achteraf zullen bijna alle Belgische officieren verklaren dat op 7 april geen operatie kon worden opgezet om de tien Belgische blauwhelmen, de groep Lotin, te ontzetten o.m omdat zware anti-tankmunitie ontbrak en de CVRT niet beschikten over de gevraagde munitie.
(Dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Not. nr. 01 00009.95 Kaft onderzoek A 83, 93, 101, 112, 135, 138.)
De ad hoc-groep ging na wat hierover in de onderzochte documenten terug te vinden is.
Operatieorder van 19 november 1993 van de generale staf aan verschillende bestemmelingen waarbij in bijlage D de directieven inzake de logistiek worden medegedeeld. App. 6 van bijlage D geeft de munitie weer die naar Rwanda zal worden vervoerd. In de lijst is er geen sprake van de 30 mm munitie voor de CVRT, terwijl o.a. de zware mortieren (81 mm) en de voorziene MILAN-anti-tank-raketten (32 in totaal) op de listing werden geschrapt.
(Documenten C Ops nr. 22387.)
Rapport van 15 januari 1994 van kolonel Marchal aan C Ops waarbij in punt 4 verwijzend naar het in voorbereiding zijnde evacuatieplan en naar het probleem van de verdediging van de luchthaven bijkomende munitie wordt gevraagd. « À cet effet, j'ai demandé au FC à pouvoir faire venir de BE des Mun mieux adaptées à ma mission de Def d'un aérodrome et de ses voies d'approche. Il n'y est pas opposé, mais a demandé que j'introduise une demande officielle qui sera transmise à New York. Ce sera fait dans les meilleurs délais. J'enverrai simultanément copie de ce Doc au C Ops de manière à activer la procédure d'envoi ».
(Dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Kaft onderzoek C 01 00009.95 1150).
Nota van 20 januari 1994 van kolonel Marchal aan Generaal Dallaire waarbij toestemming wordt gevraagd volgende munitie uit België te laten overkomen: « a. ATK AMMO MILAN (Medium distance 1900m), b. Light ATK Weapon (Short distance 150m), c. .50 inch rounds for MG, d. 30 mm rounds for CVRT's, e. 60 mm Mortar rounds ».
(Vertrouwelijke nota van kolonel Marchal mei 1995 bijlage B/Section 3.)
Nota van 28 januari 1994 van kolonel Marchal aan C Ops waarbij in punt 1 gesteld wordt « dans le cas d'une détérioration de la situation et d'une évacuation générale du pays, les mun en notre possession ne nous permettront pas de faire face aux menaces potentielles. (...) veuillez nous faire parvenir dans les meilleurs délais les coûts des mun rendues dont liste ci-dessous », waarna een lijst volgt van hoeveelheden MILAN, LAW, .50, CVRT 30 mm, 60 mm enz. die worden gevraagd. Op het document staat naast de stempel van C Ops, het woord « dringend ».
(Documenten C Ops nr. 1599 in dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Not. nr. 01. 00009.95 Kaft onderzoek B 785 en Kaft onderzoek D 1380.)
Nota van 14 maart 1994 van kolonel Marchal aan C Ops waarbij in punt 3 aangedrongen wordt op levering van de gevraagde munitie. « En ce qui concerne la commande de Mun pour la Def de l'aéroport de Kigali quelles sont les raisons qui empèchent l'envoi de ces Mun à Kigali ? Pourriez vous traiter ce dossier en URGENCE ».
(Dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Kaft onderzoek C Not. nr. 01 00009.95 939.)
C Opsverslag van 15 maart 1994 waarbij gemeld wordt : « Sect Comd vraagt de reden waarom geen Mun kan geleverd worden voor de Def van het vliegveld van KIGALI. Aktie JSO-P/Ops en Tak 4 »
(Documenten C Ops kopij zonder nummering.)
Fax van 28 maart 1994 van C Ops aan Div Log waarbij opdracht wordt gegeven tegen 20 april 1994 een hoeveelheid munitie 30 mm te leveren voor KIBAT II.
(Dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Kaft onderzoek II Not. nr. 02 02545.94 118.)
C Opsverslag van 31 maart 1994 waarbij gemeld wordt : « KIBAT (2Cdo) vraagt de aanvulling van haar dotatie eenheidsMun evenals bijkomende Trg Mun kleine wapens. Actie Tak 4 » .
(Documenten C Ops nr. 5612.)
C Opsverslag van 1 april 1994 waarbij gemeld wordt dat « De door KIBAT gevraagde Trg Mun zal met de C-130 van 20 Apr geleverd worden (...). ».
(Documenten C Ops nr. 5672.)
C Opsverslag van 5 april 1994 waarbij gemeld wordt : « Reçu demande de Mun pour Eq EOD (Action Br 4). »
(Documenten C Ops nr. 5844.)
De ad hoc-groep ging ook na wat hierover na de dramatische gebeurtenissen door de betrokken officieren aan het auditoraat-generaal werd verklaard. kolonel Marchal, de Comd Sector Kigali herhaalde meerdere malen dat ondanks zijn aandringen hij nooit enig antwoord ontving op zijn vraag voor bijkomende munitie. Admiraal Verhulst, de JSO, van zijn kant verklaarde dat het in elk geval niet de schuld van C Ops was als er in deze zaak tijd verloren ging, gezien C Ops einde januari met bijkomende inlichtingen geantwoord had op de vraag voor bijkomende munitie en dat midden maart C Ops telefonisch aan de kolonel Marchal had laten weten dat de vraag bij New York diende te worden ingediend.
(Dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Not. nr. 01 00009.95 Kaft onderzoek A 307, 312 en 364.)
De ad hoc-groep heeft vastgesteld dat er in de verslagen van het operationeel centrum van het leger te Evere (C Ops) maar éénmaal sprake van de munitie is geweest die door kolonel Marchal werd gevraagd met name in het hogervermeld verslag van 15 maart 1994. Als gevolg hiervan werd twee weken later op 28 maart 1994 opdracht gegeven aan de logistieke diensten om een deel van de gevraagde munitie, met name de obussen 30 mm voor de CVRT (SCIMITAR) te leveren. In tegenstelling tot wat meerdere Belgische officieren ter plaatse dachten en achteraf aan het auditoraat-generaal verklaarden, werd deze levering niet uitgevoerd met de C-130-vlucht die op 6 april 1994 zou landen op de luchthaven van Kigali en die ingevolge de aanslag op het presidentiële vliegtuig werd omgeleid naar Naïrobi, maar was ze gepland voor de vlucht van 20 april 1994. De vlucht van 6 april 1994 vervoerde overigens geen munitie.
(Dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Kaft onderzoek B Not. nr. 01 00009.95 784 en Kaft onderzoek C Not. nr. 01 00009.95 915 e.v.)
Uiteindelijk zullen zich in de munitie die door Belgische blauwhelmen (KIBAT) op 19 april werd overgedragen aan de Ghanese blauwhelmen 720 obussen 30 mm bevinden.
(Dossier auditoraat bij het Militair Gerechtshof Kaft onderzoek B Not. nr. 01 00009.95 786.)
Deze munitie werd klaarblijkelijk ter beschikking van KIBAT gesteld tijdens de operatie SILVER BACK-BLUE SAFARI. Zij werd vanuit Keulen naar Naïrobi overgevlogen op 10 en 11 april 1994. Er bestaan evenwel geen overgave-overname documenten tussen de Bde ParaCdo en KIBAT die de overdracht van deze munitie bevestigen.
4.8.3. I.v.m. de logistiek en de huisvesting
De Belgische UNAMIR-troepen zijn op 18 november 1993 vanuit België naar Rwanda overgevlogen zonder dat vooraf een bevredigende oplossing was gevonden voor hun logement. Uiteindelijk zullen de Belgische blauwhelmen in niet minder dan veertien verschillende kantonnementen worden ondergebracht, die verspreid lagen over het gehele grondgebied van Kigali. Sommige van deze kantonnementen waren gewone private woningen waarin hoogstens vijf à zes personen konden worden gehuisvest. Uiteraard zorgde dit voor heel wat logistieke moeilijkheden. Meer nog, het bracht ook heel wat problemen inzake veiligheid met zich mee o.m. i.v.m. de bewaking van deze kantonnementen, waardoor minder manschappen konden worden vrijgemaakt voor de eigenlijke patrouilles.
Als bijlage wordt de lijst medegedeeld van de kantonnementen, hun codenaam, hun beschrijving en de eenheid en het aantal personen die er werden gehuisvest (bijlage 10). Op vraag van de commissieleden kan ook een plan van Kigali ter beschikking worden gesteld met de aanduiding waar de juiste inplanting lag van deze kantonnementen, zodat ze zich een idee kunnen vormen van de operationele moeilijkheden die hiermee gepaard kunnen gaan zeker wanneer tot een hergroepering moest worden overgegaan of wanneer de omstandigheden tot zo'n hergroepering noodzaakten.
Terzake vond de ad hoc-groep volgende aanwijzingen in de onderzochte documenten.
C Opsverslag van 6 december 1993 waarbij de voorstellen inzake huisvesting aan de generale staf (JSO-P) worden overgemaakt en wordt medegedeeld dat deze geen bezwaren heeft tegen de voorgestelde inplantingen.
(Documenten C Ops nr. 23869.)
SITREP van 9 december 1993 van UNAMIR aan C Ops waarbij gemeld wordt dat de Belgische blauwhelmen over elf verschillende kantonnementen zullen worden verspreid.
(Documenten SGR nr. 1226 e.v. en documenten C Ops nr. 24186.)
Rapport van 19 december 1993 van Comd Sector Kigali aan C Ops waarbij in het punt « diversen » gemeld wordt dat de problemen van KIBAT inzake hun kantonnementen blijven aanslepen.
(Documenten C Ops nr. 24923 in dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Kaft onderzoek D Not. nr. 01 00009.95 1337.)
Info van 31 december 1993 van SGR (kwalificatie B) meldt dat één van de grote problemen waarmee de Belgische blauwhelmen te kampen hebben de huisvesting is.
(Documenten SGR 1232 e.v.)
C Opsverslag van 3 februari 1994 waarbij aan de Comd KIBAT gevraagd wordt het aantal kantonnementen voor zijn verschillende eenheden zo snel mogelijk te verminderen.
(Documenten C Ops nr. 1949.)
C Opsverslag van 10 februari 1994 waarbij gemeld wordt dat de CAO (Chief Administration Officer) er de voorkeur aan geeft een aantal kantonnementen onder te brengen in zelf te bouwen modules naar het voorbeeld van wat in Somalië geschiedde (SOMALODGE) en waardoor het aantal kantonnementen van 14 naar 10 zou kunnen worden verminderd.
(Documenten C Ops nr. 2416.)
C Opsverslag van 11 februari 1994 waarbij gemeld wordt dat een verkenningseenheid (Recce Techn Gn) naar Kigali zal afreizen om KIGALODGE voor te bereiden.
(Documenten C Ops nr. 2495.)
C Opsverslag van 7 maart 1994 waarbij wordt gemeld dat de generale staf instemt met KIGALODGE, dat zoveel mogelijk met materialen van ter plaatse en met plaatselijke handarbeiders zou moeten worden gebouwd.
(Documenten C Ops nr. 3974.)
C Opsverslag van 11 maart 1994 waarbij de CAO zijn akkoord betuigt met de bouw van KIGALODGE voor 120 personen.
(Documenten C Ops nr. 4313.)
C Opsverslag van 17 maart 1994 waarbij gemeld wordt dat de schriftelijke verklaring werd ontvangen m.b.t. de tussenkomst van de VN.
(Documenten C Ops nr. 4687.)
C Opsverslag van 21 maart 1994 waarbij gemeld wordt dat het materiaal voor KIGALODGE zal geleverd worden op 23 maart 1994.
(Documenten C Ops nr. 4928.)
C Opsverslag van 24 maart 1994 waarbij planning voor KIGALODGE wordt medegedeeld.
(Documenten C Ops nr. 5206.)
Rapport van 30 maart 1994 van Lt Col Comd Leroy aan de generale staf (JSO) hierboven reeds geciteerd onder 4.6. waarbij in punt 2 a. van bijlage B de enorme logementsproblemen worden aangehaald waarmee de Belgische blauwhelmen af te rekenen hadden.
4.8.4. I.v.m. de verzameling van informatie
Gezien UNAMIR een « peace keeping » en geen « peace making/-operatie was, voorzag de VN niet in een bijzondere dienst in Rwanda die zich zou inlaten met het inzamelen en verwerken van informatie om alzo de toestand op het terrein beter te kunnen evalueren en de omgeving waarbinnen de UNAMIR-troepen dienden te opereren sneller en accurater te kunnen beoordelen. In het kader van UNAMIR waren in Rwanda wel twee inlichtingenofficieren aanwezig, met name kapitein Claeys op het niveau van de « force » (G2) en lieutenant Nees op het niveau van KIBAT (S2). Er was geen personeel voorzien op het tussenliggend niveau, namelijk dat van de « sector ».
Lt. Nees kwam samen met de andere Belgische blauwhelmen in Kigali aan op 18 november 1993 en oefende zijn functie uit tot zijn terugkeer op 21 maart 1994, waarna hij werd opgevolgd door lt. Decuyper van het 2 Cdo Para. Daar waar hij bij het begin van zijn opdracht vooral informatie verzamelde bij de Belgen ter plaatse, wendde hij achteraf informatie aan verkregen bij een vijftal Rwandese informanten, nadat hij vanwege de sector de toelating verwierf ze te vergoeden. Waar hij eerst mondeling verslag uitbracht bij de Comd. van KIBAT, zal hij deze vanaf 15 januari 1994 in totaal 29 geschreven rapporten laten geworden, die meestal samen met de zogenaamde SITREP werden overgemaakt aan de sector en aan het C Ops te Evere. Na het vertrek van lt. Nees werd het kleine netwerk van informanten door zijn opvolger afgebouwd.
(Dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Kaft onderzoek C Not. nr. 01 00009.95 899 e.v., 945 e.v. en 1303.)
Naast het kleine netwerk van informanten opgebouwd door lt. Nees ontvingen sommige onderdelen van UNAMIR ook rechtstreeks informatie van informanten. Dit was o.m. het geval met de hierboven reeds aangehaalde « Jean-Pierre » (zie punt 4.3.) die niet tot het netwerk van lt. Nees behoorde, maar die in rechtstreeks contact stond met de Comd Sector Kigali, met name kolonel Marchal. Tenslotte werd vanuit Rwanda ook informatie overgemaakt t.b.v. de SGR door Maj. Podevijn van de QG Force. Ook de MTS-CTM stuurde rechtstreeks inlichtingen door aan de SGR, terwijl ook de telexen die de Belgische ambassade in Kigali richtte aan het ministerie van Buitenlandse Zaken in Brussel een belangrijke bron van informatie vormden.
De ad hoc-groep ging na welke informatie de onderzochte stukken en documenten bevatten m.b.t. het inzamelen van informatie in het algemeen, het beschermen van de informanten en het opzetten van het informatienetwerk van lt. Nees in het bijzonder.
Briefing van 24 december 1993 van SGR aan C Ops meldt het probleem van een gebrek aan informatie. « Il éprouve des difficultés (...), dans son analyse de la situation, parce qu'il ne parvient pas encore à obtenir des Info fiables et exploitables ».
(Documenten SGR nr. 7290 e.v.)
Nota van 6 januari 1994 van lt. Nees aan Comd KIBAT waarbij voorgesteld wordt een klein informatienetwerk op te zetten gezien men noch van de « sector », noch van de « force » enige vorm van inlichtingen bekomt. Hij stelt voor een kleine maandelijkse vergoeding van 5 000 Rwandese frank te voorzien. Hij stelt naast een contactpersoon vijf informanten voor respectievelijk werkzaam bij de presidentiële wacht, de generale staf van het Rwandese leger, de Interahamwe, de MRND en de entourage van de in de akkoorden van Arusha aangewezen Eerste Minister. Op de zijkant van de nota staat in handschrift « Autorisé par JS pour 5 × 5 000Fr Rw. ».
(Dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Kaft onderzoek C Not. nr. 01 00009.95 1090.)
Briefing van 14 januari 1994 van SGR aan C Ops waarin het probleem wordt gemeld dat er te weinig bruikbare inlichtingen zijn. « L'UNAMIR est relativement désarmée face à l'organisation de milices comme celle des INTERAHAMWE. En effet, elle ne parvient que très difficilement à pénétrer la population locale pour obtenir des Info exploitables. ».
(Documenten SGR nr. 7298.)
Telex nr. 45 van 15 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel dat o.m. handelt over de bescherming van de informant, genaamd « Jean-Pierre » (zie hierboven punt 4.3). Gemeld wordt dat zowel de VS, Frankrijk als België afwijzend reageerden op de idee zoals gesuggereerd door de speciale VN-vertegenwoordiger Booh Booh om de informant in een van de betrokken landen op te vangen of asiel toe te kennen. Misschien, suggereerde de ambassadeur, kan onderzocht worden hem op te nemen in een VN-dienst in Tanzanië of Kenia.
Nota van 16 januari 1994 van kol. Marchal aan Comd KIBAT waarbij deze zijn toestemming geeft voor het opstarten van het informatienetwerk.
(Dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Kaft onderzoek C Not. nr. 01 00009.95 1092 e.v.)
Complément d'information van 2 februari 1994 van SGR aan verschillende bestemmelingen over de Interahamwe waarin in punt 2 e. gepleit wordt om bij operaties als deze in Rwanda een informatienetwerk op te zetten.
(Documenten SGR nr. 7346.)
Rapport van 10 februari 1994 van lt. Nees aan Comd Sector Kigali met kopij aan Comd KIBAT en C Ops waarbij betreurd wordt dat de enige bron van informatie voor KIBAT de inlichtingen zijn die verschaft worden door de informanten. Als reactie hierop is met handschrift op het document vermeld : « om dit te vermijden wordt een wekelijkse Inf vergadering georganiseerd op KSHQ ».
(Documenten SGR nr. 2323.)
Gezien echter door meerdere buitenlandse inlichtingendiensten geen toestemming werd verleend om de door hen aan de SGR ter beschikking gestelde documenten in te kijken, kon de ad hoc-groep niet nagaan in welke mate de informatie van de Belgische UNAMIR-troepen, het C Ops of het ministerie van Landsverdediging werd aangevuld met van deze bronnen afkomstige inlichtingen.
In elk geval stelde de ad hoc-groep bij het onderzoek van het geheel van de documenten vast dat er bij de operatie in Rwanda noch op het terrein, noch op het VN-hoofdkwartier en in onvoldoende mate ook bij de Krijgsmacht in het algemeen en bij de SGR in het bijzonder een capaciteit aanwezig was om de informatie die werd ontvangen en de inlichtingen die hiervan werden afgeleid te verwerken en om te zetten in operationele aanbevelingen.
4.9. Welke inlichtingen bevatten de geraadpleegde documenten m.b.t. de beslissing van de Belgische regering de Belgische UNAMIR-troepen uit Rwanda terug te trekken na de dramatische gebeurtenissen van 7 april 1994 ?
De beslissing om de Belgische UNAMIR-troepen uit Rwanda terug te trekken werd officieel genomen op de ministerraad van 15 april 1994. Beslist werd de modaliteiten van de terugtrekking onverwijld met de Verenigde Naties te onderhandelen en op punt te stellen. De beslissing werd door de minister van Buitenlandse Zaken per brief van 15 april 1994 aan de voorzitter van de VN-Veiligheidsraad overgemaakt. In deze brief, alsmede in een schrijven van diezelfde dag gericht aan de VN-secretaris-generaal bevestigt de minister niet alleen het standpunt van de Belgische regering om het Belgisch bataljon « en tout état de cause » en « sans délai » terug te trekken, maar bovendien beveelt hij aan de gehele UNAMIR-operatie stop te zetten. « Toutes les informations dont nous disposons renforcent notre appréhension que l'ensemble de la Minuar risque d'être exposé à des risques très graves et de rester impuissant devant une situation qui se détériore de plus en plus ». Hiermee bevestigde hij de brief die de permanente vertegenwoordiger van België bij de VN reeds op 13 april toezond aan de Voorzitter van de VN-Veiligheidsraad.
Informeel werd het besluit om de Belgische blauwhelmen uit Rwanda te laten vertrekken reeds door de minister van Buitenlandse Zaken aan VN-secretaris-generaal Boutros-Ghali in het vooruitzicht gesteld op 12 april 1994 tijdens een onderhoud in Bonn. In punt 3 van het verslag van de minister van Buitenlandse Zaken over dit onderhoud wordt gemeld dat de VN-secretaris-generaal de Belgische zienswijze bijtrad. « Je partage votre analyse » zo luidde volgens het verslag de reactie van VN-secretaris-generaal Boutros-Ghali (telex van 13 april 1994 van Minafet Brussel aan DelbelUNO New-York).
Volgens Boutros-Ghali evenwel was hij het niet eens met de Belgische beslissing: « I voiced my disagreement and asked that the Belgian troops at least leave their heavy weapons in Rwanda so they could be used by other UNAMIR contingents. » (inleiding van VN-secretaris-generaal Boutros-Ghali bij « The United Nations and Rwanda 1993-1996 » Blue Book Series Volume X par. 113).
Overigens was ook generaal Dallaire een tegenstander van het stopzetten van de operatie, net zoals kolonel Marchal, die in zijn vertrouwelijk rapport van mei 1995 overigens melding maakt van de gesprekken die hij als toenmalig hoofd van UNAMIR voor de sector Kigali had met de speciale VN-vertegenwoordiger Booh Booh en zijn raadgever de h. Kahn : « Je conserve un pénible souvenir de l'entrevue au cours de laquelle j'ai communiqué (...), que le gouvernement belge avait décidé de retirer son contingent, suite à l'assassinat de dix de ses Casques bleus. La réponse (...) fut cinglante et je ne suis pas prêt de l'oublier: parce que la Belgique a eu dix morts, elle se fout pas mal (textuel) des milliers de noirs qui vont être assassinés ».
Of de VN-secretaris-generaal nu al dan niet instemde met de Belgische beslissing blijft een open vraag. Uit de onderzochte documenten blijkt in elk geval dat vanaf 12 april vanuit het Belgisch ministerie van Buitenlandse Zaken een diplomatiek offensief werd ingezet om de leden van de VN-Veiligheidsraad en de landen die troepen leverden aan UNAMIR ervan te overtuigen de operatie in zijn geheel op te schorten. Hierbij werden alle betrokken Belgische ambassades ingeschakeld.
Uiteindelijk zal het onder druk van een aantal Afrikaanse landen, zogenaamde niet-gebonden landen, en het VN-secretariaat niet zo ver komen. Na lange discussies in de VN-Veiligheidsraad zal op 15 april 1994 een mededeling wereldkundig worden gemaakt waarin begrip wordt betoond voor de Belgische beslissing, maar waarin tegelijk de wil wordt kenbaar gemaakt van andere landen die troepen leveren om hun manschappen in Rwanda te houden (zie telex van 16 april 1994 van DelbelUNO New-York aan Minafet Brussel). Op 21 april 1994 zal de VN-Veiligheidsraad resolutie nr. 912 aannemen, waarbij in punt 8 tot een beperkte aanwezigheid van UNAMIR in Rwanda werd beslist.
In eigen land betwistte in elk geval niemand het regeringsbesluit om de Belgische blauwhelmen uit Rwanda te laten vertrekken. Integendeel, de moord op de tien para's had een zulkdanige schok veroorzaakt zowel bij de publieke opinie als bij alle politieke gezagsdragers, dat er over de partijgrenzen heen unanimiteit bestond om de Belgische troepen terug te trekken.
Zowel van de zijde van de regering als van de kant van de parlementsleden werd er de nadruk op gelegd dat de eerste bekommernis moest uitgaan naar de veiligheid van de Belgische manschappen en onderdanen, terwijl er heel wat minder aandacht werd besteed aan de gewelddaden die werden gepleegd, gewelddaden die overigens in het merendeel van de tussenkomsten in de parlementaire debatten omschreven werden als de zoveelste « etnische botsing ». Enkel in de openbare vergadering van 11 april 1994 van de commissie van Buitenlandse Betrekkingen van de Kamer van Volksvertegenwoordigers werd in één enkele tussenkomst de vraag gesteld : « Kunnen wij met gekruiste armen blijven toezien op een gekarakteriseerde genocide ? » (tussenkomst van de heer Eyskens Kamer van Volksvertegenwoordigers Handelingen van de openbare commissievergaderingen Buitenlandse betrekkingen 1993-1994 C 78 16).
In de plenaire vergadering van de Senaat van 22 april 1994 werd de vraag gesteld « Kan de wereldgemeenschap lijdzaam toezien hoe weerloze burgers worden afgemaakt (...) ? , terwijl een ander lid zijn bezorgdheid uit over de humanitaire catastrofe die hij aan de horizon ziet opduiken tengevolge van de beslissing van de VN-Veiligheidsraad om het contingent van UNAMIR te verminderen (tussenkomsten van de heren Van Wambeke en Bougard Senaat Parlementaire Handelingen 1993-1994 pag. 1915 tot en met 1931).
Hoewel derhalve de beslissing om de Belgische blauwhelmen uit Rwanda terug te trekken nauwelijks voorwerp was van discussie, ging de ad hoc-groep in de onderzochte documenten na wat de inlichtingen waren waarover de Belgische overheden toendertijd beschikten. Meer in het bijzonder ging de ad hoc-groep na welke informatie de Belgische overheden bereikte na 7 april 1994 en dit tot 19 april 1994, datum van het vertrek van de Belgische UNAMIR-troepen uit Rwanda.
Info van 7 april 1994 (22.30 uur) van SGR (kwalificatie B) waarin gemeld wordt dat er in de cités veel slachtingen aan de gang zijn.
(documenten SGR nr. 3692).
Telex van 7 april 1994 van Ambabel Washington aan Minafet Brussel waarbij het Amerikaanse State Departement de Belgische reactie vraagt op de gebeurtenissen in Rwanda en vraagt of wij kunnen instemmen met een wijziging door de UNO van de « rules of engagement », zodat de VN-vredesmacht in staat wordt gesteld buitenlanders in Rwanda te beschermen en te evacueren.
(documenten SGR nr. 4158).
Complément d'information van 8 april 1994 (18 uur) van SGR aan verschillende bestemmelingen spreekt van « (...) de véritables chasses à l'homme et à des exécutions sommaires.(...) Il est difficile de se faire une idée du nombre de victimes (...). Il se compteraient au moins par centaines et probablement par milliers (certaines sources font état de plus de 1 500 TUTSI déjà recensés comme tués à KIGALI). (...). La radio partisane « des Milles Collines » appelle au massacre. ».
(documenten SGR nr. 6992 e.v.).
SITREP van 8 april 1994 van de militaire attaché van de Franse ambassade in Washington overgemaakt aan SGR waarin melding wordt gemaakt van slachtingen binnen en buiten Kigali van Tutsis en opposanten van het Rwandese regime.
(documenten SGR nr. 4473 e.v.).
Complément d'information van 9 april 1994 (23 uur) van SGR aan verschillende bestemmelingen spreekt van « Les atrocités perpétrées par des Sdt (surtout la Garde Présidentielle, qui serait régulièrement accompagnée de miliciens probablement INTERAHAMWE, du MRND, et IMPUZAMUGAMBI, de la CDR) se poursuivraient également, surtout envers les TUTSI, mais également envers des HUTU de l'opposition. (...). Il est extrêmement hasardeux de vouloir évaluer le nombre de victimes parmi la population locale, mais elles doivent (...) se monter à plus de 10 000. ».
(documenten SGR nr. 6953 e.v.).
Complément d'information van 10 april 1994 (20.30 uur) van SGR aan verschillende bestemmelingen dat bericht dat in Gisenyi « (...) les civils Hutus qui se livraient à une véritable massacre de Tutsis ».
(documenten SGR nr. 6939).
Complément d'information van 10 april 1994 (22.15 uur) van SGR aan verschillende bestemmelingen dat stelt : « l'info confirme nos craintes qu'un affrontement extrêmement violent se produise dès que les forces rwandaises en présence seront « entre elles ».
(documenten SGR nr. 6903 e.v.).
Info van 10 april 1994 (22.20 uur) van SGR (kwalificatie B-2) waarin gemeld wordt « que tous les Tutsi, que les Hutus trouvent, sont massacrés ».
(documenten SGR nr. 3682).
Complément d'information van 10 april 1994 (23.59 uur) van SGR aan verschillende bestemmelingen dat de informatie herneemt over Gisenyi en over Kigali meldt « À Kigali a eu lieu un véritable bain de sang, commis par la Garde Présidentielle et les milices Interahamwe. La ville est jonchée de milliers de cadavres (...). ».
(documenten SGR nr. 6897).
Info van 12 april 1994 (9.40 uur) van SGR (kwalificatie B-2) waarbij omstandig de massale slachtingen beschreven worden door knokploegen die aangevoerd worden door vrachtwagens van het leger en de rijkswacht. Tevens wordt gemeld dat zich een tweeduizendtal vluchtelingen bevinden in de school onder de hoede van de Belgische blauwhelmen. De ad hoc-groep merkt op dat het hier wellicht de school Don Bosco betreft waar zich een van de grote kantonnementen van de Belgische UNAMIR-troepen bevond.
(documenten SGR nr. 3664).
Complément d'information van 12 april 1994 (24.00 uur) van SGR aan verschillende bestemmelingen waarbij in punt 1 e wordt gesignaleerd : « Il se confirme que les bandes de jeunes miliciens « INTERAHAMWE » et « IMPUZAMUGAMBI » (du MRND et de la CDR) étaient bien les acolytes des Tp des FAR (surtout Garde Présidentielle) qui se sont livrées à des exactions et des massacres. Ces jeunes étaient transportés vers les endroits où ils pouvaient se rendre « utiles » par des Veh des FAR ou de la Gd Nat. ».
(documenten SGR nr. 6828 e.v.).
Tenslotte is er de briefing van 22 april 1994 over het verloop van de operatie « Silver Back » op 14 april 1994 en over de terugtrekking van KIBAT op 19 april 1994. Zij bevat een beschrijving van de toestand in Rwanda die er geen twijfel meer over liet bestaan dat een genocide op gang was gekomen. « Le 17 et le 18 avr 94. (...) À Kigali les combats se poursuivent et les massacres de civils dans les zones non encore contrôlées par le FPR également. Le 19 avril 94. (...) On signale encore de nombreuses horreurs (découvertes de charniers, massacres de blessés pendant leur évacuation par la Croix Rouge, etc.). (...) Des centaines de milliers de Rwandais ont perdu la vie dans les combats ou ont été massacrés par les FAR et les milices armées. »
Hoewel zulks strikt genomen niet tot zijn opdracht behoorde, kan de ad hoc-groep niet voorbij aan de vaststelling dat België en de internationale gemeenschap doof bleven voor de gruwelijke gebeurtenissen die zich in Rwanda afspeelden, ook nadat in de pers steeds meer berichten hierover verschenen. Iedereen dacht aan de moord op de tien Belgische blauwhelmen, maar niemand situeerde dit in het kader van de genocide. Niemand herinnerde zich de berichten, waarin werd gewaarschuwd voor aanslagen op de Belgische blauwhelmen met het doel de UNAMIR-troepen het land te doen verlaten. Tenslotte waarschuwde niemand er voor dat de terugtrekking van de Belgische blauwhelmen misschien aan de extreme Hutu-milieu's de mogelijkheid bood een genocide te plegen die ze, zoals achteraf is gebleken, zorgvuldig hadden gepland en voorbereid.
In april 1994 blunderde ons land en de hele internationale gemeenschap.
4.10.1. De wapenleveringen aan Rwanda
Naast het dossier « Arming Rwanda The arms trade and human rights abuses in the Rwandan war » januari 1994 Human Rights Watch Arms Project (blz. 14 en volgende) dat overigens ook integraal terug te vinden is in de onderzochte documenten, vond de ad-hocgroep volgende aanwijzingen.
(documenten SGR nr. 2062 e.v.).
Info van 11 januari 1994 van SGR (kwalificatie B) waarin in punt 4 gemeld wordt dat een bron die zijn inlichtingen staaft met documenten, Lemonnier Dominique van Franse nationaliteit aanduidt als een leverancier van wapens en munitie aan Rwanda.
(documenten SGR nr. 1691 e.v.).
Telex nr. 222 van 15 maart 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel gewijd aan de wapen- en munitieleveringen aan Rwanda door het Egyptisch leger (contract van 30 maart 1993), Mil. Tec. Corp. uit Sussex-Groot-Brittannië (contract van 11 mei 1993) en Soc.Dyl-Invest uit Cran-Gevrier-Frankrijk (contract van 3 maart 1993). UNAMIR blokkeert de ontscheping. De telex meldt ook dat UNAMIR reeds op 21 januari 1994 op het vliegveld van Kigali een levering van gedeclasseerde munitie, waaronder mortieren van het Belgisch leger onderschepte afkomstig vanuit Frankrijk.
Notulen van de coördinatievergadering Buitenlandse Zaken Landsverdediging van 17 maart 1994 waarin in punt 9 gemeld wordt dat « L'état-major fera une enquête sur la découverte par la Minuar de livraisons d'armes, signalées par Ambabel Kigali, sur lesquelles il n'a pas non plus été informé. ».
Info van 29 april 1994 van SGR (kwalificatie B-2) waarin gemeld wordt dat rond 16 en 17 april 1994 in Goma per vliegtuig veertig ton munitie gearriveerd is t.b.v. het Rwandese leger en afkomstig van Israël.
(documenten SGR nr. 3745).
4.10.2. De aanslag op het presidentiële vliegtuig.
M.b.t. de nog steeds niet opgeloste vraag wie in wiens opdracht op 6 april 1994 de aanslag pleegde op het presidentieel vliegtuig, vond de ad-hocgroep volgende aanwijzingen.
Info van 7 april 1994 van SGR (kwalificatie B) waarin gesteld wordt : « les auteurs du tir sur l'avion ne seraient pas nécessairement le FPR qui est sur sa colline, mais pourraient bien être des militaires qui ne veulent pas la paix ».
(documenten SGR nr. 3710).
Info van 12 april 1994 van SGR (kwalificatie B-2-3) waarin gemeld wordt dat in Rwanda iedereen de mening is toegedaan dat kolonel Bagosora de verantwoordelijke is voor de aanslag op het presidentiële vliegtuig.
(documenten SGR nr. 3664).
Info van 15 april 1994 van SGR (kwalificatie B) waarin een informant meedeelt dat na contacten met een gewezen Rwandees minister en met een hooggeplaatste officier van het Rwandese leger de meeste aanwijzingen voor de aanslag op het presidentiële vliegtuig in de richting van kolonel Bagosora gaan. Ook mensen in de controletoren van de luchthaven moeten in het complot betrokken zijn geweest.
Complément d'information van 19 april 1994 van SGR aan verschillende bestemmelingen die de verschillende veronderstellingen onderzoekt m.b.t. de vraag wie verantwoordelijk is voor de aanslag op president Habyarimana. De meest plausibele hypothese is dat de daders moeten gezocht worden in de omgeving van de president zelf, « attribuant l'attentat aux « faucons » du regime, proches des beaux-frères du président (...) ».
(documenten SGR nr. 6743 e.v.).
Info's van 7, 9, 12 en 22 april 1994 van SGR (kwalificaties gaande van B tot F) waarin gewag wordt gemaakt van betrouwbare bronnen die melden dat de Zaïrese president Mobutu in samenspraak met extreme Hutu-milieu's de aanslag beraamde. Het zou Kongolo, de zoon van Mobutu zijn die het plan uitvoerde. De raketten waarmee de aanslag werd gepleegd, zouden aangekocht zijn in Frankrijk en zouden langs de luchthaven van Oostende in Kinshasa en vandaar in Goma zijn beland. Ruggiu van RTLM zou zich in die periode in Gbadolite hebben opgehouden. Ook het schuiven van de schuld voor de aanslag in de schoenen van de Belgen zou hierin kunnen kaderen. Na de logenstraffing door de Belgische regering bleef de officiële Zaïrese pers de Belgen beschuldigen o.m. op 14 en 15 april. « L'implication de la Belgique dans l'assassinat des présidents (...) est quasi certaine. »
(documenten SGR nrs. B.I.X. 0528, C 0065, X 2654 en 3713).
Info van 22 april 1994 van SGR (kwalificatie B) waarin staat :
« Il nous faut donc revoir notre position quant aux responsables de l'attentat contre l'avion présidentiel. Tout fait croire maintenant que les auteurs font bien partie de la fraction dure des Ba-Hutu à l'intérieur de l'armée rwandaise. Chose étrange, qui fait supposer qu'il n'y a pas eu improvisation en la matière: une demi-heure après le crash, et donc bien avant l'annonce officielle à la radio, la « purification ethnique » commençait à l'intérieur du pays, menée sauvagement d'après des listes préétablies. (...) Ce groupe gravitait dans l'orbite de Madame la présidente dont les frères et cousins étaient devenus hauts dignitaires du régime. Ils avaient trempé dans des affaires de terreur et d'argent et il était impensable pour eux de renoncer à leurs privilèges et passe-droits. C'est eux qui dirigeaient les « Interahamwe », les jeunesses du MRND qui formaient les sinistres « escadrons de la mort ». Ce lobby comprenait également des militaires de haut rang, et c'est parmi eux qu'il faut chercher les responsables de l'attentat contre l'avion présidentiel. Donc, pas Madame en personne, mais son clan qui a été dépassé par sa propre logique interne de violence. ».
(documenten SGR nr. 3734).
Naast deze inlichtingen van informanten die de aanslag toeschrijven aan de ultra's van het vroegere Rwandese regime, bevatten de onderzochte documenten ook één belangwekkende getuigenis van een Belgische onderdaan die kort na het neerhalen van het presidentieel vliegtuig het bezoek ontving van een van de naaste medewerkers van president Habyarimana. Deze persoon waarvan de ad-hocgroep de juiste identiteit kent, identiteit die evenwel in onderhavig rapport niet werd opgenomen om alzo de persoonlijke veiligheid van de betrokkene en de veiligheid van diens familieleden voor zover die nog in leven mochten zijn, niet in gevaar te brengen, zegt dat president Habyarimana hem toevertrouwde : j'en ai marre de tous ces ultras qui me mettent sans arrêt des bâtons dans les roues ».
De eedaflegging van de in de akkoorden van Arusha voorziene overgangsregering moest gepland worden voor 9 april 1994, enkele dagen na de terugkeer van president Habyarimana uit het buitenland.
(documenten SGR nr. 3640).
Hoewel de bron waarvan deze informatie afkomstig is door de SGR niet als A of B, maar slechts als C werd gecatalogeerd, werd ze door de ad-hocgroep toch in onderhavig rapport opgenomen, omdat de inlichtingen van deze bron naadloos aansluiten bij de informatie vervat in andere onderzochte documenten, meer bepaald in de SITREP van 23 maart 1994 van de Comd Sector Kigali (Kolonel Marchal) aan C Ops waarin verslag wordt uitgebracht van diens onderhoud met diezelfde naaste medewerker van president Habyarimana. Deze meldt hem dat de installatie van de overgangsregering in de komende dagen mag worden verwacht. « Cette information semble se vérifier aujourd'hui. Ce matin j'ai eu la visite du Comd Bn de la Garde Présidentielle qui est venu coordonner les activités de sécurité pour la MEP du GTBE ».
Ook tijdens een ontmoeting met de minister van Defensie, zo meldt kolonel Marchal, wordt hem bevestigd dat de eedaflegging in de komende dagen zal plaatsgrijpen. kolonel Marchal waarschuwt echter : « Toutefois, les deux jours qui viennent seront sans doute ceux de tous les dangers. Certains éléments ultra sont tout à fait capables d'entamer une processus de déstabilisation qui n'est ni difficile à initier ni compliqué à amplifier ».
(documenten C Ops nr. 5121 in dossier auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof Not. nr. 01 00009.95 Kaft onderzoek D 1428).
4.10.3. De parallelle diplomatie.
In de periode van augustus 1993 tot april 1994 die door de ad-hocgroep werd onderzocht werden er bezoeken gebracht aan Rwanda door de minister van Buitenlandse Zaken, de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking, de minister van Landsverdediging vergezeld van twaalf leden van de Senaat en de Kamer van Volksvertegenwoordigers, gewezen eerste minister Wilfried Martens, een bezoek dat werd voorbereid door Mevrouw Rika De Backer.
Anderzijds vond de ad-hocgroep ook aanwijzingen voor het bestaan van een parallelle diplomatie.
Telex nr. 1249 van 17 december 1993 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin melding wordt gemaakt van twee ontmoetingen van de heer Scheers, advocaat van de Brusselse balie met president Habyarimana. « Heb geen contact meer gehad (...) » vervolgt de ambassadeur. « Wel heeft hij mij laten weten dat hij uw diensten op de hoogte zou brengen over verloop en conclusies van zijn zending ».
Document van 17 december 1993 (documenten SGR nr. 1280) waarin gemeld wordt dat meerdere oud-leden van de MTS-CTM (Dubois, Logist) werken voor president Habyarimana. Het overlijden van één van hen (Logist) wordt overigens het eerst door de president aan de Belgische ambassadeur gemeld.
Telex nr. 81 van 29 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin nieuw verblijf van advocaat Scheers in Rwanda wordt gemeld voor zeer vertrouwelijke gesprekken met president Habyarimana. Hij zou kabinetschef Willems, directeur Jaenen en de heer Struye, diplomatiek adviseur van de eerste minister op de hoogte hebben gebracht van zijn nieuwe zending. « Bepaalde gesprekspartners, die hij niet preciseerde » zo meldt de ambassadeur nog, hadden Scheers aangeraden « geen contacten met Belgische ambassade te hebben ».
Telegram van 7 februari 1994 van de minister van Buitenlandse Zaken aan Ambabel Kigali waarin hij meedeelt dat het kabinet benaderd werd door advocaat Scheers die namens president Habyarimana vroeg of het juist was dat hij bezoek aan Rwanda zou brengen. « Ik denk dat wij een grote voorzichtigheid aan de dag moeten leggen met die tussenpersonen die om niet gekende redenen steeds trachten op een of andere wijze de indruk te verwekken dat zij betrokken worden bij de relaties tussen België en Rwanda ».
4.10.4. De betrokkenheid van andere naties.
Terzake vond de ad-hocgroep volgende elementen in de onderzochte documenten.
Info van 28 december 1993 van SGR (kwalificatie B) waarbij in punten 7 en 8 melding wordt gemaakt van een Franse militaire betrokkenheid die veel verder gaat dan officieel wordt toegegeven. Zo zou o.m. het afluisteren van het telefoonnet vooral van de ambassades door twee Franse militairen geschieden.
(documenten SGR nr. 1239 e.v.).
Info van 11 januari 1994 van SGR (kwalificatie B) waarin gemeld wordt dat de Franse raadgevers die na de terugtrekking van het Det. Noroît in Rwanda achterbleven « (...) organisent une campagne de dénigrement des casques bleus Belges (...) ». De bron bevestigt dat twee Franse militairen zich bezighouden met het afluisteren van de telefooncentrale van Kigali.
(documenten SGR nr. 1691).
Telex nr. 56 van 20 januari 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel omvattende een verslag van meerdere ontmoetingen met bijna alle Rwandese politieke partijen. In punt 3.4. wordt melding gemaakt van het verzet van PL-voorzitter Mugenzi tegen de Arusha-akkoorden. « Het is geweten dat hij o.a. in Frankrijk verbleef en er bestaat een vermoeden dat Parijs hem heeft beïnvloed om terug bij Habyarimana aan te sluiten ... ».
Telex nr. 184 van 5 maart 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel waarin de ambassadeur twee boodschappen van een informant overzendt die wijzen op de betrokkenheid van de Zaïrese president Mobutu en de Rwandese president Habyarimana bij de moord op PSD-secretaris-generaal Gatabazi. « De source absolument certaine Gatabazi a été une victime expiatoire des consultations magiques faites chez Mobutu. On a essayé dix noms (...) seul Gatabazi « a été agrée par les magiciens » pour mourir afin d'asseoir l'autorité de Habyarimana. Celui-ci devait installer le gouvernement avant l'enterrement pour que Gatabazi représentant tout ce qui s'oppose à Habyarimana emporte les énergies de l'opposition définitivement vaincue. L'information qui est de la famille même du président ajoute que ce fut la même chose pour Gapyis (...) » (bericht van 1 maart 1994) (president Habyarimana poogde op 23 februari 1994, een dag na de moord op Gatabazi eenzijdig een overgangsregering zonder deelname van het FPR te installeren zie telexen nrs. 154, 157, 159 en 163 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel). « Gatabazi a été assassiné par 4 tireurs de l'armée zaïroise (Rumangabo). Ils ont quitté Kigali le mercredi 23/2 par hélicoptère pour Gisenyi ». (bericht van 4 maart 1994) en (idem documenten SGR nr. 3214 infor van 8 maart 1994 van SGR kwalificatie B-3).
Telex nr. 222 van 15 maart 1994 van Ambabel Kigali aan Minafet Brussel over wapenleveringen vanuit Frankrijk (zie punt 4.10.1.).
Info van 15 april 1994 van SGR (kwalificatie A) waarin gemeld wordt dat G. Ruggiu met stille trom uit Rwanda vertrokken is. « L'intéressé, suite aux événements, aurait été rapatrié par les Français. »
(documenten SGR nr. 3637).
De ad-hocgroep is van oordeel dat hij met deze grondige analyse van de geraadpleegde stukken, de hem door de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden toevertrouwde opdracht heeft vervuld.
Het komt de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden toe uit dit verslag de passende gevolgtrekkingen te maken.
De ad-hocgroep spreekt de hoop uit dat de lezing van dit rapport en de daaruit voortvloeiende overwegingen de Belgische burgerlijke en militaire gezagsdragers, alsook de internationale gemeenschap in staat zullen stellen er de nodige lessen uit te trekken om in de toekomst bepaalde vergissingen te voorkomen en de herhaling van zo tragische gebeurtenissen te voorkomen.
1. Brief van de eerste minister van 27 november 1996.
2. Brief van de minister van Landsverdediging van 18 november 1996.
3. Brief van de voorzitter van de Senaat aan de minister van Buitenlandse Zaken van 12 december 1996.
4. Telex van generaal Dallaire aan het VN-hoofdkwartier New York van 11 januari 1994.
5. ROE Directive opérationnelle nº 2 : dispositions réglementant l'ouverture du feu (provisoires) du 19 novembre 1993.
6. ROE samenvatting 1 : Gedragsregels voor de leden van de militaire delegatie van UNAMIR die gemachtigd zijn wapens en munitie te dragen.
7. ROE samenvatting 2 : Directives de la Minuar pour le comportement des militaires aux points de contrôle.
8. Procédure opérationnelle pour l'établissement de la zone de consignation d'armes de Kigali.
9. Topografisch verslag.
10. Lijst van de kantonnementen.
11. Brief van de minister van Buitenlandse Zaken van 31 december 1996.
BIJLAGE 1
Brief van de eerste minister van 27 november 1996.
Aan de heer Frank Swaelen
Voorzitter van de Senaat
Paleis der Natie
Natieplein 1
1009 BRUSSEL
Mijnheer de Voorzitter,
Betreft : Rwanda.
In antwoord op uw brief van 12 november 1996 heb ik de eer U hierbij de dossiers (nota aan Ministerraad, advies Inspectie van Financiën) over te maken die aan de ministers werden medegedeeld ter voorbereiding van de vergaderingen van de Ministerraad van 26 november en 3 december 1993.
De besprekingen, die de beperkte Ministerraad en de Ministerraad tijdens de periode augustus 1993-april 1994 regelmatig aan Rwanda wijdden, geschiedden, op uitzondering van de bijgaande documenten, op basis van mondelinge mededelingen en toelichtingen.
De notulen van het wekelijks overleg tussen Buitenlandse Zaken en Landsverdediging worden U rechtstreeks door de minister van Buitenlandse Zaken overgemaakt.
Met de meeste hoogachting,
Jean-Luc DEHAENE.
BIJLAGE 2
Brief van de minister van Landsverdediging van 18 november 1996.
À Monsieur F. SWAELEN,
Président du Sénat
Place de la Nation 1
1009 BRUXELLES
Monsieur le Président,
Vos lettres du 25 octobre et du 12 novembre relatives à la consultation de documents supplémentaires par le groupe ad hoc Rwanda a retenu toute mon attention.
Pour ce qui est des notes d'informations du SGR (les INTSUM) pour la période du 23 mars au 6 avril 1994, SGR me confirme qu'elles ont toutes été transmises dans les fardes 17 et 18 remises à votre disposition. Il s'agit des documents numérotés 007407 à 007412 (vendredi 25 mars 1994) et le numéro 007097 du 1er avril 1994. Il n'y a pas eu d'INTSUM entre le 1er avril et le 6 avril 1994.
Les notes de JS au ministre et/ou au Conseil des ministres ont, selon JS, toutes été transmises. Mais je voudrais aussi indiquer qu'il y avait bien entendu des rencontres régulières entre le ministre et le chef d'état-major qui ne faisaient pas nécessairement l'objet de minutes. Ceci explique que le nombre de notes de JS soit relativement peu élevé pendant la période.
Pour ce qui est des procès-verbaux des réunions à l'état-major concernant le Rwanda, j'ai fait transmettre par l'EMG ce 13 novembre à Mme Van Maele l'ensemble des documents servant de base aux briefing journalier à l'état-major général pour la période avril 93 - fin avril 94.
Enfin, pour ce qui est des minutes des réunions de concertation avec le ministre des Affaires étrangères, je pense qu'il serait plus indiqué de les requérir auprès de ce département car il pilotait les réunions en question.
Je vous prie de croire, monsieur le président, à l'assurance de mes sentiments les meilleurs.
Jean-Pol PONCELET.
BIJLAGE 3
Brief van de voorzitter van de Senaat aan de minister van Buitenlandse Zaken van 12 december 1996.
De heer E. DERYCKE
Minister van Buitenlandse Zaken
Quatre-Brasstraat 2
1000 BRUSSEL
Brussel, 12 december 1996
Geachte heer Minister,
De notulen van de coördinatievergaderingen Buitenlandse Zaken Landsverdediging heb ik goed ontvangen, waarvoor mijn oprechte dank.
Na een aandachtige lezing van de documenten blijkt dat niet van alle wekelijkse coördinatievergaderingen de notulen werden overgemaakt.
Graag had ik U dan ook willen vragen mij zo spoedig mogelijk de notulen van alle coördinatievergaderingen met betrekking tot Rwanda voor de periode augustus 1993-eind april 1994 ter inzage te laten bezorgen.
Wellicht ging niet iedere week een coördinatievergadering door. Een overzicht van de weken waarin geen coördinatievergadering plaatsgreep en dus geen verslag werd opgesteld zou voor de werkzaamheden van de ad-hocgroep Rwanda van bijzonder groot nut zijn.
In naam van de ad-hocgroep Rwanda dank ik U voor uw bereidwillige medewerking.
Met de meeste hoogachting,
Frank SWAELEN.
BIJLAGE 4
Telex van generaal Dallaire aan het VN-hoofdkwartier New York van 11 januari 1994.
TRADUCTION D'UN DOCUMENT RÉDIGÉ EN LANGUE ANGLAISE
Annexe A/1 au PV nº 1424 du 20 décembre 1995.
Du Service de police judiciaire auprès de la Justice militaire.
Date : le 11 janvier 1994
Concerne : Demande de protection d'un informateur
1. Commandant de la Force mis en contact avec l'informateur par un très très important politicien du gouvernement. L'informateur est un entraîneur au top niveau dans le cadre de la milice armée de l'Interahamwe (MRND).
2. Il nous a informés qu'il était responsable des manifestations de samedi dernier dont le but était de viser des députés des partis de l'opposition se rendant aux cérémonies et des soldats belges. Ils espéraient forcer le BN du FPR à livrer bataille (étant donné qu'on lui tirait dessus) aux manifestants et provoquer une guerre civile. Les députés devaient être assassinés à leur entrée ou à leur sortie du Parlement. Les soldats belges devaient être provoqués et s'ils recouraient à la force, certains d'entre eux devaient être tués et donc garantir le retrait belge du Rwanda.
3. L'informateur a confirmé que 48 paracommandos des FAR et quelques membres de la gendarmerie ont participé aux manifestations en civil. De même au moins un ministre du MRND et le sous-préfet de Kigali étaient de la manifestation. Les FAR et l'Interahamwe fournissaient les communications radio.
4. L'informateur est un ancien membre de la sécurité du président. Il a également indiqué qu'il était payé 150 000 francs par mois par le parti MRND pour entraîner l'Interahamwe. Il fait rapport directement au chef d'état-major des FAR et au président du MRND pour l'assistance financière et matérielle.
5. L'Interahamwe a entraîné 1 700 hommes dans des camps militaires des FAR en-dehors de la capitale. Les 1 700 hommes sont répartis en groupes de 40 dans tout Kigali. Depuis que la Minuar s'est déployée, il a entraîné 300 personnes au cours de sessions d'entraînement de trois semaines dans des camps des FAR. L'entraînement était centré sur la discipline, les armes, les explosifs, le combat rapproché et la tactique.
6. Le but principal de l'Interahamwe dans le passé était de protéger Kigali contre le FPR. Depuis le mandat de la Minuar, il a reçu l'ordre de recenser tous les Tutsis de Kigali. Il soupçonne que c'est pour leur extermination. L'exemple qu'il nous a donné est qu'en 20 minutes, ses miliciens pouvaient tuer jusqu'à 1 000 Tutsis.
7. L'informateur déclare qu'il est contre l'extermination des Tutsis. Il soutient l'opposition au FPR, mais ne peut soutenir le massacre d'innocents. Il a également déclaré qu'il croit que le président n'a pas le plein contrôle de tous les éléments de son ex-parti/faction.
8. L'informateur est préparé à indiquer l'emplacement de caches d'armes importantes, avec au moins 125 armes. Il a déjà distribué 110 armes, y compris 35 avec des munitions et peut nous donner des détails concernant leur situation. Les armes sont de type G3 et AK47 fournis par les FAR. Il était prêt à se rendre aux caches d'armes ce soir si nous lui donnions la garantie suivante. Il demande que lui et sa famille (sa femme et ses quatre enfants) soient placés sous notre protection.
9. Nous avons l'intention de prendre des mesures dans les 36 heures qui viennent avec une heure H possible, mercredi, à l'aube (heure locale). L'informateur déclare que les hostilités pourraient reprendre si l'impasse politique prend fin. La violence pourrait se produire le jour des cérémonies ou le lendemain. C'est pourquoi mercredi constituerait la plus grande chance de succès et serait également le moment le plus approprié pour fournir des données significatives aux négociations politiques en cours.
10. Il est recommandé que l'informateur se voie accorder la protection et soit évacué du Rwanda. Le QG n'a pas d'expérience antérieure de l'ONU dans de telles matières et demande d'urgence des directives. Aucun contact n'a été pris jusqu'ici avec l'ambassade en vue de se renseigner pour voir s'ils sont disposés à la protéger pendant un certain temps en lui accordant l'immunité diplomatique dans leur ambassade à Kigali avant de le faire sortir du pays avec sa famille.
11. Le Commandant de la Force rencontrera le personnage politique très très important demain matin afin de s'assurer que cette personne est consciente de tous les paramètres de son engagement. Le Commandant de la Force manifeste certaines réserves quant à la soudaineté du revirement de l'informateur « de lâcher le paquet » avec ces informations, reconnaître l'existence de caches d'armes et le planning détaillé des raids qui se produiront demain soir. La possibilité d'un piège n'est pas entièrement exclue, car il pourrait s'agir d'un coup monté contre le personnage politique très très important. Le Commandant de la Force informera le RSSG dès demain matin pour s'assurer son soutien.
13. Peux ce que veux. Allons-y. [NDT : en français dans le texte].
BIJLAGE 5
ROE Directive opérationnelle nº 2 : dispositions réglementant l'ouverture du feu (provisoires) du 19 novembre 1993.
DIRECTIVE OPÉRATIONNELLE Nº 02 : DISPOSITIONS RÉGLEMENTANT
L'OUVERTURE DU FEU (PROVISOIRES)
Généralités
1. La conduite d'opérations militaires est controlée et réglementée par les dispositions du droit international et national, les conventions et la priorité. C'est dans ce cadre légal qu'il appartient aux Nations Unies (ONU) de fixer les paramètres qui règleront les opérations des forces de l'ONU. Les dispositions réglementant l'ouverture du feu (ROE) sont les moyens permettant à l'ONU de fournir des directives politiques et légales réglementant l'usage de la force aux commandants à tous niveaux. Les ROE sont établies à l'état de projet par la Force, mais sont approuvées par l'ONU et ne peuvent être modifiées qu'avec l'autorisation de l'ONU.
2. La Résolution du Conseil de Sécurité du .... octobre 1993 stipulait :
« La Minuar est équipée d'armes défensives. Le recours aux armes est normalement autorisé uniquement pour se défendre. Le recours à la force à des fins de dissuasion ou de rétorsion est interdit. L'autodéfense comprend la résistance aux tentatives d'empêcher la Force par des moyens violents de s'acquitter de sa mission dans le cadre du mandat de la Minuar. Dans l'application de ces dispositions, celle à laquelle il ne saurait être dérogé et à laquelle tous les membres de la Minuar adhèreront sera le recours à la force minimum (cfr. Définitions).
3. La Minuar est une force de maintien de la paix, sans engagement envers les parties impliquées dans la guerre civile rwandaise. En vertu des termes de l'accord de paix d'Arusha et du mandat de l'ONU, la Minuar a un engagement envers toutes les parties pour les aider à réaliser la paix. L'impartialité est la clé à cet égard et toutes les actions de la Minuar doivent viser à assurer la poursuite de cet objectif. Toutefois, il peut se produire des circonstances où l'usage de la force par le personnel de la Minuar serait justifié. Lorsque c'est le cas, la nature du maintien de la paix demandera que de telles actions de la Minuar soient appliquées avec un frein : l'usage de la force minimum.
4. Les ROE dont question dans cette directive s'appliquent à tout le personnel de toutes les nations fournissant du personnel à la Minuar. Les ROE sont rédigées sous forme d'interdictions ou de permissions. Sous forme d'interdictions, ce sont des ordres de ne pas entreprendre certaines actions. Sous forme de permissions, elles sont une ligne directrice pour les commandants leur indiquant que certaines actions peuvent être prises si elles sont estimées nécessaires pour atteindre l'objectif de la mission. Les commandants à tous les niveaux sont priés de traduire cette directive et devront s'assurer de sa diffusion à tout soldat sous leur commandement. En outre ils s'assureront que tous les soldats sous leur commandement comprennent cette directive.
5. Les modifications de cette directive seront émises comme nécessaire et approuvées par l'ONU.
6. Cette directive sera classée CONFIDENTIEL RÉSERVÉ À L'ONU.
Définitions
7. Les définitions clés suivantes doivent être clairement comprises par tout le personnel de la Minuar :
a. Force. Utilisation de moyens physiques pour imposer sa volonté. La force militaire est l'utilisation de moyens physiques fournis par des corps de troupes entraînés, armés et disciplinés sous un commandement unifié dans le même but et implique généralement le recours à des niveaux de violence significatifs. Toutefois toute la raison d'être du maintien de la paix est que la paix devrait être obtenue sans le recours à la force militaire. Le maintien de la paix est substantiellement différent de l'application de la paix en vertu du Chapitre VII de la Charte des Nations Unies. Les opérations de maintien de la paix de l'ONU, y compris la Minuar, seront effectuées par des observateurs militaires et de police non armés et des forces armées exclusivement équipées pour l'autodéfense.
b. Autodéfense. Action de se protéger ou de protéger son unité, face à un besoin urgent et ne laissant pas le choix des moyens ni de temps pour des délibérations;
c. Intention hostile. L'intention hostile est une/des actions(s) qui semble(nt) préparer une action agressive contre le personnel ou l'équipement des forces de maintien de la paix et/ou des biens sous leur responsabilité;
d. Acte hostile. Un acte hostile est toute action agressive contre le personnel ou l'équipement des forces de maintien de la paix et/ou des biens sous leur responsabilité. En décidant d'une réaction appropriée par les forces de maintien de la paix, il y a lieu d'avoir à l'esprit que l'utilisation de la force armée n'est autorisée qu'en présence d'une attaque ou d'une attaque imminente;
e. Force minimum. Le degré de force minimum autorisé nécessaire, raisonnable et légitime étant donné les circonstances;
f. Dommage concomitant. Dommage aux personnes ou aux biens adjacents à, mais ne faisant pas partie d'une cible autorisée;
g. Identification positive. Identification assurée par un moyen spécifique; peut être réalisée par n'importe laquelle des méthodes suivantes : visuelle, mesures de soutien électronique, repérage, corrélation de plan de vol, imagerie thermique, analyse acoustique passive ou procédures d'identification ami-ennemi;
h. Force armée. L'utilisation d'armes à feu et d'autres armes (c.à.d. bâtons, baïonnettes, gaz CS, etc.), y compris coups de semonce.
i. Force non armée. Utilisation de la force physique sans usage d'armes à feu ou d'autres armes (par ex., bâtons, baïonnettes, gaz CS, etc.).
Pouvoir
8. La directive générale concernant la délégation de pouvoir pour l'utilisation des différents types d'armes est la suivante :
a. Commandant de la Force ou Commandant faisant fonction en son absence
(1) Armes d'appui lourdes (ex. : lance-roquettes, pièce d'artillerie, mortiers légers, etc.)
(2) Mitrailleuses, ou canons lourds (cal .50, 20 mm, etc.)
(3) Mitrailleuses moyennes (ex. : FN MAG, M60, etc.)
b. Commandants de Secteur
(1) Mitrailleuses légères; et
(2) toutes les armes personnelles de tir automatique.
c. Commandant de bataillon jusqu'au niveau sous-officier en présence d'une menace
(1) Armes personnelles pour monocoups.
9. Lorsque la situation le permet, les QG subordonnés doivent informer les QG supérieurs avant de recourir à la force armée. Lorsque ce n'est pas possible, le commandant présent lorsque l'incident menace, agira à sa discrétion en suivant la présente directive.
Concept
10. Le personnel de la Minuar peut utiliser ses armes :
a. pour se défendre, défendre d'autres vies de l'ONU, ou des personnes sous sa protection contre une attaque directe, en agissant toujours sous les ordres de l'officier supérieur présent sur les lieux de l'incident;
b. pour défendre la possession ou la propriété ou des installations appartenant à ou sous la protection de l'ONU contre tout dommage, vol ou destruction;
c. pour résister à des tentatives par des moyens violents d'empêcher la Force de s'acquitter de sa mission, en agissant sous l'autorité personnelle du Commandant de la Force ou de son remplaçant autorisé uniquement;
d. pour résister à des incursions militaires ou paramilitaires délibérées dans des zones protégées par les Nations Unies (ex., les quartiers du FPR).
Principes
11. Lorsque se produit un incident qui requiert le recours à la force, les principes suivants seront d'application :
a. seule une force minimum cohérente avec la réalisation de l'objectif immédiat sera utilisée;
b. si possible, la prévention par négociation sera épuisée avant tout recours aux armes;
c. si possible, avertissement et escalade de la force non armée avant tout recours à une force armée;
d. si possible, des tirs de semonce précèderont le « tir d'efficacité » (le tir d'efficacité est le tir au centre de la masse de la cible);
e. si une situation menaçante se développe et que le tir d'efficacité semble être la seule option, il ne sera commencé qu'après que l'ensemble de la procédure d'avertissement dont question ci-dessus ait été épuisée, sauf en cas de menace immédiate selon le para 11, où un retard aurait pour résultat des victimes ou la destruction de biens, auxquels cas le tir d'efficacité peut être commencé sans délai sur l'ordre du commandant le plus ancien présent;
f. dans le tir d'efficacité, le principe directeur sera la force minimum. Il faut veiller à assurer que le dommage concomitant soit réduit au minimum (par ex., une action qui entraînerait un dommage concomitant est interdite) et à ce que ce ne soit pas la Minuar qui commence une escalade du niveau de violence. La rétorsion est interdite. Il faudra répondre à toute action par une action équivalente de la Minuar.
g. le tir doit être controlé par le commandant le plus ancien présent et cessera une fois que le but a été atteint; et
h. après l'incident de tir, le commandant le plus ancien présent transmettra un rapport complet le plus tôt possible.
12. Lorsque c'est possible, toute escalade dans le recours à la force sera autorisé par la voie hiérarchique de la Minuar. Une demande radio en clair d'autorisation de tirer peut avoir un effet apaisant en soi. L'autorisation d'avoir recours à un niveau de violence plus élevé doit être obtenue du commandant approprié suivant le par. 9. Le commandant le plus ancien sur place sera responsable de l'évaluation de la situation et de la prise de l'action appropriée à la situation.
Types de force
13. Il y a deux types de force : force non armée et force armée :
a. Force non armée. La force non armée implique le recours à tous moyens, sauf l'usage d'armes à feu ou autres, pour s'acquitter de la mission confiée par mandat à la Minuar. Exemples : recours à des moyens physiques tels que le corps à corps, utilisation de véhicules pour bloquer, etc. Le personnel de la Minuar est autorisé à avoir recours à la force non armée :
(1) lorsque la sécurité du personnel de l'ONU est menacée par des menaces non armées;
(2) lorsque des infiltrations ou enveloppements sont tentés sans coups de feu;
(3) lorsque les locaux de l'ONU sont violés;
(4) en autodéfense contre une attaque non armée;
(5) lorsque des tentatives non armées sont faites pour enlever ou arrêter des civils ou du personnel militaire de l'ONU;
(6) lorsque des tentatives non armées sont faites pour voler des biens de l'ONU ou sous la responsabilité de l'ONU; et
(7) lorsque des tentatives non armées sont faites pour empêcher le personnel de la Minuar d'exécuter sa mission telle qu'ordonnée par ses commandants.
b. Force armée. La force armée est le recours à toute arme ou arme à feu. Des exemples sont l'utilisation du gaz CS pour empêcher l'accès aux installations de l'ONU, l'usage de la baïonnette pour disperser une foule, le recours à des coups ajustés pour défendre un convoi contre une attaque armée. Le personnel de la Minuar peut recourir à la force armée contre des personnes armées :
(1) en autodéfense;
(2) contre des tentatives de désarmer le personnel de la Minuar;
(3) lorsque du personnel de la Minuar est en danger de mort;
(4) lorsque d'autres vies sont en danger;
(5) pour défendre les installations ou les véhicules de l'ONU contre une attaque armée;
(6) lorsque des tentatives sont faites pour forcer le personnel de la Minuar au moyen d'une force armée à se retirer d'une position qu'il a reçu l'ordre d'occuper de ses supérieurs;
(7) en cas de tentatives par le recours à la force armée de pénétrer dans les installations de l'ONU ou d'isoler une force de l'ONU;
(8) en cas de tentative par la force d'empêcher le personnel de la Minuar d'effectuer des missions assignées par ses commandants; et
(9) en cas de tentative d'enlèvement ou d'arrestation de civils ou de personnel militaire de l'ONU par la force.
Actes criminels
14. L'histoire récente du Rwanda est grevée de guerre civile, de dislocation de grands éléments de la population, de terrorisme, de violence ethnique et politique, de banditisme armé et d'effondrement économique virtuel. Le potentiel d'une augmentation dramatique du banditisme armé pendant le mandat de la Minuar, suite à la démobilisation rapide d'environ 35 000 militaires, le taux de chômage élevé, la surpopulation et la désertion massive dans l'armée, sont très élevés.
15. Pour la plus grande partie, le maintien de la loi et de l'ordre et donc le contrôle de l'activité criminelle, incombent à la police locale, surveillée par les observateurs de la police civile de l'ONU Minuar (POLCIVUN). Toutefois, pendant la période de démobilisation, la capacité de la police locale peut être sérieusement mise à l'épreuve. Il est très probable que le personnel militaire de la Minuar se voie demander d'aider la POLCIVUN et les autorités locales, pour le maintien de la loi et de l'ordre. Dans ces circonstances, ces dispositions réglementant l'ouverture du feu devraient être utilisées pour soutenir les autorités locales et la POLCIVUN. Dans ces circonstances, le personnel militaire ou les unités seront placés en soutien de POLCIVUN qui agiraient en appui de la police locale dans le maintien de la loi et de l'ordre.
Crimes contre l'humanité
17. Des actes criminels motivés ethniquement ou politiquement peuvent également être perpétrés pendant ce mandat et demanderont moralement et légalement que la Minuar utilise tous les moyens disponibles pour y mettre fin. Exemples : exécutions, attaques ou personnes déplacées ou réfugiés, émeutes ethniques, attaques contre des soldats démobilisés, etc. A ces occasions, le personnel militaire de la Minuar suivra les ROE élaborées dans cette directive, en appui de la POLCIV UN et des autorités locales ou en leur absence, la Minuar prendra l'action nécessaire pour empêcher tout crime contre l'humanité.
DISPOSITIONS RÉGLEMENTANT L'OUVERTURE DU TIR
17. RÈGLE NUMÉRO UN : AUTORISATION DE PORT D'ARMES
a. SITUATION A : PAS D'AUTORISATION.
b. SITUATION B : AUTORISATION DE PORT D'ARMES ACCORDÉE.
18. RÈGLE NUMÉRO DEUX : ÉTAT DES ARMES
a. SITUATION A : Les armes seront portées avec des magasins chargés.
b. SITUATION B : Les armes seront portées, chargées et le cran d'arrêt mis.
19. RÈGLE NUMÉRO TROIS : RÉPONSE À UNE INTENTION HOSTILE OU UN ACTE HOSTILE SANS RECOURS AU TIR
a. SITUATION A : Observer et rapporter, mais se retirer afin de préserver...
b. SITUATION B : Rester sur place. Prendre contact et établir une liaison avec la partie adverse et/ou les autorités locales concernées.
c. SITUATION C : Observer et rapporter. Rester sur place. Avertir l'agresseur de l'intention de recourir à la force et se montrer résolu par des moyens appropriés sans ouvrir le feu.
d. SITUATION D : Observer et rapporter. Rester sur place. Avertir l'agresseur de l'intention d'avoir recours à la force et se montrer déterminé par tous les moyens appropriés. Recours au tir à titre de démonstration autorisé.
20. RÈGLE NUMÉRO QUATRE : DÉSARMEMENT DE PARAMILITAIRES OU DE CIVILS
a. SITUATION A : Pas d'autorisation accordée.
b. SITUATION B : Autorisation accordée. Ce faisant avoir recours à la force minimum et escalade jusqu'au recours au tir en cas d'intention hostile ou d'acte hostile. Remettre à l'autorité appropriée dès que possible.
22. RÈGLE NUMÉRO CINQ : TIRS D'INTERVENTION ET DE SEMONCE
a. SITUATION A : Intervention interdite.
b. SITUATION B : Intervention par le tir d'efficacité contre des cibles identifiées positivement et désignées uniquement après tirs de semonce dans le cadre du processus d'avertissement.
23. RÈGLE NUMÉRO SIX : CONTRÔLE DES SYSTÈMES D'ARMEMENT
a. SITUATION A : Armement, préparation, mouvement et tir en présence des forces en conflit sont interdits.
b. SITUATION B : Activité désignée en présence des forces en conflit est autorisée, mais sera spécifiée par les notes suivantes :
(1) Armer (type de système);
(2) Préparer (type de système);
(3) Bouger (type de système);
(4) Tirer (type de système).
24. Règles et états normaux. Dans la situation normale, quotidienne, le statut des ROE suivant est d'application :
a. Règle nº 1, Situation B (autorisation de port d'armes accordée);
b. Règle nº 2, Situation A (armes portées, chargées et cran de sûreté mis);
c. Règle nº 3, Situation B (rester sur place. Établir contact et liaison avec la (les) partie(s) adverse(s) et/ou les autorités locales concernées);
d. Règle nº 4, Situation B (Autorisation accordée. Ce faisant utiliser la force minimum et procéder à l'escalade jusqu'au recours aux tirs en cas d'intention ou d'acte hostile. Remettre à l'autorité appropriée dès que possible);
e. Règle nº 5, Situation A (intervention interdite); et
f. Règle nº 6, Situation A (armement, préparation, mouvement et tir des armes en présence des forces en conflit sont interdits).
25. Donc pour récapituler le statut normal :
26. Les changements du statut normal des ROE tel que décrit au para 21 pour la Force dans son ensemble seront ordonnés par le Commandant de la Force ou en son absence, par son remplaçant désigné. Les commandants de Secteur peuvent demander des changements du statut normal qui seront autorisés par le Commandant de la Force ou la personne qu'il désignera. Les commandants de Secteur peuvent ordonner des changements du statut normal pour les unités ou sous-unités sous leur commandement si le Commandat de la Force ou son représentant désigné l'autorise.
Procédure de provocation
27. La procédure de provocation sera suivie dans tous les cas, sauf lorsque la menace immédiate d'autodéfense conseille un tir immédiat :
a. avertir l'agresseur d'arrêter;
b. répéter l'avertissement autant de fois que nécessaire pour assurer la compréhension;
c. charger les armes si c'est autorisé;
d. tirer des salves de semonce dans un sol sûr en s'assurant que les ricochets sont impossibles; et
e. si les tirs de semonce sont ignorés, ouvrir le feu, sur ordre et sous le contrôle d'un supérieur par un tir d'efficacité unique ajusté, jusqu'à ce que la mission de protection soit menée à bien. Escalade du tir d'efficacité avec d'autres systèmes d'armement uniquement sur ordre du commandant approprié.
Ouverture du feu sans provocation
28. Le seul cas où il est autorisé d'ouvrir le feu sans provocation est une attaque tellement inattendue que même un instant de retard :
a. pourrait entraîner la mort ou des blessures graves à du personnel de l'ONU;
b. pourrait entraîner la mort ou des blessures graves à des personnes se trouvant sous la protection de la Minuar; et
c. pourrait mener au vol, dommage ou destruction de biens de la Minuar ou de biens que la Minuar a été mandatée pour protéger.
Action avant d'ouvrir le feu
29. En toutes circonstances, avant d'ouvrir le feu, le personnel de la Minuar sera guidé par le principe de la force minimum. Les commandants donneront toujours un avertissement avant d'ouvrir le feu et des coups de semonce seront tirés avant d'avoir recours au tir d'efficacité, sauf dans les cas décrits au par 24, où le tir d'efficacité sera ouvert immédiatement. Dans des circonstances normales, la séquence suivante sera suivie :
a. Avertissement. En fonction des circonstances, un avertissement peut être donné verbalement, par un signe ou par illumination, ex. phares rouges portatifs, projecteurs, etc. L'avertissement sera également transmis par la voie hiérarchique avec des rapports de situation permanents;
b. Tirs de semonce. Si la menace persiste, les tirs de semonce seront tirés dans une zone sûre où il n'y a pas de danger de ricochet ou de dommage concomitant; et
c. Tir d'efficacité. Si les mesures qui précèdent n'ont pas eu d'effet sur la situation, le personnel de la Minuar peut sous ordre et contrôle, procéder à un tir d'efficacité.
Action pendant les tirs
30. Le tir ajusté sera tiré pour l'efficacité, c.à.d., tiré sur le centre de la masse visible de la cible. Le tir sera contrôlé et ne sera pas aveugle. Les tirs automatiques et tirs d'armes d'appui ne seront utilisés qu'en dernier recours et seulement sur l'ordre du commandant approprié de la voie hiérarchique. Le tir d'efficacité ne se poursuivra que le temps nécessaire pour atteindre le but immédiat. Le commandant sur place indiquera et contrôlera par des ordres de contrôle de tir les tirs dirigés de préférence vers les chefs ou instigateurs de la menace. Des rapports de situation permanents seront transmis via la voie hiérarchique.
Action après les tirs
31. Après le tir d'efficacité, les commandants s'assureront que les actions suivantes sont prises :
a. Sur le plan médical. Tout blessé, y compris ceux sur qui le personnel de la Minuar a tiré, recevra les premiers soins, si une telle action peut être menée à bien sans mettre en danger la vie du personnel de l'ONU;
b. Consignation par écrit. L'incident sera consigné par écrit, y compris :
(1) heure du tir;
(2) armes utilisées;
(3) type de cartouches et quantité tirée, et
(4) preuves, de préférence photographique, seront rassemblées.
c. Etablissement de rapports. Les informations ci-dessus seront rapportées par la voie hiérarchique au QG de la Force Attn Commandant de la Force et Chief Operations Officer :
(1) Sur qui ou sur quoi a-t-on tiré;
(2) Pourquoi le personnel de l'ONU a-t-il ouvert le feu ?
(3) Où l'incident s'est-il produit ?
(4) Quand l'incident et toutes les activités, y compris les coups de feu, se sont-ils produits;
(5) Quelle est la situation actuelle; et
(6) Comment la situation s'est développée ?
Conclusion
32. Aucune directive définitive ne peut être rédigée qui puisse détailler toutes les actions possibles pour toutes les situations. Le but de la présente directive était de donner des directives qui pourraient servir à guider les commandants et soldats à tous les niveaux dans le recours à la force. Il est critique et impératif que tous les membres de la Minuar comprennent cette directive et l'appliquent à toutes les situations qui peuvent se développer et pourraient demander le recours à la force.
33. En conclusion, tous les commandants doivent s'assurer que cette directive est traduite dans leur langue nationale et que tous les soldats sous leur commandement sont entièrement familiarisés avec son contenu et son intention.
Annexe
Annexe A. Aide-mémoire pour les membres de la Minuar (non jointe, sera publiée plus tard).
BIJLAGE 6
ROE synthèse 1 : Gedragsregels voor de leden van de militaire delegatie van UNAMIR die gemachtigd zijn wapens te dragen.
UNO BEPERKTE VERSPREIDING
Gedragsregels voor de leden van de militaire delegatie van UNAMIR
die gemachtigd zijn wapens en munitie te dragen
1. Definities
a. Wettige zelfverdediging
Handeling om zichzelf of zijn eenheid te beschermen bij confrontatie met een crisistoestand die geen keuze laat ten aanzien van de middelen en geen tijd tot overdenkingen.
b. Vijandelijke daad
Een vijandelijke daad is elke agressieve actie tegen personeel of uitrustingen van de UNO Vredesmacht of tegen al dat waarvoor zij verantwoordelijk is.
c. Minimaal geweld
De toegestane laagste graad die in de gegeven omstandigheden noodzakelijk, redelijk en gewettigd is.
2. Algemene regels
a. Gebruik van geweld is toegestaan in geval van wettige zelfverdediging.
b. Gebruik steeds het MINIMAAL noodzakelijk geweld.
c. Gebruik vuurwapens enkel als laatste hulpmiddel.
3. Waarschuwingen
a. Roep « ONU, HALTE OU JE TIRE » of « ONU, HAGARARA CYANGWA NINAMGA NIURASE ».
b. Herhaal de waarschuwing zo vaak als nodig is.
c. Wapens laden.
d. Waarschuwingsschoten vuren in een ongevaarlijke richting waar geen gevaar is voor ketsen.
e. Zonodig, het vuur openen op bevel en onder toezicht van een meerdere.
4. Vuren zonder waarschuwing
Vuren zonder waarschuwing is toegelaten wanneer het niet onmiddellijk beantwoorden van een verrassingsaanval tot gevolg heeft dat :
a. UNO-personeel dreigt gedood of zwaar gewond te worden.
b. Personen onder bescherming van de UNO dreigen gedood of zwaar gewond te worden.
c. Eigendom van de UNO of onder bescherming van de UNO dreigen te worden gestolen, beschadigd of vernietigd.
5. Acties tijdens het vuren
a. Mik tijdens het vuren.
b. Vuur niet meer dan noodzakelijk is.
c. Neem alle voorzorgsmaatregelen om enkel het doel te raken.
6. Actie na het vuren
a. Geef alle gewonden de eerste zorgen.
b. Registreer het uur en de gebruikte wapentypen.
c. Stel een rapport op voor het hoger echelon door te antwoorden op de vragen : Wie ? Waar ? Waarom ?
UN-RESTRICTED
RÈGLES D'ENGAGEMENT
INSTRUCTIONS À TOUT PERSONNEL DE LA MINUAR AUTORISÉ DE PORT D'ARMES ET MUNITIONS
RÈGLES GÉNÉRALES
1. Vous avez le droit d'utiliser la force en cas de légitime défense.
2. Dans toute autre situation un minimum de force doit être utilisé. LE RECOURS AUX ARMES À FEU DOIT ÊTRE L'ULTIME RESSORT !
SOMMATIONS
3. Une sommation doit être donnée avant chaque ouverture du feu, sauf dans les cas suivants :
a. Si donner cette sommation pourrait augmenter le risque de mort ou de blessure grave de vous-même ou de toute autre personne.
b. Si vous ou d'autres personnes êtes la cible d'une attaque armée.
4. Vous devez crier les sommations en français « ONU, HALTE OU JE TIRE » ou en Kinyarwanda « ONU, GUSABIE UHAGARARA WAKWANGA UKARASWA. »
OUVERTURE DU FEU
5. Le tir ne peut être ouvert que contre une personne en train ou sur le point de commettre un acte HOSTILE ET SEULEMENT LORSQUE L'ON NE DISPOSE D'AUCUN AUTRE MOYEN POUR EMPECHER CET ACTE HOSTILE. Toujours suivant les circonstances certains exemples sont donnés :
a. L'acte d'ouvrir le feu ou d'être sur le point de le faire.
b. L'acte de poser, détoner, ou lancer un explosif (y compris cocktail Molotov).
c. L'acte de conduire un véhicule délibérément contre une personne sans qu'il y ait aucun autre moyen de l'arrêter.
d. S'IL N'Y A AUCUN AUTRE MOYEN D'EMPÊCHER L'ACTE HOSTILE.
6. Les cas où le paragraphe 5 n'est PAS d'application :
a. L'individu essaie de prendre possession, d'endommager ou de détruire la propriété ou l'installation que vous êtes chargé de garder ET
b. IL N'Y A AUCUNE AUTRE FAÇON D'ARRÊTER SON ACTE.
7. Si vous devez ouvrir le feu, vous :
a. ne devez tirez qu'après avoir visé ET,
b. ne devez pas tirez plus que nécessaire, ET
c. devez prendre toutes les précautions afin de ne blesser nul autre que la cible.
DÉFINITIONS
8. Les définitions suivantes seront employées :
a. LÉGITIME DÉFENSE
Action qui sert à se protéger soi-même ou son unité en cas de besoin urgent et accablant ne permettant aucun choix de moyens ni le temps pour des débats.
b. ACTE HOSTILE
Tout acte hostile contre du personnel ou du matériel ou des propriétés sous la responsabilité des Forces de Maintien de la Paix. Pour décider de la réponse appropriée de la part des Forces de Maintien de la Paix, il faut se rappeler que l'emploi de forces armées est uniquement autorisé en présence d'une attaque ou d'une attaque éminente.
c. FORCE MINIMUM
Le degré minimum autorisé de force qui est nécessaire, raisonnable et légal dans les circonstances.
BIJLAGE 7
R.O.E. synthèse 2 : Directives de la Minuar pour le comportement des militaires aux points de contrôle.
UN RESTRICTED
UNAMIR guidelines for soldier's behavior at checkpoints
| DO | DO NOT | REMARKS |
| 1. SMILE when approaching the vehicle and talking to the driver. | Do not show DISRESPECT or that you perhaps dislike him. | The attitude you show to a Rwandese is very important. Be friendly. |
| 2. SPEAK to the driver and let him speak to the passengers. | ||
| 3. REQUEST him to what you want him to do. | Do not PUT your head or arm in through the side window or OPEN the door without permission. | If you even by accident, touch a female, you may apologize. |
| 4. SPEAK naturally and not louder than needed. | Do not SHOUT or SHOW that you may be impatient. | If you shout he may misunderstand and think you are cursing at him. If so you may commit an offense. |
| 5. When searching a person, do it with extra COURTESY. Use scanners whenever possible. | Do not SEARCH a female personally or tell her to put her hands up. Do not point a weapon directly towards anyone unless you must for security reasons. | Touching a person may be regarded by him to be very unpleasant. However, he understands the need for it and done correctly, he will normally not object to it. |
| 6. Whatever happens at the CHP, STAY CALM, and do the best you can be POLITE even if you are OFFENDED. | Do not get involved in excited ARGUMENT about any matter. Do not use FORCE unless force is used against you and then use minimum force only. | State that you are following orders. Whenever the needs arises, DO NOT hesitate to call your CHP commander. |
| 7. Always MAINTAIN a high standard of dress and military bearing. | Do not become careless or sloppy in APPEARANCE. | If you look professional people accept your authority better and are more willing to cooperate. |
DIFFUSION RESTREINTE ONU
Directives de la Minuar pour le comportement des militaires aux points de contrôle
| À FAIRE | À ÉVITER | REMARQUES |
| 1. SOURIEZ lorsque vous vous approchez du véhicule et lorsque vous vous adressez au chauffeur. | Ne lui montrez pas votre MÉPRIS ou un dégoût quelconque à son égard. | Votre attitude envers un Rwandais est d'une grande importance. Montrez-vous amical. |
| 2. ADRESSEZ-VOUS au chauffeur et demandez-lui de s'adresser aux passagers. | ||
| 3. DEMANDEZ-LUI ce que vous voulez lui demander. | Gardez-vous de METTRE la tête ou le bras à travers la fenêtre ou d'OUVRIR la porte sans autorisation. | Si, même par accident, vous touchez une femme, prenez le soin de vous excuser. |
| 4. PARLEZ d'une façon naturelle et n'élevez pas la voix plus que nécessaire. | Gardez-vous d'ÉLEVER LA VOIX ou de MONTRER votre impatience. | Si vous élevez trop la voix, vous risquez de vous faire mal entendre et l'interlocuteur pourrait se sentir insulté. Si tel est le cas, vous commettez une faute. |
| 5. Lorsque vous fouillez une personne, faites cela avec beaucoup de COURTOISIE. Servez-vous de détecteurs autant que possible. | Gardez-vous de fouilles corporelles sur une femme ou de lui demander de mettre les bras en l'air. Évitez de pointer une arme directement contre quelqu'un, à moins que les raisons de sécurité ne vous dictent de procéder ainsi. | La personne que vous touchez peut trouver le geste trop gênant. Cependant, elle peut bien vous comprendre si vous vous y prenez avec tact, et il n'y aura pas d'objection. |
| 6. Peu importe ce qui se passe au Point de Contrôle, RESTEZ CALME et efforcez-vous d'être POLI même si vous êtes OFFENSÉ. | Ne vous embarquez pas dans des DISPUTES quelconques. Évitez de recourir à la FORCE, à moins que la force ne soit utilisée contre vous. Dans ce cas, utilisez la force minimum seulement. | Dites que vous exécutez des ordres. Chaque fois que de besoin, N'HÉSITEZ PAS à contacter le Commandant de votre Point de Contrôle. |
| 7. AVOIR toujours une tenue vestimentaire et un comportement militaire bien soignés. | Évitez de porter une tenue qui vous donne l'APPARENCE d'une personne négligée. | Si vous avez une apparence de professionnel, les gens accepteront facilement votre autorité et ils seront plus enclins à vous faciliter la tâche. |
BIJLAGE 8
Procédure opérationnelle pour l'établissement de la zone de consignation d'armes de Kigali.
PROCÉDURE OPÉRATIONNELLE POUR L'ÉTABLISSEMENT
DE LA ZONE DE CONSIGNATION D'ARMES DE KIGALI
Généralités
1. À la lumière de l'accord de paix d'Arusha et de la résolution 872 (1993) du 5 octobre 1993, il est nécessaire d'établir une zone de consignation d'armes à Kigali et ses environs.
2. L'objet de l'établissement de cette zone est triple : a) assurer la mise en place saine et paisible d'un Gouvernement de transition à base élargie au Rwanda; b) assurer la sécurité de la communauté des expatriés résidant à Kigali et de toute la population résidant à Kigali et; c) contrôler le mouvement et l'emploi des éléments militaires des FGR (Forces gouvernementales rwandaises), du FPR (Front patriotique rwandais) et des autres éléments armés se trouvant à Kigali et ses environs.
3. La zone de consignation d'armes à Kigali sera établie dans la phase 1 des opérations de la Minuar et sera maintenue au cours des phases 2 et 3.
Responsabilités
4. Le commandant du secteur de Kigali est responsable de la mise en place de la zone de consignation des armes de Kigali, en collaboration avec la gendarmerie nationale et la police locale.
5. Les bataillons d'infanterie et les observateurs militaires des Nations Unies déployés à Kigali fourniront le personnel et assureront le contrôle de la zone de consignation d'armes.
Zone d'opération
(Voir Annexe A).
Définitions relatives à l'établissement et au maintien de la zone de consignation d'armes
6. Arme : Tout objet qui peut être utilisé pour causer un dommage physique, une blessure ou une intimidation à un individu est une arme. Ceci comprend les armes lourdes comme les pièces d'artillerie, les tanks, les roquettes, les missiles, etc. ainsi que les armes légères comme les armes à feu, les couteaux, les épées, les baïonnettes, les lances, les bâtons, les gourdins, etc.
7. Zone de consignation : Une zone où les mouvements et l'emploi des forces/troupes ou des armes de n'importe quelle partie sont contrôlés et réglementés par les forces de la Minuar. Le renforcement de la sécurité pour les militaires de la Minuar et pour ses éléments civils est également du ressort de cette zone.
8. Points de contrôle : Des équipes de contrôle seront déployées pour le contrôle des mouvements et l'inspection des véhicules et des piétons afin de renforcer les mesures de contrôle, les ordres et les règlements. Ceux-ci peuvent être statiques ou mobiles.
a. points de contrôle statiques : Des militaires occuperont en permanence des endroits fixes. Ceux-ci seront normalement placés sur les intersections des grands axes routiers telles que les points d'entrée/de sortie d'une zone contrôlée, etc. Le point de contrôle statique fonctionne 24 heures sur 24 et 7 jours par semaine. Il doit disposer d'une radio et d'un moyen de communication avec la base/le G du bataillon.
b. points de contrôle mobiles : Les points de contrôle statiques ne peuvent pas suffir pour couvrir toute une zone d'opération. Dans de telles circonstances, les points de contrôle mobiles s'avèrent nécessaires. Ces points seront composés au minimum d'une section (10 personnes) avec deux véhicules des Nations Unies. Le point de contrôle mobile sera établi à des moments et endroits variables à intervalles irréguliers. Ils doivent disposer d'un moyen de communication avec l'autorité hiérarchique.
9. Barrage routier : Un point de contrôle statique ou mobile qui barre la route et empêche les véhicules de circuler librement est appelé « barrage routier ». Le barrage routier doit disposer des signaux sur lesquels on peut lire « Route barrée » en Anglais, en Français et en Kinyarwanda. Ces signaux doivent être assez lisibles à distance par les conducteurs de véhicules.
10. Perquisition : L'opération de perquisition est une cause de harcèlement et de gêne pour la population. Cette opération devra alors être courte, méthodique et convenable avec un comportement courtois de la part des militaires menant cette opération. Les principes suivants devront être employés pendant de telles opérations :
a. Des précautions doivent être prises pour éviter tout dommage aux véhicules ou aux biens perquisitionnés.
b. Les véhicules transportant les dépouilles mortelles et le cortège funèbre ne seront pas fouillés. Une mesure de suivi sera prise selon la nécessité.
c. Toutes les armes, munitions et explosifs non autorisés trouvés doivent être confisqués moyennant récepissé délivré à leurs détenteurs. Les prévenus seront remis à la disposition des autorités compétentes du Gouvernement. Les armes seront reprises par la Minuar.
d. Perquisition des véhicules : Chaque fois qu'un véhicule est perquisitionné, la partie qui perquisitionne doit vérifier systématiquement le coffre arrière, la partie du moteur, la cabine du chauffeur et celle des passagers, le dessous du châssis, etc. Les véhicules suspects doivent être complètement fouillés.
e. Fouille personnelle : Si la situation l'exige, le commandant du secteur peut autoriser les fouilles personnelles. Cela doit se faire d'une manière honorable en évitant de scandaliser publiquement la personne fouillée. Les femmes ne devront être fouillées qu'à l'aide d'un détecteur de métaux et ne feront PAS l'objet de fouille corporelle. En cas de circonstances très suspectes, des femmes seront utilisées pour fouiller d'autres femmes.
f. Perquisition de quartier : La perquisition de quartier se fera seulement dans le cadre d'une opération de cordon. Dans la perquisition d'un quartier, les personnes y habitant devront être isolées. La maison ou le magasin sera perquisitionné en présence de son propriétaire.
11. Ratissage et fouille : La Minuar peut être amenée à organiser une opération de fouille en vue de rechercher des armes, munitions et explosifs. Une autorisation préalable du Quartier Général de la Minuar est nécessaire pour exécuter une telle opération. Cette opération se fera en liaison avec la gendarmerie et la police locale et elle doit être faite avec des forces et des réserves suffisantes.
12. Patrouille : La patrouille formera une importante partie de l'opération dans la zone de consignation d'armes. Ceci sera fait tant par le bataillon d'infanterie que par les observateurs militaires de l'ONU.
a. Types de patrouilles : En fonction du terrain et de l'intensité de l'opération, on peut avoir :
(1) la patrouille à pied
(2) la patrouille montée
(3) la patrouille aéroportée
(4) la patrouille par voie fluviale ou lacustre
b. Objet de la patrouille :
(1) Confirmer, vérifier ou superviser un incident, une violation de l'accord ou du cessez-le-feu.
(2) Obtenir les informations du terrain, topographie etc.
(3) Superviser et inspecter les stocks/dépôts/magasins d'armes, de munitions et d'explosifs des deux forces.
(4) Localiser et confisquer les armes, munitions, explosifs, etc.
(5) Indiquer la présence des Nations unies.
(6) Assurer la protection des parties ou de la population.
(7) Empêcher les infiltrations des éléments armés dans les zones/endroits contrôlés.
c. Effectifs : En aucun cas, une patrouille à pied ne peut être faite par moins d'une section (8 à 10 personnes), une patrouille montée par moins de deux véhicules, une patrouille fluviale/maritime par moins de deux bateaux/vaisseaux convenables.
d. Sécurité : Contrairement aux patrouilles conventionnelles, la sécurité de la patrouille de l'ONU repose sur l'information préalable des deux parties, par l'intermédiaire des officiers de liaison. Cependant les aspects suivants doivent être tenus en considération :
(1) N'ENTREPRENEZ JAMAIS de patrouille dans les zones suspectées d'être minées.
(2) S'assurer que les signes/marques UN, sous forme de drapeau des Nations Unies, de matériel peint en blanc portant la marque UN et le logo des Nations Unies, soient bien visibles pendant la patrouille.
13. Escortes » : À la Minuar, l'escorte sera de deux types :
a. L'Escorte par les observateurs militaires de l'ONU : Cette escorte sera composée d'observateurs militaires non armés. En cas de suspicion d'un danger quelconque, cette escorte sera renforcée de militaires provenant des bataillons d'infanterie. Les escortes non armées seront normalement fournies aux personnalités importantes des deux parties, des agences de l'ONU, des missions étrangères et aux personnalités très importantes en visite.
b. Escortes armées : Les escortes armées seront composées de militaires d'infanterie. Elles seront destinées aux convois de l'ONU, au corps des troupes ou aux personnalités très importantes en guise de marque d'honneur et pour des raisons de sécurité.
c. Autorité pouvant détacher des escortes : le quartier général des forces de la Minuar, sur recommandation du commandant du secteur, sera le seul autorisé à détacher les escortes. L'officier chef de liaison est le coordinateur chargé du détachement des troupes.
Conditions préalables du plan de mise en oeuvre
14. L'exécution du plan de mise en oeuvre de la zone de consignation d'armes de Kigali est tributaire de l'accomplissement préalable des conditions suivantes :
a. Le Gouvernement rwandais doit fournir à la Minuar les informations détaillées sur les effectifs, les armes (y compris les pièces d'artillerie/mortiers/systèmes de défense anti-aérienne), les munitions et la disposition/emplacement de toutes les formations, unités et campements au sein de la zone de consignation d'armes déployés dans un rayon de dix kilomètres à partir du centre de la ville de Kigali. L'état de la situation militaire locale doit être immédiatement disponible.
b. Le FPR doit fournir à la Minuar les informations détaillées sur les effectifs, les armes, ainsi que les munitions de son bataillon qui doit être installé à Kigali. Il doit également faire parvenir à la Minuar le plan de congés, le plan de relève, etc. de ce bataillon.
c. Tous les mouvements d'unités constituées/corps de troupes, d'armes, de munitions et d'avions/hélicoptères militaires de toutes les parties seront soumis au regard attentif et au contrôle rigoureux de la Minuar, à partir du jour où les mesures de sécurité seront déclenchées dans la zone.
d. Les stocks/dépôts d'armes et de munitions des deux parties dans la zone de consignation d'armes seront de temps à autre examinés, vérifiés et inspectés par la Minuar quand elle le jugera nécessaire.
15. Après le déploiement des bataillons d'infanterie de l'ONU dans la région de Kigali, les mesures de contrôle suivantes devront être respectées par les autorités politiques/militaires tant des FGR et que du FPR :
a. Les forces gouvernementales devront se retirer de toutes leurs positions défensives, points statiques de contrôle, piquets et gardes se trouvant dans la ville et rentrer dans les casernes, à l'exception de certains points sensibles qui continueront à être protégés militairement. Les points et les forces autorisées figurent en Annexe B.
b. Toutes les parties devront interrompre leurs activités de patrouille dans la zone de consignation d'armes. Toutefois, la gendarmerie nationale, en collaboration avec la Minuar, continuera ses missions de sécurité dans la zone. En plus de la gendarmerie nationale, existent la police des établissements publics et privés, la sécurité des biens privés organisée en sociétés (COBRA SECURITY, SECURIC,...) et l'auto-défense de la population (rondes nocturnes, ZAMU), à condition que ces groupes d'auto-défense des quartiers puissent être formellement identifiés par les gendarmes accompagnant les patrouilles de la Minuar et que leurs mouvements soient gérés par la gendarmerie.
c. Les munitions des armes/armements lourds tels que les canons d'artillerie, les chars, les systèmes de missiles/roquettes, les hélicoptères armés, etc. seront privés de leurs systèmes d'armes et gardés dans les stocks/dépôts situés à l'intérieur des zones/cantonnements sous la responsabilité respective des parties et la Minuar les surveillera.
d. À l'exception de la garde présidentielle et des gardes aux points repris en Annexe B, il n'y aura pas de mouvement d'unités formées ou de contingents d'un effectif dépassant la force d'une section (10 personnes) de n'importe laquelle des deux parties en dehors des casernes ou d'autres endroits désignés, sans l'autorisation préalable du QG de la Minuar.
e. Les deux parties seront autorisées à escorter leurs chefs politiques et les commandants militaires lors de leurs déplacements. L'escorte aura au maximum l'effectif d'une section (10 personnes) et disposera de fusils/pistolets semi-automatiques, chacun avec 60 cartouches.
Les autorités suivantes auront le droit d'être escortées :
(1) Le président l'escorte présidentielle sera fournie par un peloton et aura au maximum l'effectif de deux sections (10 personnes par section). Dans certains cas de situations de grande envergure dans la zone de consignation, le nombre de sections pourrait être porté à trois. Dans les occasions où le président doit assister à de grandes manifestations, le déploiement détaillé de personnels armés sera discuté et coordonné au QG de la Minuar.
(2) Le président de l'Assemblée nationale, le président de la Cour suprême, le Premier ministre, les membres du Gouvernement et d'autres personnalités importantes dont les noms et les fonctions seront notifiés à la Minuar.
(3) Le chef du commandement central/Conseil politique du FPR et d'autres personnalités très importantes dont les noms et les fonctions seront notifiés à la Minuar.
(4) Les membres du Haut Conseil de commandement de l'armée et du Conseil de commandement de la gendarmerie nationale ainsi que le chef des forces armées du FPR en fonction.
f. Toutes les escortes des forces seront soumises à la supervision des observateurs militaires de l'ONU et, si nécessaire, escortées par les troupes de la Minuar.
g. Les deux parties peuvent avoir des gardes rapprochées dans les résidences et les bureaux des hautes personnalités ainsi qu'au sein de leurs quartiers généraux pour des raisons de sécurité. De telles gardes seront d'un effectif maximum de dix (10) hommes, resteront à l'intérieur de l'endroit gardé et ne pourront avoir à leur disposition aucun système d'armes offensives comme les chars, les pièces d'artillerie, les missiles/roquettes et les hélicoptères armés.
h. Toutes les forces seront autorisées à pratiquer les activités habituelles de formation/exercice à l'intérieur de leurs casernes et bivouacs, sauf les exercices de déploiement de pièces d'artillerie, de mortiers, de défense anti-aérienne et des chars/APC. Les forces seront autorisées à faire leurs activités administratives de routine à l'intérieur des camps/cantonnements dans les limites désignées.
Modus operandi :
16. La composante militaire de la Minuar, c'est-à-dire, le bataillon d'infanterie et les observateurs militaires, devront en tout temps, en coordination avec la police civile de la Minuar, s'assurer que les conditions préalables reprises dans les paragraphes suivants sont mises en oeuvre et respectées.
17. Pour l'établissement de la zone de consignation d'armes de Kigali et la mise en oeuvre des mesures de contrôle, le bataillon d'infanterie et les observateurs militaires du secteur de Kigali devront tous deux procéder comme suit :
a. Établissement des points de contrôle : Les points de contrôle tant mobiles que statiques devront être établis sur toutes les intersections des grands axes routiers et les points d'entrée et de sortie de la zone. Les points de contrôle statiques doivent être établis aux points d'entrée et de sortie des cantonnements des FGR et du FPR, avec des effectifs suffisants. Tous les mouvements d'entrée et de sortie des FGR et du FPR devront être contrôlés.
b. Barrages routiers : En plus des points de contrôle, des barrages routiers seront également érigés, surtout pendant la nuit.
c. Perquisition : Les opérations de perquisition seront effectuées sur tous les points de contrôle mobiles et sur tous les points de contrôle statiques. Elles se feront à des intervalles de temps irréguliers.
d. Patrouille : Des programmes élaborés de patrouille seront préparés tant par le bataillon d'infanterie que par les observateurs militaires pour couvrir toutes les routes principales, les routes secondaires, les cantonnements et les installations importants du point de vue opérationnel, les endroits occupés par le FPR, l'aéroport, etc. Les observateurs militaires seront toujours accompagnés par des escortes armées pendant leurs patrouilles de nuit.
e. Cordon : Ceci sera fait en coordination avec la gendarmerie nationale et la police locale, et sur information spécifique se rapportant à la découverte de caches d'armes, de munitions et d'explosifs. L'opération de cordon sera à éviter pendant la nuit.
18. Les observateurs militaires de l'ONU surveilleront, observeront, mèneront des investigations et feront rapport sur les situations suivantes :
a. Le déploiement des FGR et tous changements quant à leurs troupes/systèmes d'armement déjà déployés, y compris les munitions, dans et aux environs de la ville de Kigali (dans un rayon de 10 kilomètres).
b. Tous les mouvements d'entrée ou de sortie des FGR et du FPR dans ou en dehors de leurs zones respectives.
c. Déploiement et redéploiement, s'il y en a, d'importants systèmes d'armement comme l'artillerie de campagne, les fusils anti-aériens, les chars/APC ainsi que les hélicoptères armés, etc. des deux parties.
d. Le désordre et autres troubles civils, attroupements, les meetings et réunions des partis politiques, etc., en collaboration avec la police civile des Nations Unies.
e. Les assassinats, intimidation et persécutions à caractère politique affectant le fonctionnement de la Minuar.
Conclusion
19. L'Etablissement de la zone de consignation d'armes de Kigali est vital pour le succès de la mission de la Minuar. Ceci est, en effet, la première phase importante du processus de paix au Rwanda. Le succès de cette phase d'opération dépendra d'une planification élaborée et approfondie et de l'exécution minutieuse de toutes les différentes mesures de contrôle par le bataillon d'infanterie et le groupe d'observateurs militaires du secteur de Kigali.
20. Le degré de l'intensité de l'imposition des mesures de contrôle et de restrictions de mouvements, du déploiement et du redéploiement des FGR et des forces du FPR reposera en dernier lieu sur la coopération entre les composantes militaires de la Minuar déployées sur le terrain d'une part et les FGR et le FPR d'autre part. La plus grande prudence doit être exercée et une neutralité absolue devra être observée dans le contrôle des deux forces antagonistes, afin qu'aucune partie ne se sente lésée ou trahie.
ANNEXE B
Sécurité des points sensibles
1. Une sécurité militaire sera assurée à certains points sensibles ou vitaux.
2. Le nombre indiqué dans le tableau ci-après reprend le nombre maximum autorisé d'hommes armés chargés de la sécurité de ces points.
3. L'unité de défense disposera de fusils ou de pistolets semi-automatiques chacun avec 60 cartouches.
4. Dans le cas particulier de la sécurité des quartiers militaires, un piquet armé d'intervention de 10 hommes sera autorisé. Armes et munitions du piquet seront enfermées dans un local ad hoc. La garde armée des camps militaires se fera au corps de garde principal et se composera au maximum de six hommes et d'un sous-officier.
5. La sécurité des résidences et des lieux de travail ou de réunion des VIP se fera conformément aux procédures opérationnelles, paragraphe 15. g.
6. Liste des points sensibles retenus par la Minuar
a. Radio-télévision : 10
b. Prison de Kigali : 50
c. Télécom + BNR Kigali : 10
d. ELECTROGAZ Gikondo : 10
e. Captage d'eau YANZE : 10
f. Centre d'épuration d'eau : 10
g. Dépôts carburant : 10
h. Aéroport : 10
j. Station terrienne Nyanza : 10
k. JABANA transfo. : 10
l. CRCD : 10
m. Télécom JARI : 10
n. NYAMIRAMBO : 30
o. REMERA : 30
p. KICUKIRO : 30
ANNEXE C
ESCORTE SUPERVISION
1. MISSION DES OBSERVATEURS MILITAIRES DE L'ONU :
A. Escorter les personnalités désignées dans et en dehors de la KWSA (zone de consignation d'armes de Kigali).
B. Contrôler et vérifier toutes les armes, munitions et matériel militaire stockés et gardés à des endroits désignés au sein de la KWSA.
C. Contrôler tous les mouvements des unités militaires constituées au sein de la KWSA.
2. RESPONSABILITÉS D'ESCORTE :
A. Les escortes non armées seront effectuées par les OMNU. Les escortes armées seront conduites par les bataillons d'infanterie durant la nuit.
B. L'autorisation des escortes doit être donnée par le QG du secteur. La planification est hebdomadaire La confirmation, la coordination et le briefing se font 24 heures à l'avance.
C. Effectifs :
Escorte non armée Une équipe d'OMNU.
Escorte armée Minimum deux véhicules armés.
D. Coordination :
(1) L'officier de liaison du secteur Kigali est responsable de l'information, de la planification, de la coordination et du contrôle des escortes.
(2) Le chef d'escorte recevra un briefing de l'officier de liaison du secteur le jour précédant la mission (voir 4).
(3) Le rapport sera fait au QG du secteur à la fin de chaque mission (voir 4).
(4) a. Point de départ.
b. Heure de départ (estimée effective).
c. Composition détaillée du convoi.
d. Point de contact.
e. Responsabilité du convoi.
f. Destination.
g. Itinéraire et remarques (INFO).
h. Heure estimée d'arrivée (effective).
i. Incident : quoi, où, quand, réaction.
j. Composition de l'escorte.
k. Logistique.
SIGNE :
3. CONTRÔLE ET VÉRIFICATION DU MATÉRIEL, DES ARMES ET MUNITIONS :
A. Les inventaires doivent être fournis par les deux parties au QG du secteur par l'intermédiaire des officiers de liaison.
B. Les registres doivent être tenus à jour.
C. Le contrôle des visites se fera à intervalles irréguliers sans avertissement (pas plus de 72 heures entre deux contrôles).
D. Le nombre de OMNU devrait être suffisant afin d'éviter toute manipulation frauduleuse durant l'inspection. Pour une inspection de grande envergure, le Bn Infanterie donnera des renforts pour la surveillance.
E. Au moment de l'inspection, le chef de l'équipe OMNU invitera la personne responsable des lieux à l'accompagner, avec les registres.
F. Il faudra contrôler : la quantité, les numéros d'enregistrement, les mutations et le stockage.
G. Le rapport sera fait au QG du secteur :
a. Nom du chef de l'équipe.
b. Cantonnements inspectés.
c. Personnes contactées.
d. Objets inspectés et remarques.
e. Propositions pour : d'autres investigations, l'amélioration de la procédure et la date du contrôle suivant.
4. CONTRÔLE DU MOUVEMENT DES UNITÉS MILITAIRES CONSTITUÉES
A. Tous les mouvements seront planifiés une semaine à l'avance et communiqués au QG du secteur par les officiers de liaison des deux parties tous les jeudis avant 10.00 heures.
B. Le chef de l'équipe OMNU sera briefé par le LO du QG du secteur :
a. Objet du mouvement.
b. Effectifs de l'unité.
c. Point et heure de départ.
d. Itinéraire et destination.
e. Point de contact (POC).
C. Chaque mouvement sera accompagné et contrôlé par une équipe OMNU. Si les circonstances l'exigent, l'équipe OMNU sera renforcée par une unité d'infanterie (effectifs à déterminer par le QG du secteur).
D. Le rapport de mission sera adressé au QG de secteur en ce qui concerne les points repris au para. B. Le rapport comprendra les incidents et les propositions éventuelles.
ANNEXE D
Police civile
1. MISSION DE LA POLICE CIVILE DE L'ONU (POLCIVNU)
A. Aider la gendarmerie et la police locale à contrôler et contrer les activités criminelles dans la KWSA.
B. Etre prêt, avec la gendarmerie et la police locale, à épauler les bataillons d'infanterie dans l'établissement et la mise en oeuvre de la KWSA.
2. D'UNE MANIÈRE GÉNÉRALE
A. Échange d'informations :
(1) Tout membre des forces de la Minuar doit noter toute information concernant tout sujet de nature à faire réussir la mission et en particulier tous les sujets relatifs aux activités de police.
(2) Transmission des informations :
a. La police civile de l'ONU obtient des informations grâce à des contacts quotidiens avec la gendarmerie et la police locale.
b. Les rapports de mission des OMNU seront exploités par le secteur.
c. Exploitation des rapports quotidiens de situation préparés par les bataillons.
d. Les info. importantes et urgentes doivent être immédiatement transmises au QG concerné afin d'éviter l'escalade ou la détérioration des situations.
e. Un représentant de la police civile de l'ONU participera aux réunions quotidiennes au QG du secteur de Kigali afin de prendre connaissance des activités du bataillon au sein de la zone.
f. Le QG du secteur de Kigali déléguera un LO permanent au QG de la gendarmerie.
B. Organisation :
(1) Suivant l'organisation de la KWSA, la police civile de l'ONU consacrera une équipe à chaque secteur (Nord-Centre-Sud) et gardera une équipe de réserve.
(2) Les activités de surveillance seront coordonnées par le QG de secteur.
(3) Les demandes d'intervention comporteront les informations suivantes : quoi, où, quand, réaction, évolution éventuelle de la situation et degré d'urgence de l'intervention (pas urgent, dès que possible, urgent).
ANNEXE 9
Rapport topographique.
Rapport topographique et plan
Deux membres du groupe ad hoc Rwanda se sont rendus à Kigali afin d'avoir une vision précise des lieux et permettre ainsi d'apprécier l'itinéraire des dix paras, le 7 avril 1994 et les circonstances exactes de leur assassinat.
Cela devait permettre au groupe ad hoc de visualiser les informations contenues dans les documents consultés.
Il en a résulté les constatations suivantes :
Les événements se sont produits dans un espace géographique très limité.
Les barrages pour atteindre la résidence du Premier ministre, cette résidence, le camp Kigali où nos paras ont été assassinés, l'École royale militaire où le général Dallaire a participé à la réunion du 7 avril au matin, et la morgue de l'hôpital de Kigali où les corps de nos paras ont été déposés, tous ces lieux sont situés dans un cercle, d'un rayon de quelque 500 à 600 mètres (cf. plan ci-joint).
La distance entre la route d'où le général Dallaire a aperçu plusieurs corps étendus de soldats belges et le bâtiment devant lequel les corps se trouvaient est d'environ 35 mètres.
Le bâtiment devant lequel et à l'intérieur duquel nos para-commandos ont été abattus après avoir combattu, présente de nombreux points d'impact de balles, et des traces d'éclats de grenades, témoins de l'intensité des tirs et de la résistance de nos paras.
Cette visite du bâtiment s'est révélée particulièrement émouvante.
BIJLAGE 10
Lijst van kantonnementen.
Liste des cantonnements
| Code | Description | Unité | Force |
| AGUSTA | Maison privée | Détachement hélicoptère | 09 Pers |
| BEVERLY HILLS | école technique officielle | Gp SUD | |
| ETO DON BOSCO | Poste secours bataillon, ACP | 90 Pers | |
| CAILLOU | Maison privée | Logement ACP | 06 Pers |
| CAPUCCINO | Hangar et une maison de la société RWANDEX | Base logistique | |
| Atelier de la société IVECO | 41 Pers | ||
| CHINATOWN | Maison privée | PC Gp CITY | 15 Pers |
| DOLCE VILLA | Maison privée | Partie état-major bataillon | |
| Détachement judiciaire | 18 Pers | ||
| FRANCISCUS | Ecole ATS DON BOSCO | Gp AIRFIELD (1/2 PC + 1P1) | |
| Ateliers techniques salésiens | Padre, démineurs | 50 Pers | |
| MIRADOR | Maison privée | UN P1 Gp CITY | 36 Pers |
| PEGASUS | Maison privée | état-major bataillon | 21 Pers |
| RAMADAN | Maison privée | UN P1 Gp CITY | 36 Pers |
| TOP GUN | Alentours ancienne tour de contrôle de l'aéroport | Gp AIRFIELD (1/2 PC + 1P1) | 40 Pers |
| VIKING | Maison privée | P1 mortier | 25 Pers |
| VIPERE | Entrepôt à l'OUEST de la nouvelle tour de contrôle | CVRT | |
| 5 véhicules | 5 Pers | ||
| VITAMINE | Maison privée | Partie détachement médical | 5 Pers |
Cette implantation avait été reprise du Bn précédent.
La dispersion des cantonnements avait été imposée à la fois par le Comd Force et les disponibilités en logement.
Un projet de construction de bungalows à l'aérodrome (projet KIGALODGE) avait été introduit dès le mois de février après la reconnaissance par S6 et devait à terme permettre de regrouper à l'aérodrome l'ensemble du Gp AIRFIELD, le Det Heli et l'ACP.
ANNEXE 11
Brief van de minister van Buitenlandse Zaken.
De heer Frank SWAELEN
Voorzitter van de Senaat
Paleis der Natie
Natieplein, 2
1009 BRUSSEL
Mijnheer de Voorzitter,
Betreft : ad hoc-commissie Rwanda
In antwoord op uw brief van 12 december jongstleden kan ik u mededelen dat de verslagen van de coördinatievergaderingen die u werden bezorgd door het toenmalige Kabinet van Buitenlandse Zaken werden opgesteld. Het feit dat deze documenten nu nog steeds beschikbaar zijn heeft louter te maken met het feit dat een deel van de diskettes van het vorige Kabinet per toeval niet werden uitgewist en op mijn Kabinet verder werden gebruikt.
Een nieuw onderzoek op mijn administratie (met inbegrip van navraag bij inmiddels gepensioneerde personeelsleden) leverde geen nieuwe documenten op. Navraag bij een gewezen kabinetslid dat dit dossier beheerde, leerde mij overigens dat de coördinatie rond Rwanda meestal gebeurde in de rand van vergaderingen rond Joegoslavië en zich beperkte tot het regelen van allerhande praktische modaliteiten.
Met de meeste hoogachting,
Erik DERYCKE.
VI. AFKORTINGEN ABRÉVIATIONS
AMBABEL : Belgische ambassade/Ambassade de Belgique
APC : Armoured Personnel Carriers
ARDHO : Association pour la protection des droits de l'homme
AVP : Association des volontaires de paix
BAT : Bataljon, Bataillon, Battalion
Bde : Brigade
Bn : Bataljon, Bataillon
Bn KGL : Bataljon Kigali, Bataillon Kigali
BYABAT : Ghanian Battalion
CDR : Coalition pour la défense de la république
CHP : Checkpoint
CLADHO : Collectif des ligues et associations de défense des droits de l'homme
C Ops : Centre d'opérations
Ctl : Control
CTM : Coopération technique militaire
CVRT : Combat Vehicle Reconnaissance Tracked
DelbelUNO : Belgische delegatie bij de VN/Délégation belge auprès de l'ONU
Det : Detachement, Détachement
Det BE : Détachement belge
DGSE : Direction générale de la sécurité extérieure (France, Frankrijk)
DRM : Direction du renseignement militaire (France, Frankrijk)
EEI : Essentiële elementen van informatie/Éléments essentiels d'information
ESM : École supérieure militaire (Kigali)
FAR : Forces armées rwandaises
FC : Force Commander
FIDH : Fédération internationale des droits de l'homme
FPR : Front patriotique rwandais
GdN : Gendarmerie nationale
IDC : Christen-democratische Internationale/Internationale démocrate-chrétienne
JS : Joint Staff
JSO : Joint Staff, Afdeling operaties/Joint Staff, Division Operations
JSO-P : Joint Staff, Operaties-Personeel/Joint Staff, Opérations-Personnel
KIBAT : Belgian Battalion
KWSA : Kigali Weapon Secure Area
MDR : Mouvement démocratique républicain
MINAFET : Ministère des Affaires étrangères
MINUAR : Mission des Nations unies pour l'assistance au Rwanda
MRDN : Mouvement républicain national pour la démocratie et le développement
MTS/CTM : Militaire technische coöperatie/Coopération technique militaire
NIF : Neutral international force
OAE : Organisatie voor de Afrikaanse Eenheid
ORINFOR : Office d'information du Rwanda
PL : Parti libéral
PNUD : Programme des Nations unies pour le développement
PP-MDN : Porte-parole Ministère de la Défense
PSD : Parti social démocrate
QG : Quartier général
QRF : Quick Reaction Force
ROE : Rules of Engagement/Régles d'engagement
RTLM : Radiotélévision libre Mille Collines
RUTBAT : Bangladesh Battalion
SECURE SITREP : Situation Report
SGR : Algemene Dienst Inlichtingen van het Ministerie van Landsverdediging/Service général du Renseignement du Ministère de la Défense nationale
UNAMIR : United Nations Assistance Mission for Rwanda
UNCIVPOL : United Nations Civilian Police
UNHCR : United Nations High Commissioner for Refugees
UNOMUR : United Nations Observer Mission Uganda-Rwanda
VN : Verenigde Naties
(1) (E/CN.4/1994/7/Add.1) Report by the Special Rapporteur on extrajudicial, summary or arbitrary executions on his mission to Rwanda, 8-17 April 1993, including as annex II the statement of 7 April 1993 of the Government of Rwanda concerning the final report of the independent International Commission of Inquiry on human rights violations in Rwanda since 1 October 1990.
(2) Second progress report of the Secretary-General on UNAMIR for the period from 30 December 1993 tot 30 March 1994, requesting an extension of its mandate for a period of six months.