2-104

2-104

Belgische Senaat

2-104

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 29 MAART 2001 - OCHTENDVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over «de maatregelen voor de tewerkstelling van thuiswerkende ouders die om herinschakeling hebben verzocht» (nr. 2-403)

Vraag om uitleg van de heer Frank Creyelman aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over «de discriminatie van nationalisten door de vakbonden en de dienstverlening door de Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen» (nr. 2-415)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Financiën over «de fiscale controle van de belastingaangifte» (nr. 2-425)

Vraag om uitleg van mevrouw Magdeleine Willame-Boonen aan de minister van Financiën over «de aanpassing van het forfaitair bedrag inzake beroepskosten voor zelfstandige onthaalmoeders» (nr. 2-427)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Justitie over «de zoekacties in de gevangenis van Leuven-Centraal en de commentaar van het Leuvense parket daarop» (nr. 2-426)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Justitie over «de herziening van de veroordeling uitgesproken tegen Leo Vindevogel» (nr. 2-406)

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over «bepaalde sociaalrechtelijke problemen in het kader van buitenlandse adopties» (nr. 2-418)

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de minister van Financiën over «de fiscaal vrijgestelde giften aan erkende adoptiediensten» (nr. 2-421)

Wetsontwerp tot wijziging van verscheidene wetsbepalingen inzake de voogdij over minderjarigen (Stuk 2-509) (Tweede behandeling)

Wetsontwerp tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de gerechtelijke kantons (Stuk 2-604)

Vraag om uitleg van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister van Justitie over «de omzetting van de richtlijn ter bestrijding van de betalingsachterstand» (nr. 2-411)

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Justitie over «het opsluiten van minderjarigen en het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind» (nr. 2-401)

Vraag om uitleg van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Justitie over «de uitspraken van de minister over de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica» (nr. 2-413)

Berichten van verhindering


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 9.40 uur.)

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over «de maatregelen voor de tewerkstelling van thuiswerkende ouders die om herinschakeling hebben verzocht» (nr. 2-403)

De voorzitter. - De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Het verheugt me dat een man mijn al bij al zeer vrouwelijke vraag beantwoordt. Ik kan begrijpen dat mevrouw Onkelinx, gezien haar talloze verplichtingen, niet aanwezig kan zijn.

De voorzitter. - Mevrouw, minister Picqué kan zich toch voor gezinsproblemen interesseren!

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Natuurlijk, en dat verheugt mij ook. Over het algemeen houd ik er niet van dat een vrouw antwoordt op vragen over specifieke vrouwenproblemen; ik hou van afwisseling. Ik sta vol bewondering voor de activiteit die mevrouw Onkelinx vandaag aan de dag legt.

Wij horen regelmatig dat ouders, mannen of vrouwen, maar toch meestal vrouwen, die verschillende jaren van hun leven aan hun gezin hebben gewijd, op een bepaald ogenblik hun beroepsleven willen hervatten. Gewoonlijk doen ze dat rond de veertig. Zij wensen zich dan opnieuw in te schakelen in het arbeidscircuit dat ze spijtig genoeg - ik bedoel spijtig vanuit sociaal oogpunt en vanuit het oogpunt van de sociale zekerheid - sinds verschillende jaren hebben verlaten. Zij ondervinden hierbij heel wat moeilijkheden en er zijn geen maatregelen om hen te helpen opnieuw een statuut te vinden. Doordat zij geen bijdragen hebben betaald en niet over het statuut van werkloze beschikken, bevinden ze zich in een bijzonder moeilijke situatie.

De werkgevers gaan niet gemakkelijk in op de vraag van deze mensen, aangezien er maar weinig maatregelen bestaan die hen ertoe aanzetten zulke mensen in dienst te nemen. Er werden talrijke verenigingen opgericht die zich inlaten met deze problematiek, met name de vereniging van de vrouwen aan de haard. Deze vereniging telt meer en meer vrouwen tussen 40 en 45 jaar die zich graag opnieuw in het beroepsleven willen inschakelen en vaak ook tot hun vijfenzestigste willen werken.

Ik zou graag willen weten of er vanaf het begin van deze zittingsperiode maatregelen zijn genomen ter ondersteuning van deze werkzoekenden en welke wetteksten voorzien in ondersteuningsmaatregelen voor hun indienstneming.

Werklozen genieten gunstmaatregelen voor hun herinschakeling in de arbeidsmarkt. Over het algemeen is dit zelfs een conditio sine qua non om de voordelen te kunnen genieten van een banenplan en van de talrijke maatregelen die deze en vorige regeringen hebben genomen.

Die verenigingen wensen te weten of de regering nieuwe maatregelen heeft genomen ten aanzien van deze categorie van vrouwen. Het kan gaan om maatregelen met betrekking tot hun sociaal of hun fiscaal statuut, of om maatregelen ten gunste van werknemer of werkgever om de indienstneming van de betrokkenen te bevorderen.

De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. - Ik zal trachten het schema te volgen dat mevrouw Onkelinx mij heeft bezorgd. Ik bied opnieuw haar verontschuldigingen aan, maar mevrouw Nyssens is op de hoogte van de omstandigheden waardoor de minister de vergadering van deze ochtend niet kan bijwonen.

Op 2,75 miljoen niet-actieven zijn er maar 350.000 volledig uitkeringsgerechtigde werklozen. Er zou dus een latente arbeidsreserve voorhanden zijn van iets meer dan 2 miljoen personen. Uiteraard is niet elke werkloze geïnteresseerd in een job. Nochtans wensen een groot aantal mensen uit deze groep zich opnieuw aan de slag te gaan. De overheid moet hen hierbij aanmoedigen. Deze groep is hoofdzakelijk samengesteld uit vrouwen die opnieuw willen werken na een periode van onbeschikbaarheid. Het gaat vooral om vrouwen die hun beroepsactiviteit gedurende verschillende jaren hebben onderbroken om zich te wijden aan de opvoeding van hun kinderen.

Mevrouw Onkelinx beklemtoont eerst en vooral dat ondersteuningsmaatregelen voor hun wederinschakeling op de arbeidsmarkt eigenlijk slechts "tweedelijnsmaatregelen" zijn. Het is natuurlijk beter om te voorkomen dat deze werknemers hun job moeten verlaten. Om die reden hecht de minister zoveel belang aan maatregelen die het mogelijk maken het beroeps- en gezinsleven beter met elkaar te verzoenen. Op 9 maart jongstleden heeft de ministerraad een wetsontwerp goedgekeurd dat deze harmonisering beoogt. Zo wordt onder andere het recht op kredieturen veralgemeend. Er wordt ook een recht op de vierdagenweek ingevoerd voor maximum vijf jaar op een volledige loopbaan. Dergelijke formules van tijdelijk deeltijds werk met behoud van het recht op een voltijdse betrekking of formules van tijdelijke loopbaanonderbreking met behoud van sociale zekerheidsrechten en met recht op terugkeer naar het werk zijn adequate alternatieven voor het stoppen met werken.

In dezelfde context wordt de fiscale aftrekbaarheid voor de kosten van de kinderopvang, die vroeger tot 80% van de kosten was beperkt, vanaf het aanslagjaar 2001 (inkomsten van 2000) opgetrokken tot 100%. In dezelfde geest streven de Gewesten naar een uitbreiding van de opvangmogelijkheden voor kinderen, waardoor de werkende vrouw nog een andere keuze krijgt dan stoppen met werken. Voorheen bestonden formules als kredieturen, loopbaanonderbreking en uitgroeibanen niet. Zo komt het dat vrouwen die destijds geen andere keuze hadden dan hun werk op te zeggen nu opnieuw een baan zoeken.

De regering heeft ook een aantal reglementaire aanpassingen goedgekeurd. De wederinschakeling van deze mensen op de arbeidsmarkt wordt vooral bevorderd door de loonkost te verminderen. Er bestaan talloze technische maatregelen tot bevordering van de werkgelegenheid die de werkgeversbijdragen aan de sociale zekerheid bij de aanwerving verminderen. Deze maatregelen zijn gericht op uitkeringsgerechtigde werklozen. Wederintreders worden gelijkgesteld met uitkeringsgerechtigde werklozen. Krachtens de wet van 12 augustus 2000 geldt dat voor het +1, +2 en het +3-plan. Voor de vervanging van bruggepensioneerden geldt deze gelijkstelling reeds sinds 1992. In het verslag vindt u een reeks schikkingen uit de verschillende plannen, waarover ik nu niet verder zal uitweiden.

Om het begrip "wederintreder" te kunnen gelijkschakelen met een uitkeringsgerechtigde werkloze, moest het natuurlijk worden gedefinieerd. Het volstaat immers niet om zich als werkzoekende in te schrijven. Als iedereen dit statuut kon bekomen, zou er geen sprake meer zijn van een beleid ten gunste van de doelgroepen. Daarom wordt geëist dat de wederintreders voorheen als loontrekkende hebben gewerkt of reeds van een werkloosheidsuitkering hebben genoten. De vereiste arbeidsperiode werd vastgelegd op 312 arbeidsdagen of een jaar, d.i. het minimum aantal dagen dat nodig is om recht te hebben op een werkloosheidsuitkering. Deze voorwaarde waarborgt de gelijke behandeling. Om wederintreder te zijn, moet men zich van de arbeidsmarkt hebben teruggetrokken, wat inhoudt dat men een zekere tijd heeft gewerkt.

Mevrouw Onkelinx is er zich van bewust dat dit pakket van maatregelen de toegang tot de arbeidsmarkt voor wederintreders niet volledig probleemloos maakt. Als zij geen recht hebben op een werkloosheidsuitkering kunnen de betrokkenen evenmin genieten van de maatregelen tot activering van de uitkeringen zoals de overgangscontracten, de dienstenbanen en de "Smet-banen".

Nu de activering van de uitkeringen bij de aanwerving van langdurig werklozen wordt veralgemeend, denkt mevrouw Onkelinx dat het lot van de wederintreders nog grondiger moet worden onderzocht.

Zij wil evenwel niet de indruk wekken dat de vorige regeringen te weinig zouden gedaan hebben. Ze verwijst naar specifieke bepalingen van de werkloosheidsreglementering met betrekking tot het stoppen met werken voor de opvoeding van de kinderen. Om recht te hebben op werkloosheidsuitkeringen geldt de algemene regel dat men dient te hebben gewerkt als loontrekkende in de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de aanvraag van de uitkering. Artikel 30 van het koninklijk besluit van november 1991 betreffende de werkloosheidsreglementering bepaalt niettemin dat in geval van arbeidsonderbreking voor de opvoeding van de kinderen een periode van maximul 3 jaar vanaf de geboorte niet in aanmerking wordt genomen. In dit geval moet men niet aantonen dat men werkte onmiddellijk vóór de aanvraag van een uitkering, maar wel in de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de arbeidsonderbreking voor opvoeding van de kinderen.

Verder verwijst de minister naar de Gewesten en de Gemeenschappen die bevoegd zijn voor de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding.

Ik hoop hiermee op al de vragen van mevrouw Nyssens te hebben geantwoord.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Ik dank de minister voor dit volledige antwoord. Ik zal met genoegen kennisnemen van de verschillende wettelijke beschikkingen en ze bezorgen aan de verenigingen die zich met deze problematiek inlaten. De toekomstige generaties zullen dit probleem niet kennen. Het gaat om een specifiek probleem van mensen die hun beroepsloopbaan hebben onderbroken in een periode met andere zeden en gewoonten. De verarming duwt hen nu opnieuw naar de arbeidsmarkt.

Onze aandacht moet vooral gaan naar de vrouwen die in armoede leven omdat ze niet lang genoeg hebben gewerkt om te kunnen genieten van de tewerkstellingsmaatregelen.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Frank Creyelman aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over «de discriminatie van nationalisten door de vakbonden en de dienstverlening door de Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen» (nr. 2-415)

De voorzitter. - De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid.

De heer Frank Creyelman (VL. BLOK). - Al verscheidene jaren worden nationalistische militanten geweerd uit de vakbonden. Sinds de verkiezingen van 8 oktober 2000 is de vervolging van nationalisten in een stroomversnelling terechtgekomen en worden leden van het Vlaams Blok door de grote vakbonden systematisch aan de deur gezet. Vooral het ABVV en het ACV nemen hierin het voortouw. Het ACLVB sluit voorlopig zelf niemand uit, maar weigert wel leden die door de andere vakbonden zijn uitgesloten.

Een ledenvereniging heeft het recht mensen al dan niet als lid te aanvaarden, maar dat recht krijgt wel een heel specifieke betekenis wanneer het gaat over de vakbonden. De organisatie van de uitbetaling van werkloosheidsuitkeringen en de bijstand aan arbeiders bij de verdediging van hun sociale rechten maakt van de Belgische vakbonden bijna overheidsinstellingen. De vakbonden krijgen immers zoveel veel faciliteiten en mogelijkheden dat het geen zin heeft te blijven beweren dat het louter ledenverenigingen zijn. Indien het dus niet om een ledenvereniging gaat, mogen de vakbonden hun beslissing om leden toe te laten of te weigeren niet baseren op een politieke overtuiging.

Ik geef een concreet voorbeeld van de discriminatie waarvan nationalisten het slachtoffer worden. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober 2000 stond een lid van de vakbond op de lijst van het Vlaams Blok. Hij had zich nog nooit publiek over zijn lidmaatschap van het Vlaams Blok uitgelaten, maar door zich kandidaat te stellen op de lijst, werd dit uiteraard duidelijk. De man kreeg een brief van de plaatselijke secretaris van het ABVV waarmee hij formeel uit de vakbond werd gezet wegens het zogezegde lidmaatschap van "een niet-democratische organisatie". De man is gepensioneerd en was vroeger werkzaam in de bouwsector. Hij diende enkele weken na de verkiezingen eigenhandig een aanvraag in tot het bekomen van het wettelijk aanvullend bouwpensioen. De organisatie die dit pensioen moet uitbetalen, SEFOBO, liet hem weten dat hij het aanvullend pensioen ontvangt via de vakbond en dat er, indien hij niet meer bij een vakbond aangesloten is, 12% van het aanvullend pensioen van SEFOBO wordt ingehouden. Omdat hij wegens zijn politieke overtuiging uit de vakbond werd gezet, verliest hij nu 12% van zijn aanvullend pensioen.

Er zijn nog andere gevallen bekend. Sommige mensen hadden niet meer gedaan dan voor het Vlaams Blok de kiesverrichtingen gevolgd en hoewel ze zich nooit publiekelijk over het Vlaams Blok hadden uitgelaten, ontvingen ze een brief waarmee zij uit de vakbond werden gezet.

Wie niet bij een vakbond is aangesloten en werkloos wordt, moet zich wenden tot de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen, de HVW, om zijn elementaire sociale rechten te kunnen genieten. De HVW werkte enkele jaren geleden allesbehalve behoorlijk en bovendien heeft ze maar in 34 steden en gemeenten een kantoor. Dat betekent niet alleen dat sociaal gerechtigden lange afstanden moeten afleggen om te kunnen rekenen op de nodige dienstverlening, maar ook dat ze niet altijd de dienstverlening krijgen waarop zij recht hebben.

Ik weet niet of de praktijk nu nog bestaat, maar het was lange tijd dagelijkse kost dat mensen die bij de HVW een werkloosheidsvergoeding aanvroegen, onmiddellijk een formulier meekregen voor de drie maanden die normaal verlopen tussen de periode dat het dossier naar de RVA wordt doorgestuurd en de terugzending ervan, met de raad zich tot het OCMW te wenden om die drie maanden te overbruggen. In onze verzorgingsmaatschappij worden mensen die niet bij de vakbond zijn aangesloten, overduidelijk gediscrimineerd.

Die gebrekkige dienstverlening van de HVW is natuurlijk niet verwonderlijk als we weten dat de vakbonden het in de raad van bestuur voor het zeggen hebben. De vakbondsvertegenwoordigers zijn niet gediend met een degelijke gratis sociale dienstverlening door de overheid, want dan wordt de vakbond voor een stuk overbodig.

Er is een duidelijke discriminatie tussen personen die bij de vakbond zijn aangesloten, en personen die dat niet zijn - al dan niet gedwongen - en die via de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen moeten worden betaald.

Ik had de minister willen vragen in haar antwoord op deze vraag om uitleg een teken van hoop te geven aan de vele honderden nationalisten van wie de sociale rechten wegens hun politieke overtuiging worden aangetast en de vele duizenden anderen die om principiële of andere redenen geen lid wensen te worden van de bestaande vakbonden. Ook zij hebben dezelfde rechten als alle andere landgenoten. Kan de overheid geen maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de Hulpkas behoorlijk werk levert opdat iedereen op gelijkwaardige manier de voordelen van onze verzorgingsmaatschappij kan genieten?

De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. - Als vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid vindt mevrouw Onkelinx dat ze zich niet hoeft in te laten met het beleid van de vakorganisaties en ze dus ook geen oordeel kan vellen over de uitsluitingen waarover de heer Creyelman het heeft. De Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen (HVW) staat wel onder haar toezicht.

De heer Creyelman wees op de slechte dienstverlening van de HVW enkele jaren geleden. Mevrouw Onkelinx wil zich niet uitspreken over het verleden. Ze bevestigt wel dat deze instelling de jongste jaren bijzondere inspanningen heeft geleverd om de dienstverlening te verbeteren. De gebruikers hebben daar het volste recht op.

De informatisering van de betalingen, die een zeer snelle ontwikkeling kende sinds 1993, heeft onder meer de mogelijkheid geboden zeer efficiënte resultaten te boeken inzake de betalingstermijnen van de werklozen. Dat blijkt overduidelijk uit de volgende cijfers. In 1992 werd maar 32% van de betalingen verricht binnen drie dagen en nauwelijks 50% binnen vijf dagen. Deze percentages zijn in 1999 gestegen tot respectievelijk 67% en 83%.

Inzake personeelsopleiding werden intensieve inspanningen geleverd inzake het computergestuurd werken, de kennis van de werkloosheidswetgeving en van de RVA-reglementering en inzake het contact met de gebruiker aan het loket en aan de telefoon. Hierdoor is de dienstverlening sterk verbeterd. Uit steekproeven, zowel op initiatief van de minister van Ambtenarenzaken als op initiatief van de Hulpkas zelf, blijkt dat de gebruikers van de HVW in het algemeen tevreden zijn over de dienstverlening. Dat neemt niet weg dat bijkomende inspanningen moeten worden geleverd.

De heer Creyelman spreekt over wachttijden van verschillende maanden tussen de aanvraag en de uitbetaling van de uitkeringen. De wachttijden zijn momenteel verminderd tot maximum drie tot vier weken. Die termijnen zijn uiteraard ook afhankelijk van de complexiteit van het dossier van de werkloze en van de snelheid waarmee hijzelf de vereiste documenten voorlegt.

Dat de Hulpkas aan sommige gebruikers inlichtingen verstrekt over de hulpverlening door het OCMW wijst geenszins op nonchalance tegenover de gebruiker. Het gaat om een dienstverlening opdat sommige verbruikers, die het financieel moeilijk hebben, op korte termijn over voldoende bestaansmiddelen kunnen beschikken.

Spreker vestigt voorts de aandacht op de aanwezigheid van vertegenwoordigers van de vakorganisaties in de raad van bestuur van de HVW. Minister Onkelinx wil niet ingaan op de principes van het paritair beheer van de sociale parastatale instellingen. Ze vindt dat het paritair beheer zijn nut ruimschoots heeft aangetoond.

Ik verwijs in dit verband naar artikel 7, §2, derde lid, van de wet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid van de werknemers. Dit bepaalt dat de HWV "aan dezelfde voorwaarden is onderworpen als de andere erkende uitbetalingsinstellingen". Met die laatste worden de werkloosheidskassen bedoeld die door de vakbonden worden beheerd. De Hulpkas staat dus op gelijke voet wat de werking, de financiële middelen en de financiële verantwoordelijkheid betreft.

Er is dus geen duidelijke discriminatie tussen de gebruikers van de kassen die door de vakorganisaties worden beheerd en de HVW. Er is alleen een verschil in de regionale spreiding.

De heer Frank Creyelman (VL. BLOK). - Het verheugt mij dat de dienstverlening van de Hulpkas is verbeterd. Ik ben het er echter niet mee eens dat minister Onkelinx niets te zeggen heeft aan de vakbonden. De Belgische vakbonden zijn bijna overheidsinstellingen. Het Belgische uitbetalingssyteem, waarbij werkloosheidsvergoedingen worden uitbetaald door vakbonden die zelfs geen rechtspersoonlijkheid hebben, komt in geen enkel ander land voor. Iedereen weet dat de vakbonden zich in de politiek mengen. Ik wijs in dit verband naar de stakingen die bijna dagelijks door het ABVV, het ACV of het ACLVB worden georganiseerd.

Ook op mijn vraag of het geen discriminatie is dat wie geen lid van een vakbond is, 12% van zijn aanvullend bouwpensioen moet inleveren, heb ik geen antwoord is. Bovendien worden de Belgische werknemers in de armen van de vakbonden geduwd om hun sociale eisen kracht bij te zetten. Niet iedereen kent de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen en een promotiecampagne zou dan ook nuttig zijn.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Financiën over «de fiscale controle van de belastingaangifte» (nr. 2-425)

De voorzitter. - De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, antwoordt namens de heer Didier Reynders, minister van Financiën.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Blijkbaar heeft minister Picqué de ondankbare taak op zich genomen om minister Reynders te vervangen die een vergadering van de regering moet bijwonen, hoewel iedereen weet dat donderdag een belangrijke dag is in het Parlement. Hopelijk betekent dit niet dat ik een ontwijkend antwoord krijg.

De fiscale controle is belangrijk voor de gelijkheid van de burgers. In het Nieuwsblad van woensdag 21 maart 2001 verklaarde de heer Louis Eelens, woordvoerder van het Comité ter verdediging van het personeel van Financiën, dat slechts 1 tot 4% van de belastingaangiften door de fiscus wordt gecontroleerd. Bijgevolg wordt 96% niet gecontroleerd. De voornaamste oorzaken van deze geringe controles zouden het ontberen van de noodzakelijke en fatsoenlijke informatica en een personeelstekort van 30% zijn. Zo zou bijvoorbeeld de dienst die de vennootschappen controleert niet verder komen dan het administratief afhandelen van de aangiften, zonder controles. Door de kleine kans op een controle vanwege de fiscus zouden er tal van misbruiken zijn bij de belastingaangiften. De staat zou bijgevolg tientallen tot honderden miljarden mislopen.

Graag kreeg ik van de minister een antwoord op volgende vragen. Zijn de cijfers van de heer Eelens correct? Klopt het dat er in sommige arrondissementen geen fiscale controles zijn en in andere wel? Kan de minister mij de gemiddelden geven van de controles per administratief arrondissement? Wat is de verhouding tussen de controles van de aangiften in de personenbelasting en de vennootschapsbelasting? Welke maatregelen zal de minister op korte termijn nemen om het informatica- en personeelsprobleem op te lossen? Wat is de budgettaire weerslag van deze maatregelen?

De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. - Ik begrijp dat het voor de heer Vandenberghe teleurstellend is dat ik antwoord namens collega Reynders, te meer omdat ik slechts een kwartier geleden zijn antwoord heb ontvangen en het voor mij dus moeilijk is met de heer Vandenberghe van gedachten te wisselen. Daarom zal ik het antwoord van minister Reynders voorlezen.

Zijn de cijfers van de heer Eelens correct? De gevraagde informatie staat niet als dusdanig in het jaarverslag van de algemene administratie van de belastingen, waarvan elk parlementslid een exemplaar ontvangt. Bepaalde elementen kan de heer Vandenberghe er wel in terugvinden. De verantwoordelijkheid voor de geciteerde cijfers en de conclusies die eruit worden getrokken, ligt dus volledig bij de personen die ze hebben geciteerd. Het personeelstekort van 30% heeft betrekking op de administratie van de directe belastingen. Om zich te kunnen uitspreken over het cijfer dat de heer Eelens naar voren schuift, is het nodig de concrete elementen te kennen waarop hij zich heeft gebaseerd. Ik heb hier een reeks cijfers van de administratie van de directe belastingen die de bezettingsgraad van eind december 2000 van de taxatiediensten, fysieke eenheden en personeelsformatie aangeven. Ik zal ze aan de heer Vandenberghe bezorgen.

Kan de minister het gemiddelde aantal controles per administratief arrondissement geven? De administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit houdt geen statistieken bij over de resultaten van de belastingcontroles per administratief arrondissement. Om dergelijke gegevens op een bevredigende manier onderling te kunnen vergelijken is het immers noodzakelijk rekening te houden met verschillende criteria die moeilijk naar waarde zijn te schatten, zoals het effectief personeelsbestand, de plaatselijke economische structuur enzovoort.

Ter aanvulling op het antwoord op de eerste vraag deelt collega Reynders mee dat de controlepolitiek ingevoerd bij de oprichting van de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit de nadruk legt op een afname van het totale aantal verificaties en een toename van het aantal grondige verificaties. De controles gebeuren op basis van een aangepaste selectie van de ondernemingen volgens hun situatie. Deze controlepolitiek is ook verschillend naar gelang van de juridische vorm van de onderneming.

Welke maatregelen zal de minister op korte termijn nemen om het informatica- en personeelsprobleem op te lossen? Om het personeelstekort in te dijken zijn er vooral nieuwe aanwervingen. Voor de informatica zijn de kredieten van het departement aanzienlijk verhoogd, wat het mogelijk maakt tegemoet te komen aan de bezorgdheid van de heer Vandenberghe. Wat is de budgettaire weerslag van de maatregelen? Het is in de huidige omstandigheden voorbarig om deze te voorspellen.

(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Ik dank de minister voor het antwoord. Ik ga hier nu geen debat aan, maar hij zal begrijpen dat dit antwoord mij enigszins ontgoochelt. Op de vragen in verband met de percentages van de controles van de fiscale aangiften en over de controleactiviteit per arrondissement, luidt het antwoord dat daaromtrent geen gegevens bestaan. Kunnen die dan niet worden verzameld? Het is toch nuttig te weten of bepaalde controles in het ene arrondissement onbestaande zijn en in het andere relatief belangrijk, want dit zou betekenen dat de burgers niet gelijk zijn voor de belastingswet. Die gelijkheid is nochtans een basisbeginsel van de belastingheffing. Ik kan er niet van uitgaan dat de administratie niet de nodige aandacht moet besteden aan de essentie dat alle burgers in rechte, maar ook in feiten gelijk moeten worden behandeld bij de inning van de belastingen. Dit is een element in de gehele discussie over de controles. Ook in de haven van Antwerpen zijn er een aantal problemen zoals is gebleken uit de stakingsacties van de douane. Ik zal daarop na de Paasvakantie terugkomen als de minister van Financiën persoonlijk kan antwoorden.

De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. - Ik neem aan dat het antwoord als enigszins ontgoochelend kan worden beschouwd en ik zal de opmerkingen van de heer Vandenberghe aan minister Reynders meedelen.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van mevrouw Magdeleine Willame-Boonen aan de minister van Financiën over «de aanpassing van het forfaitair bedrag inzake beroepskosten voor zelfstandige onthaalmoeders» (nr. 2-427)

De voorzitter. - De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek antwoordt namens de heer Didier Reynders, minister van Financiën.

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - De opvang van kinderen blijft een ernstig probleem in ons land en in Europa. Het verklaart gedeeltelijk de blijvende ongelijkheid in de takenverdeling in de samenleving. Het aanbod aan onthaaldiensten blijft ver onder de behoeften. Elk initiatief dat de situatie kan verbeteren is welkom.

De onthaalmoeders onder toezicht vragen met aandrang een sociale bescherming. Sommige onthaalmoeders hebben een statuut van zelfstandige. Zij krijgen een erkenning van Kind en Gezin. Deze dienst controleert hen en garandeert de kwaliteit van het onthaal. Dat is een gemeenschapsmaterie. Wegens hun geringe inkomsten worden deze zelfstandige onthaalmoeders gelijkgesteld met zelfstandigen in bijberoep. Ze hebben dan ook geen eigen recht op sociale uitkeringen. Op hun inkomsten kan wel een bedrag van 450 frank per dag en per kind als forfaitaire beroepskosten worden afgetrokken. Dat bedrag dekt alle beroepskosten. Is een verhoging van dit forfait niet aangewezen? Dit kan de zelfstandige onthaalsector aantrekkelijker maken. Dat lijkt noodzakelijk wegens het tekort aan opvangplaatsen. Bovendien worden de beroepskosten van de zelfstandige onthaalmoeders daardoor gelijkgesteld met die van de onthaalmoeders onder toezicht. Die ontvangen immers 547 frank per dag en per aanwezig kind. Dat bedrag dekt de onderhoudskosten.

Volgens het verslag van Kind en Gezin ontvangen 744 zelfstandige onthaalmoeders 2.320 kinderen en ontvangen 3.728 onthaalmoeders onder toezicht 9.321 kinderen. In de Franse gemeenschap vormen de zelfstandige onthaalmoeders 20% van alle thuiswerkende onthaalmoeders en onthalen zij 25% van de onthaalkinderen. Het is dus belangrijk om een aangepast beleid te voeren om de aantrekkingskracht en het voortbestaan van die activiteiten te behouden. De verhoging van de aftrek kan meer mensen voor die activiteit aantrekken.

De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. - Ik sta voor de ondankbare taak om namens een andere minister te antwoorden.

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Dat wordt een gewoonte. Verleden week heeft mevrouw Neyts me geantwoord in de plaats van de ministers Verwilghen en Daems. Korte tijd daarvoor antwoordde de heer Verwilghen namens de heer Daems die de Senaat blijkbaar lijkt te vrezen. Ik geef toe dat we hem wat hebben geplaagd.

Dat procédé bestond ook tijdens de vorige legislatuur, maar nu bereiken we toch wel een toppunt. Kan de minister die opmerking overbrengen aan zijn collega's in de regering? Toch behoudt de minister mijn achting. Ik ben ervan overtuigd dat zijn antwoord afdoende zal zijn.

De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. - Mijn collega's die vice-eerste minister zijn of belangrijker portefeuilles hebben dan ik hebben een bijzonder zware opdracht. Het zou ook wenselijk zijn dat beide Kamers een beter systeem zouden ontwikkelen met betrekking tot de gewettigde eis van aanwezigheid van de ministers. Ik ben dan nog niet het grootste slachtoffer van deze situatie.

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Twee weken geleden wilde ik minister Daems interpelleren. Minister Verwilghen heeft daarop geantwoord. Ik zag de heer Daems echter praten met journalisten in de wandelgangen. Ik werd daar wat nerveus van.

De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. - Ik doelde op werkelijk niet te omzeilen belemmeringen.

De heer Reynders vraagt me het volgende antwoord mee te delen. Het huidige forfait voor beroepskosten voor zelfstandige onthaalmoeders werd vastgesteld op basis van de bijzondere bepaling in artikel 342, eerste alinea, van het WIB van 1992 dat bepaalt dat de administratie, in akkoord met de betrokken beroepsverenigingen, forfaits kan vaststellen voor de uitgaven of beroepskosten die niet kunnen worden gestaafd aan de hand van bewijsstukken. Die bepaling maakt het dus niet mogelijk om die forfait zonder meer gelijk te stellen met de vergoeding die wordt uitgekeerd aan de onthaalmoeders die verbonden zijn aan een erkende en gesubsidieerde dienst. Uiteraard zal mijn administratie elke vraag tot herziening van het huidige collectief akkoord, die door een beroepsvereniging van zelfstandige onthaalmoeders wordt ingediend, onderzoeken. Verschillende dergelijke verzoeken werden reeds ingediend en worden momenteel onderzocht. De Bond van Grote en Jonge Gezinnen, de Vlaamse Vereniging voor Particuliere Kinderopvang en de Fédération des Associations de Gardiennes d'Enfants hebben een officieel verzoek ingediend.

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Ik dank de minister voor dit antwoord namens minister Reynders.

Ik stelde deze vraag omdat ik weet dat er verzoeken werden ingediend. Die worden inderdaad onderzocht, maar dat onderzoek blijft aanslepen.

Werd in die dossiers vooruitgang geboekt? Het verschil van honderd frank tussen twee types onthaalmoeders kan belachelijk lijken, maar is belangrijk, omdat het geldt per dag en per kind. De vraag van de organisaties wordt dringend.

De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. - Ik zal de bevoegde minister uw wens overbrengen om dit dossier zo snel mogelijk behandeld te zien.

-Het incident is gesloten.

(De vergadering wordt geschorst om 10.25 uur. Ze wordt hervat om 10.40 uur.)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Justitie over «de zoekacties in de gevangenis van Leuven-Centraal en de commentaar van het Leuvense parket daarop» (nr. 2-426)

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Het parket van Leuven heeft onlangs een huiszoeking gedaan in de gevangenis Leuven-Centraal en meteen de resultaten bekendgemaakt. Er zouden kleine hoeveelheden drugs gevonden zijn, evenals andere voorwerpen die volgens het parket niet in een gevangenis thuishoren, zoals gsm's, elektriciteitskabels, tangen, schroevendraaiers, weegschaaltjes, een tot wurgkabel omgevormde ijzerdraad en enkele scharen. In een cel werd zelfs een laspost gevonden en in een andere een "alcoholstokerij". Vorige maand al werden zes patronen kaliber 22 aangetroffen, wat de aanleiding was voor grootschaliger zoekacties.

De woordvoerder van de minister heeft de verklaringen van het Leuvens parket betreurd en zei dat ze moeten worden beschouwd als voorbarig en onjuist. Het parket zou verklaringen hebben afgelegd zonder overleg te plegen met de gevangenisdirectie, wat het verder onderzoek kan schaden. Volgens het penitentiair regime kunnen gedetineerden het recht hebben bepaalde voorwerpen in hun cel te hebben, wat sommige onderzoekers blijkbaar niet wisten. De verklaringen van het parket zouden schromelijk overdreven zijn. Zo zou de gevonden laspost maar een gewone soldeerbout zijn.

Van de minister kreeg ik graag antwoord op volgende vragen.

Welke voorwerpen werden in de gevangenis gevonden? Welke voorwerpen zijn toegelaten en welke verboden?

Welke maatregelen zal de minister nemen om de verboden voorwerpen uit de cellen te houden?

Aan welke criteria zijn publieke mededelingen van het parket onderworpen, meer bepaald over huiszoekingen in het kader van een lopend gerechtelijk onderzoek? Bestaan terzake algemene richtlijnen? Werden die richtlijnen bij de berichtgeving van het parket te Leuven in acht genomen?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Ik kan bevestigen dat de politiediensten op verzoek van de gevangenisdirectie, wat ik wil onderstrepen, en in opdracht van het parket van Leuven een grootschalige huiszoeking hebben gedaan in de gevangenis Leuven-Centraal. Het onderzoek was nodig omdat het penitentiair personeel een zestal weken voordien munitie had aangetroffen in de cel van een gedetineerde.

Ik heb gereageerd op de verklaringen van het parket van Leuven omdat het informatie heeft vrijgegeven terwijl het wist dat het onderzoek nog niet rond was en omdat de gevangenisdirectie die zelf om een onderzoek had gevraagd, nog geen verklaring had kunnen geven voor de voorwerpen die in de cellen werden aangetroffen.

Op sommige punten bleek de informatie die door de pers werd verspreid onjuist of op zijn minst voorbarig.

Op de eerste vraag van de heer Vandenberghe kan ik jammer genoeg geen antwoord geven omdat ik me niet wil bezondigen aan wat het parket wordt verweten, namelijk voorbarige verklaringen over een lopend gerechtelijk onderzoek. Vanzelfsprekend ben ik verplicht het geheim van het onderzoek te respecteren.

Over de aangetroffen voorwerpen kan ik op het ogenblik niets zeggen, aangezien ik daar geen details over kan geven. Ik onderstreep evenwel dat ik de resultaten van het onderzoek in geen enkel opzicht zal minimaliseren en dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de aangetroffen voorwerpen niet thuishoren in een gevangenis.

Ik zal me bezinnen over de richtlijnen inzake het gevangenisregime en de veiligheid in de gevangenissen. Een werkgroep van gevangenisdirecteurs zal de komende weken terzake voorstellen doen. Een of meer omzendbrieven zijn op komst.

In een gevangenis is het steeds zoeken naar het moeilijke evenwicht tussen enerzijds een humane aanpak en streven naar reïntegratie en anderzijds het verzekeren van een maximaal veilige omgeving. Daarnaast is er ook het feit dat gevangenen en hun achterban bijzonder inventief kunnen zijn in het binnensmokkelen van voorwerpen of in het misbruiken van de relatieve bewegingsvrijheid. Soms gebeurt het dat verzachtende reglementeringen die inventiviteit nog aanscherpen. Toen tennisballen in een gevangenis werden toegelaten met het oog op meer sportbeoefening, werden via die weg drugs binnengesmokkeld.

De informatieverstrekking aan de pers wordt geregeld door de omzendbrief COL 7/99 van mijn voorganger, de heer Van Parys. Die omzendbrief legt al naargelang het stadium van het onderzoek, de criteria vast waaraan de perswoordvoerders zich moeten houden. Zowel mijn voorganger als ikzelf werden al geconfronteerd met problemen bij de toepassing van die omzendbrief en ook het college van procureurs-generaal en de informele raad van de procureurs des Konings zijn zich terdege bewust van deze problemen. De uitdaging is om geval per geval af te wegen en te beoordelen.

De woordvoerder werkt onder het gezag en per delegatie van de procureur des Konings. Hij moet ervoor waken dat "het belang van het onderzoek niet geschaad wordt". Of dit criterium is nageleefd door de woordvoerder van het parket van Leuven zal blijken uit het verder onderzoek. We moeten er wel rekening mee houden dat een sweeping met 130 politieagenten moeilijk voor de buitenwereld verborgen kan worden gehouden en dat de woordvoerder daar allerlei vragen over kan krijgen. Of hij die correct zijn behandeld, kan pas beoordeeld worden als ook de resultaten van het onderzoek bekend zijn.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Het is nuttig dat in de eerstkomende dagen algemene richtlijnen worden uitgevaardigd over de toegelaten voorwerpen in de cellen. Dat zal rechtszekerheid geven.

Ik wil niets in de mond van de minister leggen, maar het antwoord van de minister van vandaag is genuanceerder dan de publieke verklaringen die zijn woordvoerder zondag na de huiszoeking heeft afgelegd.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Justitie over «de herziening van de veroordeling uitgesproken tegen Leo Vindevogel» (nr. 2-406)

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - De tweede wereldoorlog blijft de aandacht van de publieke opinie wekken. Het uitzonderlijke karakter van de tweede wereldoorlog en de lessen die we eruit moeten trekken, zijn redenen waarom de verjaring niet wordt toegepast op een aantal misdaden tegen de menselijkheid die in die periode zijn gepleegd. In België bestond, in tegenstelling tot in andere landen, in het Parlement geen meerderheid om de vergissingen of ernstige fouten in het tijdsperspectief te plaatsen en te zien of er geen verzoening kon plaatsvinden tussen de aanhangers van de verschillende kampen. Ik bedoel de aanhangers van bepaalde politieke inzichten en niet degenen die misdaden tegen de menselijkheid hebben begaan. De CVP heeft steeds betreurd dat een verzoening niet mogelijk bleek. We hebben tientallen jaren samen met andere partijen acties ondernomen om de verzoening tot stand te brengen en individueel leed te lenigen, maar daarvoor vonden we geen gehoor.

Daarom sta ik een subsidiaire aanpak voor, namelijk dat, voor zover wordt aanvaard dat geen verjaring mogelijk is, België toch bereid is om bepaalde veroordelingen die objectief gezien problematisch zijn, opnieuw te laten bekijken. Indien vandaag de huidige criteria voor het uitoefenen van de gerechtelijke macht zouden worden toegepast op de wijze waarop de gerechtelijke overheden hebben gefunctioneerd na de tweede wereldoorlog, zou dit - zacht uitgedrukt - tot veel bedenkingen leiden. We kunnen natuurlijk niet de huidige criteria met terugwerkende kracht hanteren om alles opnieuw onder ogen te zien, maar de algemene sfeer en in een aantal gevallen een gebrek aan respect voor de rechten van de verdediging zijn wel belangrijke elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij individuele gevallen die in aanmerking kunnen komen voor het recht op herziening van een in kracht gegane veroordeling.

De zaak die ik aan de orde wil stellen, is de bekende zaak van Leo Vindevogel, die onmiddellijk na de tweede wereldoorlog in beroep tot de doodstraf werd veroordeeld. Louis De Lentdecker, destijds verslaggever van het proces-Vindevogel voor De Standaard, kantte zich in zijn artikels sterk tegen zijn veroordeling. Reeds herhaaldelijk is aangedrongen op een herziening van de veroordeling van Leo Vindevogel.

De minister heeft de bevoegdheid om deze veroordeling te herzien, aangezien volgens het wetboek van strafvordering de herziening kan worden toegestaan "wanneer het bewijs dat de veroordeelde onschuldig is of dat een strengere strafwet is toegepast dan die welke hij werkelijk heeft overtreden schijnt te volgen uit een feit dat zich heeft voorgedaan sedert zijn veroordeling of uit een omstandigheid waarvan hij het bestaan niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het geding."

De heer De Vis, de schoonzoon van de in 1945 ter dood veroordeelde Leo Vindevogel, heeft op 4 juli 2000 een uitvoerige nota aan de minister laten geworden, waaruit blijkt dat er sprake kan zijn van "nieuwe" feiten die een procedure tot herziening van de veroordeling van zijn schoonvader zouden kunnen rechtvaardigen.

Uit deze nota blijkt immers dat Leo Vindevogel, die tijdens de Duitse bezetting burgemeester van Ronse was, in een brief van 23 april 1945 aan krijgsauditeur Stevigny door voormalige aanhangers van het Onafhankelijkheidsfront werd aangegeven als de verklikker van toenmalige minister Soudan. Als gevolg hiervan werd Leo Vindevogel in eerste aanleg tot levenslange opsluiting veroordeeld.

Nog vóór de zaak in beroep door het Krijgshof te Gent op 30 april 1945 zou worden behandeld, gaf krijgsauditeur Stevigny aan de heer De Vleeshouwer, commissaris van de Veiligheid van de Staat, opdracht om minister Soudan over de feiten te verhoren. Nu blijkt dat wijlen minister Soudan, die met een aantal verklikten in Buchenwald was opgesloten, maar die gelukkig is teruggekeerd, zou hebben bevestigd dat niet Leo Vindevogel zich aan delatie schuldig had gemaakt, maar wel een zekere Gérard Philippe, die deel uitmaakte van het Onafhankelijkheidsfront. Het proces-verbaal van verhoor werd op 27 april 1945 aan auditeur-generaal Van Houdt overgezonden.

Nochtans werd, voor een tot op heden niet bekende reden, dit proces-verbaal nooit overgezonden aan het Krijgshof, noch aan de raadslieden van de heer Vindevogel. Het werd pas na de uitspraak van het arrest bij het dossier van de rechtspleging gevoegd.

De getuigenis van minister Soudan is niet alleen belangrijk vanwege de feiten, maar ook vanuit moreel oogpunt. Aangezien de heer Vindevogel in eerste aanleg niet tot de doodstraf was veroordeeld, zouden de advocaten van de verdediging in beroep op grond van deze getuigenis hebben kunnen pleiten en zou de betrokkene wellicht minder zwaar zijn veroordeeld.

Ongeacht het feit dat het niet bekendmaken van een essentieel stuk de rechten van de verdediging heeft geschonden, maakt dit feit, indien het bewezen is mijns inziens een nieuw feit uit in de zin van artikel 443, 3° van het wetboek van strafvordering, dat tot de herziening aanleiding zou moeten kunnen geven.

Bovendien werd de mogelijk werkelijke verklikker Gérard Philippe - ik spreek onder voorbehoud, want het dossier ligt niet ter beschikking van de parlementsleden - op 28 juni 1948 voor dezelfde feiten veroordeeld, zodat een herziening ook op basis van artikel 443, 1 van het wetboek van strafvordering mogelijk is.

Bijgevolg had ik graag van de minister vernomen of hij, naar aanleiding van de nota die hij op 4 juli 2000 van de heer De Vis over deze zaak heeft ontvangen, reeds een onderzoek naar deze zaak heeft ingeleid en welke de vorderingen ervan zijn. De wet geeft immers aan de minister de bevoegdheid om gebeurlijk een herzieningsgeding in te leiden. Desgevallend verneem ik graag van de minister of hij de procureur-generaal bij het hof van cassatie heeft belast met het vorderen van de inleiding van een herzieningsprocedure.

Deze zeer betwiste zaak is verlopen in een algemene sfeer die enkel al vanuit juridisch oogpunt voor kritiek vatbaar is. Op grond van beide aangehaalde artikelen van het wetboek van strafvordering zou de minister, zij het wat laat, toch de barmhartige Samaritaan kunnen zijn en het eerherstel kunnen bewerkstelligen.

De aangehaalde feiten lijken mij voldoende te zijn om een onderzoek op te starten.

Ten slotte, wijs ik erop dat een vordering tot herziening in casu ontvankelijk zou zijn, in de mate dat Leo Vindevogel voor alle betichtingen tot één straf - de doodstraf - is veroordeeld. Dit onomkeerbaar nadeel is vandaag een juridisch technisch argument in het voordeel van de verdachte.

Overeenkomstig een arrest van het hof van cassatie van 17 januari 1978 is "de vordering tot herziening die steunt op het aanvoeren van een nieuw feit waaruit het bewijs van veroordeeldes onschuld inzake bepaalde misdrijven waarvoor hij is veroordeeld, ontvankelijk wat betreft die misdrijven, wanneer een enkele straf voor verscheidene misdrijven werd uitgesproken, zelfs wanneer de straf ten gevolge van de andere misdrijven wettelijk is gerechtvaardigd".

Wij weten dat het gerecht niet dé waarheid uitspreekt, maar een oordeel velt dat voor waar wordt gehouden. Aangezien de rechtbank uitspraak heeft gedaan zonder een feitelijk en moreel element in overweging te nemen, is het waarheidsgehalte van deze beslissing zeer betwistbaar. Er is dus meer dan voldoende reden om de herziening van het proces te bevelen. Niet alleen het herstel van de waarheid, maar tevens de geloofwaardigheid van het gerecht staan op het spel.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - De minister weet ongetwijfeld dat ik tijdens vorige zittingsperioden zijn voorgangers over dit onderwerp al drie vragen heb gesteld. Het verheugt mij dat de heer Vandenberghe de lijn van oud-senator Suykerbuyk doortrekt. Ik sluit mij uiteraard aan bij de verschillende opmerkingen van professor Vandenberghe die terzake een veel betere juridische argumentatie naar voor kan brengen. Iedere burger met gezond verstand, of hij nu juridisch onderlegd is of niet, moet immers inzien dat er in dit dossier grove onrechtvaardigheden zijn begaan en dat het communistische Onafhankelijkheidsfront en de goede oude franskiljons uit Ronse zich voor een politieke lynchpartij hebben geleend.

Het is precies door deze Belgische praktijk dat ik mij altijd tegen de doodstraf heb verzet. Ik verheel niet dat er daarover in mijn partij onenigheid bestaat. De doodstraf werd voor de laatste maal toegepast tijdens de repressieperiode, onder meer, in dit geval, tegen politieke tegenstanders. Ik sluit mij aan bij de opmerkingen van collega Vandenberghe over het onderscheid tussen aanhangers van politieke ideeën en personen die misdaden tegen de menselijkheid pleegden. De doodstraf is zo afschuwelijk en kan niet meer ongedaan worden gemaakt. De minister kan wel de nabestaanden van Leo Vindevogel nog de zekerheid geven dat er, onder druk van een politieke groep uit Ronse, een grove onrechtvaardigheid is begaan en dat de burgemeester tijdens de oorlogsjaren wel degelijk alles gedaan heeft om de bevolking en zijn burgers naar zijn beste politieke vermogen te dienen.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Heel wat politieke, juridische en perscommentatoren zullen het er ongetwijfeld over eens zijn dat de rechtspraak uit de naoorlogse periode op heel wat aspecten kan worden gecontesteerd.

Remi De Vis, schoonzoon van oorlogsburgemeester Leo Vindevogel, heeft mij op 4 juli 2000 inderdaad een brief gestuurd met een uitgebreide nota waarin hij naar voren brengt dat zich sedert de veroordeling door het Militair Gerechtshof op 30 april 1945 nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen die op grond van artikel 443, 3, van het wetboek van strafvordering een vraag tot herziening van het proces mogelijk maken.

Een paar van de in de nota opgenomen grieven waren in 1994 en 1995 reeds het voorwerp van vragen aan mijn voorgangers, de heren Wathelet en De Clerck, die beiden tot de bevinding kwamen dat er geen elementen voorhanden waren die het instellen van een herzieningsprocedure konden staven. Ook de auditeur-generaal bij het Militaire Gerechtshof bracht naar aanleiding van de nota De Vis een omstandig gemotiveerd verslag uit, waarin hij op zijn beurt tot de conclusie komt dat er geen nieuwe elementen voor een herzieningsprocedure worden aangebracht.

Ik wil wel dieper ingaan op enkele meer specifieke punten van de vraag om uitleg.

Het proces-verbaal van het verhoor van minister Soudan, dat op 27 april 1945 door de Veiligheid van de Staat werd opgesteld, is in wezen een proces-verbaal van inlichtingen die door minister Soudan aan de Veiligheid van de Staat werden verstrekt.

In dit proces-verbaal, dat als stuk na arrest aan het dossier werd toegevoegd, is er geen sprake van een mogelijke delatie van de heer Soudan door Leo Vindevogel. Wel bevat het proces-verbaal inlichtingen die handelen over wat de heer Soudan in Buchenwald vernam uit de mond van medeburgers die er zich ingevolge deportatie bevonden, maar er na hem waren toegekomen. Het betreft dus geenszins de eigen bevindingen van de heer Soudan over wat zich tijdens die periode te Ronse voordeed vermits hij, in Buchenwald zijnde, hierover geen inlichtingen kon verstrekken.

De toevoeging van het proces-verbaal als stuk na arrest is een louter formele daad in het kader van de procedure en dus geenszins een te herstellen "begane feitelijke vergissing" in het kader van de tenlasteleggingen.

In het dossier van de aanvankelijk veroordeelde, maar later in eer herstelde Gérard Philippe stemmen de periode waarin het delict plaatsvond en de strafrechtelijke omschrijving maar gedeeltelijk overeen met de periode van delict en de tenlasteleggingen in het dossier van Leo Vindevogel. Laatstgenoemde komt trouwens niet ter sprake in het dossier-Philippe. In geen van beide dossiers komt de naam van de heer Soudan tussen de namen van de slachtoffers voor.

De door de heer Vandenberghe aangehaalde rechtspraak van het hof van cassatie van 17 januari 1978 is dan ook in het dossier van Leo Vindevogel niet van toepassing.

De auditeur-generaal bij het militair gerechtshof kwam tot het volgend besluit: "Er is aan de hand van de door de heer De Vis aangebrachte elementen getoetst aan het dossier geen grond tot het starten van de herzieningsprocedure."

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Het is natuurlijk niet eenvoudig om onmiddellijk te reageren omdat ik eerst kennis moet hebben van het verslag van de auditeur-generaal en van het fameuze proces-verbaal van de ondervraging van minister Soudan. Volgens de minister wordt daarin niet gesproken over Leo Vindevogel, noch over de verklikking van Leo Vindevogel. Ik weet niet in welke mate dit ten laste of ten ontlaste kan worden geïnterpreteerd. Het zou toch nuttig zijn dat de betrokken overlevenden kennis kunnen nemen van het verslag van het militair auditoraat, omdat ze dan eventueel bijkomende elementen kunnen aanbrengen.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over «bepaalde sociaalrechtelijke problemen in het kader van buitenlandse adopties» (nr. 2-418)

De voorzitter. - De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid.

Mevrouw Erika Thijs (CVP). - In het raam van buitenlandse adopties wordt vaak vereist dat de kandidaat-adoptanten enige tijd, voorafgaand aan de eigenlijke adoptie, in het land van herkomst van het geadopteerde kind verblijven. Soms is een verblijf van twee tot drie weken onafwendbaar. Met het oog op een goede nazorg is na de eigenlijke adoptie vaak een verlengd verblijf in het land van herkomst aangewezen.

Voor werklozen kan hier een probleem rijzen. Opdat een werkloosheidsuitkering zou kunnen worden toegekend, dient een werkloze ondermeer aan volgende voorwaarden te voldoen: effectief in België verblijven, zich onderwerpen aan de controle en beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt. Dit houdt in dat het voor een werkloze kandidaat-adoptieouder vaak praktisch onmogelijk is om te voldoen aan de wettelijke vereisten voor het verkrijgen en behouden van een werkloosheidsuitkering. Ook de mogelijkheid van het kort verzuim biedt in dergelijke gevallen geen oplossing.

Werknemers hebben in principe ook bij buitenlandse adoptie recht op ouderschapsverlof in het raam van loopbaanonderbreking. Het ouderschapsverlof gaat in op het ogenblik van de inschrijving van het kind als lid van het gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar de werknemer zijn verblijfplaats heeft. Dit zou dus betekenen dat de periode van verblijf van de adoptieouder in het land van herkomst onmiddellijk na de adoptie en vóór de inschrijving niet als ouderschapsverlof wordt beschouwd.

Op welke manier kunnen adoptieouders die gedurende een lange periode in het buitenland verblijven in het raam van een buitenlandse adoptie, hun recht op werkloosheidsuitkeringen behouden zonder hun jaarlijkse vakantie te moeten opnemen?

Kan het verblijf van de adoptieouder in het land van herkomst onmiddellijk na de eigenlijke adoptie en vóór de inschrijving van het kind als lid van het gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar de werknemer zijn verblijfplaats heeft, niet worden beschouwd als ouderschapsverlof in het raam van de huidige regeling van de loopbaanonderbreking?

Acht de minister het niet wenselijk het eventueel verplicht verblijf van enkele weken van de kandidaat-adoptieouder in het land van herkomst, voorafgaand aan de eigenlijke adoptie, onder het ouderschapsverlof te laten vallen?

De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. - Als algemene regel geldt dat de werkloze, om recht te hebben op uitkeringen, effectief in België moet verblijven. Deze regel geldt niet alleen in België, maar ook in de andere landen van de Europese Unie. Artikel 10 van de Europese Verordening bepaalt dat de toekenning van werkloosheidsuitkeringen afhankelijk kan worden gesteld van de verblijfsvoorwaarde. In tegenstelling tot bepaalde andere sociale uitkeringen zijn werkloosheidsuitkeringen in principe dus niet uitvoerbaar naar een ander land.

Op deze regel bestaan enkele uitzonderingen. Aangezien het gaat om uitzonderingen dienen deze op een limitatieve manier te worden geïnterpreteerd en toegepast. Zo heeft elke werkloze het recht om, met behoud van zijn uitkeringen, met vakantie in het buitenland te verblijven. Deze periode is, net als bij de werknemers, beperkt tot maximaal vier weken per jaar. In tegenstelling tot de werknemer heeft de werkloze het voordeel dat hij het ogenblik van vakantie volledig vrij kan kiezen. Hij moet enkel op zijn controlekaart aanduiden dat hij vakantie nam. Dit recht op vier weken verblijf in het buitenland kan dus ook gebruikt worden voor een verblijf in het buitenland in het raam van adoptie.

Daarbuiten bestaat er geen specifieke regeling die een verblijf in het buitenland in het raam van adoptie zou toelaten met behoud van de uitkeringen. Deze situatie is trouwens vergelijkbaar met deze van een werknemer, die in principe ook geen recht heeft op loon tijdens een langere periode van verblijf in het buitenland wegens adoptie.

Het recht op ouderschapsverlof wegens adoptie van een kind geldt gedurende een periode van vier jaar die een aanvang neemt op het ogenblik van de inschrijving van het kind als lid van het gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar de werknemer zijn verblijfplaats heeft.

Het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof in het raam van de onderbreking van de beroepsloopbaan is niet van toepassing op de periode van verblijf van de adoptieouders in het land van herkomst van het kind indien dit verblijf de inschrijving van het kind in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister voorafgaat.

Het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 is inderdaad bedoeld om de werknemer toe te laten zorg te dragen voor zijn kind, en niet om hem de gelegenheid te geven administratieve formaliteiten te vervullen die inherent zijn aan de adoptie van een kind van buitenlandse nationaliteit. Dit is eveneens het geval voor de collectieve arbeidsovereenkomst nummer 64 van de Nationale Arbeidsraad, tot instelling van een recht op ouderschapsverlof. Deze collectieve arbeidsovereenkomst werd algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 29 oktober 1997.

De ministerraad heeft het interprofessioneel akkoord van 22 december 2000 goedgekeurd. In dit akkoord hebben de sociale partners de huidige regels bevestigd die van toepassing zijn op het ouderschapsverlof. Bovendien heeft de Nationale Arbeidsraad in zijn advies van 14 februari 2001 de regering verzocht deze regels te handhaven.

De ministerraad heeft op 9 maart jongstleden het voorontwerp van wet goedgekeurd betreffende de verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven. Dit voorontwerp van wet bepaalt onder meer dat de werknemer het recht heeft om van het werk afwezig te zijn om een kind in zijn gezin te onthalen in het raam van een adoptie, gedurende tien dagen, te kiezen in de maand volgend op de inschrijving van het kind in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar de werknemer zijn verblijfplaats heeft, als deel uitmakend van het gezin. Gedurende de eerste drie dagen afwezigheid geniet de werknemer het behoud van zijn loon en gedurende de volgende zeven dagen ontvangt hij een uitkering waarvan het bedrag zal worden bepaald door de Koning. Deze uitkering zal aan de werknemer worden uitbetaald in het raam van de ziekte- en invaliditeitsverzekering.

Dit voorontwerp van wet ligt op dit ogenblik voor advies voor bij de Nationale Arbeidsraad.

Mevrouw Erika Thijs (CVP). - Ik dank de minister omdat hij de taak van mevrouw Onkelinx heeft willen overnemen, maar ik zou hem willen vragen de volgende twee bemerkingen aan de bevoegde minister door te geven.

Wat de werklozen betreft, geldt dit enkel voor gewone werknemers, maar niet voor leerkrachten, bijvoorbeeld. Zij kunnen een adoptie enkel tijdens de schoolvakanties laten plaatsvinden, want zij kunnen die verlofdagen niet opnemen buiten de echte schoolvakanties en dat geeft vaak problemen.

Een tweede element is dat het ouderschapsverlof pas kan worden opgenomen vanaf de inschrijving als lid van het gezin of in het vreemdelingenregister. Dit geeft ook problemen omdat sommige kinderen pas na één jaar kunnen worden ingeschreven. Dit geldt vooral voor kinderen uit India omdat daar geen geboorteakte bestaat maar wel een geboorteverklaring. Het ouderschapsverlof kan bijgevolg ook pas ingaan één jaar na aankomst van het kind in ons land.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de minister van Financiën over «de fiscaal vrijgestelde giften aan erkende adoptiediensten» (nr. 2-421)

De voorzitter. - De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, antwoordt namens de heer Didier Reynders, minister van Financiën.

Mevrouw Erika Thijs (CVP). - In België begeleiden een aantal door de Gemeenschappen erkende verenigingen op een actieve manier buitenlandse adopties, hetzij als voorbereidingscentrum hetzij als adoptiedienst. Deze verenigingen staan in voor de voorbereiding van kandidaat-adoptanten, voor de aanvullende voorbereiding, de overbrenging en een goed begeleide plaatsing van het kind en voor het vervullen van alle formaliteiten hier en in het herkomstland.

De kosten van een buitenlandse adoptie zijn aanzienlijk. Tot op heden zijn deze kosten niet aftrekbaar in hoofde van de ouders-adoptanten.

Wij hebben gisteren het goede nieuws vernomen dat de minister wat dit betreft niet tegen het principe is, maar dat de modaliteiten nog moeten uitgewerkt worden.

Giften aan VZW's zijn enkel fiscaal aftrekbaar indien zij worden gedaan aan instellingen bedoeld in artikel 104 WIB die met name in de wet zijn vermeld of die de vereiste erkenning hebben verkregen volgens de voorwaarden bepaald in de artikelen 57, 58, 59, 59bis en 59ter van het KB/WIB. Allerlei verenigingen, met uiteenlopende maatschappelijke doelstellingen, werden in het verleden bij Koninklijk Besluit erkend en komen in aanmerking voor fiscaal vrijgestelde giften.

Het is dus niet ondenkbaar dat verenigingen actief in de adoptiesector, een erkenning trachten te krijgen om in aanmerkingen te komen voor fiscaal vrijgestelde giften om zo hun werking te financieren. Een verhoogde financiering van adoptiediensten via fiscaal vrijgestelde giften door adoptieouders, kan hoogstwaarschijnlijk de aan de ouders doorgerekende kosten van buitenlandse adopties door de betreffende diensten in beduidende mate drukken.

Komen adoptiediensten in aanmerking voor erkenning op basis van artikel 104 WIB?

Zijn er adoptiediensten die een erkenning, zoals bedoeld in artikel 104 WIB, hebben aangevraagd? Over welke diensten gaat het hier?

Welke diensten hebben deze erkenning gekregen en op welke basis?

Waarom werden desgevallend bepaalde erkenningen geweigerd?

De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. - De erkenning van instellingen die hulp verlenen aan ontwikkelingslanden, is onderworpen aan een gezamenlijke beslissing van de minister van Financiën en de minister die bevoegd is voor ontwikkelingssamenwerking. In dit geval kan alleen de heer Boutmans een antwoord geven op de vraag of de activiteit van een vereniging, die zich bezighoudt met de adoptie van buitenlandse kinderen, beschouwd kan worden als ontwikkelingshulp. Minister Reynders meent te weten dat het advies van de heer Boutmans hieromtrent negatief is.

Volgens de administratie van Financiën is er momenteel geen aanvraag tot erkenning als adoptiedienst in onderzoek. Er werden geen diensten erkend of afgewezen.

Fiscale attesten mogen alleen worden uitgereikt voor giften die zijn afgestaan zonder enige tegenprestatie. Daaruit volgt dat bedragen, die geheel of gedeeltelijk de levering van een goed of de prestatie van een dienst vergoeden, fiscaal niet als gift aftrekbaar zijn, wat ook het activiteitsterrein van de vereniging is. Deze bedragen mogen dan ook niet op een fiscaal attest worden vermeld.

-Het incident is gesloten.

Wetsontwerp tot wijziging van verscheidene wetsbepalingen inzake de voogdij over minderjarigen (Stuk 2-509) (Tweede behandeling)

Algemene bespreking

De heer André Geens (VLD). - Mevrouw Taelman, de rapporteur, heeft mij gevraagd het verslag toe te lichten.

Het wetsontwerp tot wijziging van verschillende wetsbepalingen inzake de voogdij over minderjarigen is de resultante van een lange evolutie. Het werd op 16 maart 2001 door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden in het kader van de in artikel 79, eerste lid, van de grondwet bepaalde procedure.

De commissie voor de Justitie heeft dit wetsontwerp in aanwezigheid van de minister van Justitie tijdens haar vergadering van 21 maart 2001 besproken. De minister legde uit dat de door de Kamer aangebrachte wijzigingen hoofdzakelijk van technische aard waren. Hij wees erop dat op de voorliggende hervorming sterk wordt aangedrongen door de mensen op het terrein zelf.

Wat de overgangsmaatregelen uit artikel 89 betreft, verduidelijkt de minister dat §1 betrekking heeft op het voogdijschap van de overlevende echtgenoot en van de enige ouder tegenover wie de afstamming vaststaat. Deze voogdij neemt ambtshalve een einde op de dag van de inwerkingtreding van de wet.

De minderjarige komt opnieuw onder het ouderlijk gezag. Het ontwerp legt het doen van rekening en verantwoording door de voormalige voogd niet op, maar de minderjarige is wel voldoende beschermd.

Wanneer een van de ouders overleden is, wordt de erfenis aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving; wanneer een van de ouders de goederen van de minderjarige heeft beheerd, bepaalt het gemeenterecht terzake, meer bepaald artikel 379 van het Burgerlijk Wetboek, dat bij de meerderjarigheid rekening en verantwoording is verschuldigd.

Krachtens §2 beschikt de voogd in alle gevallen van voogdij over een termijn van zes maanden om de rekeningen aan de vrederechter te overhandigen, waarna deze laatste een beschikking geeft op grond van het nieuwe artikel 407 van het Burgerlijk Wetboek. Na die termijn worden de nieuwe bepalingen op alle gevallen van voogdij toegepast.

Tijdens de algemene bespreking vermeldt een lid dat het een goede zaak is dat de Kamer technische wijzigingen in §1 heeft aangebracht, zoals in de commissie van de Senaat ook besproken, maar toen verworpen.

Het nieuwe tweede lid van §2 van hetzelfde artikel heeft betrekking op mededelingen aan de vrederechter door ambtenaren van de burgerlijke stand in geval van adoptie van een onbekwaam verklaarde meerderjarige onder voogdij of bij een herroeping van de adoptie zonder dat beslist wordt dat het kind onder ouderlijk gezag wordt geplaatst.

Het tweede en derde lid van §2 werden oorspronkelijk als regeringsamendement aangenomen met de verantwoording een pro-actieve rol te geven aan de vrederechter inzake nalatenschappen ter bescherming van de minderjarige. Deze artikelen werden aldus in de Kamer van volksvertegenwoordigers geschrapt bij de tweede lezing. Dit was een voorstel van de juridische dienst van de Kamer van volksvertegenwoordigers. Wel werden wijzigingen aangebracht aan artikel 793, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek dat uitdrukkelijk handelt over het voorrecht van boedelbeschrijving. Zo wordt toegevoegd dat de vrederechter toeziet op de inachtneming van de voorschriften. In geval van belangentegenstelling tussen de minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger, wordt een voogd ad hoc aangesteld. De toevoeging en verduidelijking in artikel 793 van het Burgerlijk Wetboek zijn ongetwijfeld positief.

De wijziging van artikel 2 van het ontwerp heeft echter tot gevolg dat de oorspronkelijke idee van deze bepaling, namelijk de pro-actieve rol van de vrederechter, niet meer in de tekst dreigt tot uiting te komen. Het aangepaste artikel 793 van het Burgerlijk Wetboek voorziet immers enkel in een controlefunctie en niet zozeer in de organisatie van de voogdij.

Dit is in wezen een inhoudelijke wijziging. Aan de minister werd gevraagd of een andere bepaling in de wet duidelijk maakt dat de vrederechter niet de controleur is van de formaliteiten, maar wel een pro-actieve factor bij de organisatie van de voogdij.

De minister antwoordde dat hij zich kan aansluiten bij het voorstel van de juridische dienst van de Kamer omdat de huidige libellering de vrederechter nog steeds toelaat om pro-actief toe te zien. De bepalingen maken duidelijk dat de vrederechter toeziet op de inachtneming van de vormen. Tevens vinden de bepalingen hun logische plaats in artikel 793 van het Burgerlijk Wetboek.

Ten slotte waren er enkele tekstwijzigingen, hoofdzakelijk van technische aard.

Door opeenvolgende amenderingen wordt het volledige artikel 378, alsook de inleidende zin, vervangen.

De commissie stemt bij eenparigheid van de 10 aanwezige leden in met de tekst zoals hij door de Kamer van volksvertegenwoordigers werd teruggezonden. Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Sta me toe eerst onze collega Taelman een spoedig herstel toe te wensen. Vervolgens dank ik collega Geens voor zijn bereidwillige voorlezing van het verslag.

Aan het belangrijke wetsontwerp inzake de voogdij over minderjarigen ging geruime voorbereidingtijd vooraf. Het werd grondig besproken zowel in Kamer als in Senaat, waar aan de tekst van de regering talrijke verbeteringen werden aangebracht.

Na de goedkeuring vandaag zullen we beschikken over een moderne voogdijwetgeving die inspeelt op de nieuwe maatschappelijke opvattingen en die de minderjarigen een betere rechtsbescherming verzekert.

Graag hadden wij vernomen wanneer de minister de wet wenst te publiceren, zodat met de nodige voorbereidingen voor het toepassen ervan kan worden begonnen.

Ik wil nog even aankondigen dat de CVP-fractie het wetsontwerp zal goedkeuren.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Het ligt in de bedoeling de wet zo snel mogelijk te publiceren, evenwel na overleg met het Koninklijk verbond van vrederechters en de rechters in de politierechtbank, zodat de noodzakelijke schikkingen kunnen worden getroffen. Er moeten een aantal praktische maar niet ingewikkelde maatregelen worden genomen zodat de wet bij de start van het nieuwe gerechtelijk jaar kan worden toegepast.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie, zie stuk 2-509/14.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de gerechtelijke kantons (Stuk 2-604)

De voorzitter. - Bij brief van 28 maart 2001 deelt de voorzitter van het Vlaams Parlement mee dat het Vlaams Parlement zijn goedkeuring heeft gehecht aan het tussen het Bureau van de Senaat en de commissie ad hoc van het Vlaams Parlement afgesloten akkoord tot beëindiging van het belangenconflict betreffende het wetsontwerp tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de gerechtelijke kantons (Stuk Senaat nr. 2-604), door het Vlaams Parlement opgeworpen op 21 december 2000.

De Senaat kan derhalve het onderzoek van dit ontwerp voortzetten.

Voorstel tot terugzending

De voorzitter. - De regering en ook de heer Van Hauthem c.s. hebben een amendement ingediend. Daarom stel ik voor het wetsontwerp terug te zenden naar de commissie voor een aanvullend onderzoek.

-Tot terugzending wordt besloten.

Vraag om uitleg van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister van Justitie over «de omzetting van de richtlijn ter bestrijding van de betalingsachterstand» (nr. 2-411)

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CVP). - De jongste jaren is er een groeiende tendens in het bedrijfsleven om facturen steeds later te betalen. België scoort op dit vlak nog slechter dan het Europese gemiddelde. Onderzoek heeft uitgewezen dat de feitelijke doorsneebetalingstermijn in België op 61 dagen ligt dus 7 dagen boven het Europese gemiddelde. De gemiddelde betalingsachterstand - dus de betaling na de afgesproken termijn - bedraagt in Europa 15 dagen. Ons land doet het slechter met 20 dagen. Alleen de mediterrane lidstaten presteren nog slechter. Volgens onderzoekscijfers worden in ons land alleen al 39% van de facturen te laat betaald wat uiteraard in het nadeel van kleinere bedrijven uitvalt. Deze KMO's beschikken niet over een voldoende financiële structuur waardoor het risico op liquiditeitsproblemen vrij groot is. Bovendien zijn ze vaak niet bij machte stringente termijnen aan hun klanten op te leggen. Onze economie, die grotendeels door KMO's gedragen wordt, heeft er dan ook alle belang bij de betalingsachterstanden aan te pakken.

In antwoord op deze onthutsende cijfers heeft het Europees Parlement na vele jaren de richtlijn 2000/35/EG betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties goedgekeurd. Deze nieuwe richtlijn regelt de transacties tussen bedrijven onderling en tussen ondernemingen en de overheid. Particuliere consumenten vallen bijgevolg buiten deze regeling. Alle lidstaten worden, volgens artikel 6, eerste lid, verplicht de nodige wettelijke stappen te doen om de bepalingen van deze richtlijn om te zetten in de interne wetgeving en dit vóór 8 augustus 2002.

Werd er al nagegaan welke interne wetgeving precies moet worden aangepast in uitvoering van deze richtlijn? Wat is de stand van zaken in de omzetting van deze Europese richtlijn in de interne wetgeving? Wanneer zal de regering het parlementair debat over de omzetting starten? Acht de regering de bestaande invorderingsprocedures voor niet-betwiste schuldvorderingen voldoende, gelet op de nieuwe bepalingen van de richtlijn, of acht de regering ook op dit vlak een wetswijziging wenselijk?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Mevrouw De Schamphelaere heeft een vrij technische vraag gesteld en mijn antwoord zal dan ook vrij technisch zijn.

De Europese richtlijn legt de lidstaten een aantal vereisten op inzake het recht op de moratoire intresten (onder meer de begindatum en de intrestvoet), het recht op vergoeding van invorderingskosten, het lot van kennelijk onbillijke afwijkende bedingen, stakingsvorderingen voor representatieve organisaties, het eigendomsvoorbehoud en de invorderingsprocedures voor onbetwiste schulden. De regeling van de moratoire intresten naar Belgisch recht is te vinden in de artikelen 1146 en volgende van het Burgerlijk Wetboek en meer bepaald in artikel 1153, dat bepaalt dat de schadevergoeding voor late betaling, behoudens de wettelijke uitzonderingen, nooit in iets anders kan bestaan dan in de wettelijke interest. Dit artikel voorziet bovendien in de mogelijkheid voor de rechter om kennelijk overdreven contractuele intresten te verminderen. De wettelijke intrestvoet zelf wordt krachtens artikel 2 van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest bepaald bij een in ministerraad overlegd koninklijk besluit en bedraagt, zoals u weet, op het moment 7%. De richtlijn geeft de schuldeiser het recht op een redelijke schadeloosstelling voor alle relevante invorderingskosten. De lidstaten kunnen een maximumbedrag vaststellen. In verband met dit laatste verwijs ik naar de artikelen 1017 en volgende van het Gerechtelijke Wetboek. De fameuze rechtsplegingsvergoeding werd eigenlijk op een arbitraire wijze bepaald, rekening houdend met het belang van de vordering. Het Hof van Cassatie heeft al geoordeeld dat dit artikel verhindert dat partijen overeenkomen dat de schuldvordering wordt verhoogd met het ereloon dat aan een advocaat verschuldigd is voor het voeren van een procedure tot invordering.

De Lidstaten moeten ervoor zorgen dat, in overeenstemming met de bepalingen van het nationale recht dat ingevolge het internationale privaatrecht van toepassing is, de verkoper eigenaar blijft van de goederen tot volledige betaling van de prijs wanneer er een beding van eigendomsvoorbehoud bestaat dat uitdrukkelijk werd overeengekomen vóór de levering van de goederen. De vraag is of de verwijzing naar het internationale privaatrecht eigenlijk niet tot gevolg heeft dat deze vereiste wordt uitgehold. In België wordt het lot van het eigendomsvoorbehoud geregeld door artikel 101 van de nieuwe faillissementswet.

De definitie van "handelstransacties" van de richtlijn is veel ruimer dan hetgeen hieronder normaal naar Belgisch recht wordt verstaan. De richtlijn is immers ook van toepassing op de transacties tussen vrije beroepen onderling, tussen vrije beroepen en handelaren en op de transacties van deze beroepscategorieën met de overheidsinstanties. Transacties met consumenten vallen niet onder het toepassingsgebied van de richtlijn. Dit ruime toepassingsgebied heeft onder meer tot gevolg dat ook moet worden onderzocht of de regelgeving inzake overheidsopdrachten aan de vereisten van de richtlijn voldoet en dat het voor de omzetting van de richtlijn niet zal volstaan om in het Wetboek van Koophandel een bijzondere regeling in te voeren die enkel geldt voor handelaars onderling. Er zal moeten worden onderzocht of bovenstaande wettelijke bepalingen voldoen aan de vereisten van de richtlijn. Indien dit niet het geval zou zijn, moeten deze bepalingen niet worden gewijzigd. Er dient in bijzondere, afwijkende bepalingen te worden voorzien voor de transacties die onder de richtlijn vallen.

Zowel op het niveau van de kabinetten, de interkabinettenwerkgroep van 19 februari 2001, als op het niveau van de administraties, de Interministeriële Economische Commissie van 21 februari 2001, was er reeds overleg over de wijze van omzetting van deze richtlijn. Het ministerie van Justitie werd als pilootdepartement aangewezen, met dien verstande dat de diensten van de eerste minister zullen instaan voor de eventuele aanpassing van de regeling inzake overheidsopdrachten. De administratie zal begin april 2001 in overleg een eerste voorontwerp redigeren.

De Lidstaten moeten er volgens artikel 5 van de richtlijn voor zorgen dat voor niet betwiste schuldvorderingen normaliter binnen de 90 dagen na de instelling van de vordering bij de rechter een uitvoerbare titel kan worden bekomen. Aangezien deze vereiste enkel betrekking heeft op vorderingen die niet worden betwist, noch wat betreft de grond van de zaak, noch wat betreft de procedurele aspecten, en de termijnen voor betekening en kennisgeving daarenboven niet worden meegeteld, voldoet het bestaande Belgische procesrecht aan deze vereiste en is een wetswijziging niet noodzakelijk. In de praktijk is het voor de diligente schuldeiser normaliter geen probleem om binnen de door de richtlijn voorziene termijn een uitvoerbare titel te bekomen voor een niet-betwiste schuldvordering. Dergelijke zaken worden doorgaans op de inleidende zitting behandeld.

De handelsverrichting moet ruim worden geïnterpreteerd. We hebben nog heel wat voor de boeg, maar alle gegevens zijn in ons Belgisch recht voor handen om deze richtlijn om te zetten, zonder dat daarvoor wettelijke wijzigingen nodig zijn.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CVP). - Ik zal de omzetting van de richtlijn blijven opvolgen. Ik zal het zeer technisch antwoord van de minister grondig bestuderen en er zonodig later op terugkomen.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Justitie over «het opsluiten van minderjarigen en het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind» (nr. 2-401)

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Ik heb met belangstelling de laatste versie van het verslag over het verdrag inzake de rechten van het kind gelezen, dat is opgesteld door de kinderrechtencommissaris van de Franse Gemeenschap, de heer Lelièvre. Ik heb overigens ook met genoegen deelgenomen aan een colloquium over jeugdbescherming waarop één van uw kabinetsleden de grote lijnen van een eventuele hervorming heeft uiteengezet. Daarom wil ik een vraag stellen over artikel 53 van de wet betreffende de jeugdbescherming.

Dat artikel blijft van toepassing tot 1 januari 2002 Dat is enkele jaren geleden beslist. De parlementsleden waren het eens om het artikel te schrappen, maar ze hadden ook een termijn bepaald. De opsluiting zoals die in ons land wordt georganiseerd, zou strijdig zijn met het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind.

Aangezien België ten minste nog tot 1 januari 2002 minderjarigen blijft opsluiten, zou ik willen weten hoeveel minderjarigen de laatste jaren onder die maatregel gevallen zijn. Beschikt u over precieze cijfers? Hebt u een nauwkeurige inventaris van de minderjarigen die ingevolge artikel 53 zijn opgesloten?

Wat zijn de echte redenen voor die opsluiting, want op een eenvoudige diefstal staat al een gevangenisstraf die één jaar kan overschrijden. Is met andere woorden artikel 53 geen uitvlucht om een gevangenisstraf te kunnen opleggen?

Gaan de diensten ad hoc wel degelijk na of er geen plaats is in de instellingen of in de noodopvangcentra alvorens zij de betrokken jongere naar de gevangenis sturen? Het is immers door plaatsgebrek in gespecialiseerde instellingen dat jongeren naar gevangenissen voor volwassenen worden gestuurd.

Krijgen de minderjarige gevangenen een gepaste behandeling; worden ze bijvoorbeeld afgezonderd van de volwassen gedetineerden? De staat van onze gevangenissen en de wijze van detentie beantwoorden niet aan de fundamentele beginselen van het Verdrag van de rechten van het kind en meer in het algemeen trouwens ook niet aan die van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens.

Worden de directeurs van de strafinrichtingen voldoende ingelicht over het door de minderjarige gepleegde misdrijf, over zijn fysieke en mentale gezondheidstoestand? Dat zou goed zijn om rekening te kunnen houden met de persoonlijkheid van de minderjarigen als die, in weerwil van onze beperkende wetgeving terzake, toch moeten worden opgesloten.

Ik mag u niet vragen wat u van plan bent te doen, maar kunt u mij toch zeggen binnen welke termijn u een eventueel wetsontwerp betreffende de jeugdbescherming zal indienen?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Wat uw laatste vraag betreft, ben ik van plan de werkzaamheden met betrekking tot het nieuwe jeugdrecht indien mogelijk in april of mei af te ronden, zodat ik de tekst kan voorleggen aan de Ministerraad. Alles zal echter afhangen van de werkzaamheden in de interkabinettenvergaderingen.

Ik heb van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie een lijst gekregen, die ik te uwer beschikking stel. Die lijst bevat de gegevens van de jaren 1980 tot 1999. In 1985 waren er 1368 gevangenen op basis van artikel 53, terwijl er op basis van datzelfde artikel dagelijks gemiddeld 35 minderjarigen gedetineerd waren en de gemiddelde duur van de hechtenis 9,2 dagen bedroeg. In 1995 waren er 460 gevangenen - dus een derde van het aantal van 1985 - het dagelijks gemiddelde bedroeg 12 minderjarigen en het gemiddelde aantal dagen 9,4. In 1999 waren er 437 gevangenen, het dagelijks gemiddelde was 11 en het gemiddelde aantal dagen van de hechtenis was 9,1 dagen.

De Belgische rechtbanken hebben toegegeven dat de in artikel 53 vereiste feitelijke onmogelijkheid het gevolg kan zijn van een plaatsgebrek in geschikte instellingen, maar ook van het ontbreken van nodige voorwaarden, meer bepaald inzake veiligheid. Ingevolge een arrest van het Hof van Cassatie van 8 februari 1978 mag de rechter soeverein oordelen over die onmogelijkheid.

Aangezien de bedoelde diensten ad hoc afhangen van de gemeenschappen wordt de vraag beter aan de gemeenschapsminister gesteld. Het komt het personeel van de strafinrichtingen niet toe de gegrondheid van het plaatsingsbevel van een rechter na te gaan.

Het antwoord op uw vierde vraag is positief. Overeenkomstig artikel 146 van het ministerieel besluit van 12 juli 1971 houdende algemene instructie voor de strafinrichtingen moeten de minderjarigen gescheiden worden van de volwassen gedetineerden. Deze bepaling stemt overeen met artikel 37c van het Verdrag van de rechten van het kind.

In de praktijk nemen de directeurs van de strafinrichtingen kennis van het plaatsingsbevel, maar het is niet zeker of ze daarmee ook voldoende zijn ingelicht over het door de minderjarige als misdrijf omschreven gepleegde feit of over zijn fysieke of mentale gezondheidstoestand. Volgens artikel 145 van het ministerieel besluit van 12 juli 1971 moet de rechter die de plaatsing beveelt, met de directie van de strafinrichting overleg plegen over de detentievoorwaarden. Die inlichtingen moeten uiteraard worden uitgewisseld tussen de rechter die zich met de minderjarige bezighoudt en de directie van de strafinrichting.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Het betreft hier een debat ten gronde dat we zullen voeren als uw wetsontwerp is ingediend. De kwestie van de scheiding tussen jongeren en volwassenen zal dan uitvoerig worden besproken. Ik wacht dus met ongeduld op het ontwerp.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Justitie over «de uitspraken van de minister over de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica» (nr. 2-413)

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Met de nieuwe drugsnota dacht de federale regering met een vertraging van een jaar eindelijk duidelijkheid te brengen over haar drugsbeleid. Helaas heeft die nota nog meer controverse en debat losgewerkt dan de al even onduidelijke omzendbrief van voormalig minister Van Parys in de vorige regering. Bovendien wijken de verklaringen van minister van Volksgezondheid, mevrouw Aelvoet, over die drugsnota erg af van de verklaringen van de minister van Justitie. Zijn uitspraken bijvoorbeeld over de 16 tot 18-jarigen, riskeren het gedoogbeleid dat tot op heden werd gevoerd, op losse schroeven te zetten. Navraag bij een aantal jeugdrechters en jeugdrechtbanken leert me dat die groep niet meer werd geviseerd. Indien de minister zijn wil doorzet zullen die jongeren opnieuw voor de jeugdrechter worden gedaagd.

Recentelijk heeft de minister van Justitie naar aanleiding van vragen tijdens de plenaire vergadering van de Kamer "verduidelijkingen" gegeven over de drugsnota. Zo zei hij in zijn antwoord op de vraag van volksvertegenwoordiger Marc Van Peel over "de komst van cannabis shops" tijdens de plenaire vergadering van 8 maart jongstleden dat een hennepmuseum en growshops verboden zijn, zowel krachtens de oude als krachtens de nieuwe wet, omdat zij zouden vallen onder het begrip "aanzetten tot gebruik van drugs, cannabis inbegrepen". Die argumentatie is hoogst onduidelijk, te meer daar volgens de nieuwe drugsnota het kweken van planten binnenkort niet meer zal worden vervolgd, op voorwaarde dat dit niet leidt tot maatschappelijke overlast en dat de kweker geen probleemgebruiker is. Nu moet men mij uitleggen hoe iemand kan telen als hij geen mest, groeilampen, handleidingen en dergelijke kan kopen.

Tevens bevestigde de minister op een vraag van volksvertegenwoordiger Jos Ansoms dat "wie geregeld een jointje rookt, geen auto meer zal kunnen besturen".

Hieromtrent wil ik de minister volgende vragen stellen.

Wat betekent "aanzetten tot gebruik" in de wet van 24 februari 1921? Welke criteria worden gehanteerd?

Is de minister er zich van bewust dat het verbieden van growshops de gebruikers van cannabis in het illegaal circuit drijft, waar de gebruikers naast soft drugs ook met hard drugs geconfronteerd worden? Was het niet precies de bedoeling van de drugsnota een scheiding te maken tussen soft en hard drugs?

Kan de minister aangeven hoe en waar de cannabisteler het materiaal - groeilampen, handleiding, en dergelijke - om te kweken op een legale wijze kan aanschaffen? In de drugsnota staat dat de kweek voor eigen gebruik niet langer wordt vervolgd. De vraag is dus waar de mensen die kweek kunnen opzetten.

Zijn publicaties over het kweken van cannabis ook verboden? Ik verwijs bijvoorbeeld naar het blad Teek dat een handleiding voor het kweken van cannabis publiceerde, en naar de Encylopædia Britannica die eveneens aangeeft hoe cannabis wordt gekweekt. Wat met T-shirts waar hennepbladeren op staan afgedrukt? Quid met de vele nachtwinkels die lang rolpapier verkopen, dat noodzakelijk is om een joint te rollen? Wat met de verkoop van waterpijpen, die in vele reguliere tabakszaken te vinden zijn?

Is de verkoop van zaden toegelaten? Wat met de verkoop van gebruiksklare plantjes? Ik verwijs naar een arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen dat volgens een citaat in De Morgen van 13 november 2000 bepaalt dat de kweek van cannabisplanten niet strafbaar wordt gesteld aangezien de wet van 1958 die de kweek verbiedt van planten waaruit verdovende middelen worden getrokken, op haar lijst niet de kweek van cannabis heeft staan.

Is de minister er zich van bewust dat het niet reglementeren van de verkoop van zaadjes en plantjes of cannabis het beleid van Nederland belast? Is hieromtrent al overleg geweest met Nederland?

Waarom kan de verkoop van cannabis via het internet niet? De invoer vanuit Nederland gaat worden gedoogd, wat is het wezenlijk verschil tussen invoer per post via Nederland en rechtstreekse invoer door aankoop in een coffeeshop?

Waarop baseert de minister zich voor zijn stelling dat een regelmatig gebruiker van cannabis nooit meer een auto zal kunnen besturen. Bij het lezen van zijn antwoord op de vraag van volksvertegenwoordiger Ansoms kreeg ik de stellige indruk dat hij de wet van 1998 die dit misdrijf regelt, niet kent of niet wil kennen, aangezien enkel de bloedproef en niet een urinetest uitsluitsel kan geven inzake het al dan niet onder invloed zijn. Zijn pleidooi voor een absolute nultolerantie zou wel eens tot discriminatie aanleiding kunnen geven. Voor alcoholgebruik hanteert men immers een tolerantie van 0,5 promille, terwijl voor cannabis- en ander drugsgebruik een 0 promille geldt. Ik wijs erop dat er in Australië, Canada, de Verenigde Staten en Groot-Brittannië studies bestaan, die controversieel zijn, maar toch een andere stelling bewijzen, namelijk dat gebruikers van cannabis veeleer rustige chauffeurs zijn. Die zouden de minister toch moeten aansporen om zich hierover wat voorzichtiger uit te spreken dan hij recentelijk heeft gedaan.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - De minister van Justitie wordt vandaag, voor de tweede keer, ondervraagd over zijn eigen uitspraken. Die uitspraken tonen duidelijk aan dat niet schaduwminister De Ruyver het justitiebeleid bepaalt. Dat verheugt mij.

Ik ben echter niet blij met het effect dat de regering creëert. De onlogica van de drugsnota die daarnet werd aangehaald is niet te wijten aan het departement Justitie, maar is een signaal van de regering. De moderne sociologen hebben een nieuw woord ontdekt. Zij menen dat niet de intentie van de dader belangrijk is, maar wel de perceptie door het slachtoffer. Het woord perceptie duikt, na het woord implementeren, op in alle sociologische rapporten. Welnu, de perceptie door de huidige drugsgebruiker is dat druggebruik binnenkort zal zijn toegelaten. Handelaars die nog nooit van enig ethisch beginsel hebben gehoord, ruiken geld na de drugsnota De Ruyver-Aelvoet. Zij schakelen zelfs hun lobbymachine in.

In Antwerpen zal komende zondag een drugspropagandacentrum de deuren openen. De Antwerpse burgemeester baseert zich op de drugsnota van de regering om te stellen dat hij dit centrum niet kan sluiten. Een schepen van Antwerpen heeft de minister van Justitie in de Kamer hierover geïnterpelleerd. De minister antwoordde dat volgens de wet de burgemeester dit centrum wel kan sluiten. Deze schepen heeft hierover gezwegen in het College van Antwerpen. Zondag zal het drugspropagandacentrum zijn deuren openen. Sommige schepenen zijn blijkbaar niet gespeend van enige hypocrisie.

Het verzet van moeders van drugsdoden door middel van indrukwekkende petities, noch van een centrum gespecialiseerd in de opvang van drugsverslaafden, Free Clinic, kan enige aarde aan de dijk brengen. Het drugspropagandacentrum zal openen.

Vorige week heb ik reeds meegedeeld dat Franse handelaars in Overijse een "growshop" zullen openen.

De argumentatie van sommige voorstanders van verslavende middelen dat andere roesmiddelen wel toegelaten zijn, is zo hol dat daarop zelfs niet mag worden ingegaan. In dezelfde redenering zouden revolvers moeten worden toegelaten, omdat keukenmessen, waarmee men ook iemand kan doden, ook toegelaten zijn. Dat is onzinnige logica. Elk roesmiddel moet worden bestreden.

Hoe kan de minister zijn eigen terechte verwijzingen naar de wet hard maken tegenover blijkbaar stokdove of onwillige burgemeesters die alle wettelijke verwijzingen opzij schuiven en zich enkel gebonden achten door een vage drugsnota van een schaduwminister.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Het drugsdebat zou zoals een ander debat uit het verleden kunnen worden gevoerd in termen van believers en non-believers. Dat hoeft nochtans niet, want het uitgangspunt van de regering is eenvoudig. Onze drugsnota biedt een regeling voor heel wat problemen die tot voor kort onopgelost gebleven waren, en bevat een principieel standpunt. Het is dan ook bijzonder spijtig dat die nota wordt gereduceerd tot de vraag of cannabis voor eigen gebruik al dan niet kan.

Voor alle maatschappelijke problemen die in de drugsnota worden aangeraakt, wordt een benadering uitgewerkt op grond van de algemene principes van het veiligheidsplan: preventie, repressie en nazorg.

De nazorg richt zich tot drie categorieën: de slachtoffers, de maatschappij en de daders.

De heer Van Quickenborne ondervraagt mij uiteraard in mijn hoedanigheid van minister van Justitie. Inzake preventie is de minister van Justitie niet bevoegd. De preventie behoort gedeeltelijk tot de bevoegdheid van de Gemeenschappen en Gewesten en gedeeltelijk tot de bevoegdheid van de federale minister van Binnenlandse Zaken.

Ik ben hoe dan ook bevoegd voor de bestrijding en moet op dit domein een consequente houding innemen. Daarvoor heb ik mij altijd laten leiden door de internationale verplichtingen die ons land heeft onderschreven. Ik eer het beginsel pacta sunt servanda. Als België een internationaal akkoord sluit, dan is het verplicht dat in het nationaal recht om te zetten. Overigens betwist niemand dat de internationale verplichtingen boven de nationale wetten staan.

Het tweede uitgangspunt van de regering was altijd dat haar beleid volwassenen noch jongeren ertoe mag aanzetten drugs te gebruiken. In de nota staat wel vermeld dat de regering met een aantal maatschappelijke realiteiten rekening moet houden.

Wanneer er het op aankomt verantwoordelijkheid op te nemen, zal ik dat doen. Ik ben daartoe aangesteld en hoef daarvoor niet te wachten op de beslissing van een zogenaamde schaduwminister. Daarover kan er evenmin betwisting bestaan.

Zowel in de ministerraad als tijdens de debatten over de drugsnota heb ik altijd onverbloemd te kennen gegeven dat ik niet wens dat ons land vervalt in Nederlandse toestanden. Ik heb van mijn Nederlandse collega Korthals geleerd tot welke uitwassen de Nederlandse aanpak heeft geleid. België zal niet opteren voor coffeeshops, en heeft in de drugsnota evenmin geopteerd voor een minimum of maximum toegelaten hoeveelheid cannabis voor eigen gebruik, of voor een minimum of maximum toegelaten hoeveelheid cannabisplanten voor eigen productie. Ik zal van die uitgangspunten geen duimbreed afwijken.

Op de eerste vraag moet ik antwoorden dat het aanzetten tot en het vergemakkelijken van het gebruik van verboden middelen strafbaar zijn op grond van artikel 3, §2, van de wet van -24 februari 1921, zoals gewijzigd door de wet van 9 juli 1975. De bevoegde gerechtelijke autoriteiten moeten geval per geval beslissen of er vervolging wordt ingesteld. Ik vraag me vaak af waarom men verantwoordelijkheden die bij de rechterlijke macht gelegd zijn, gewijzigd wil zien door de uitvoerende macht, ongeacht de mogelijkheid van de wetgever een wetsartikel te wijzigen.

Tot op vandaag is er nog niets gewijzigd en blijft alles bij het oude, inclusief de richtlijn die door mijn voorganger werd uitgeschreven. Een wijziging in het beleid zal er pas komen na een wetswijziging en een nieuwe rondzendbrief.

Op de tweede vraag kan ik het volgende antwoorden. De federale regering heeft op 19 februari 2001 een beleidsnota met betrekking tot de drugsproblematiek goedgekeurd. In deze nota staat dat het aanmaken van verboden middelen zal blijven worden geverbaliseerd en vervolgd. Dat is een normaal gevolg van onze internationale verplichtingen en alle ministers van Justitie van de Europese Unie zijn het daarover roerend eens. Ik zie bijgevolg niet in waarom ik daarvan moet afwijken.

De derde vraag betreft de verkoop van materieel dat kan dienen voor het aanmaken van verboden middelen. Ook deze handeling kan, op basis van artikel 3, paragraaf 2, van de wet van 24 februari 1921 nog altijd worden vervolgd. De beslissing tot vervolging valt onder de verantwoordelijkheid van de rechterlijke macht, of men dat nu graag hoort of niet.

De vragen vier en vijf zal ik samen beantwoorden. Zoals ik reeds heb gepreciseerd, zijn de gerechtelijke autoriteiten bevoegd te bepalen of er al dan niet vervolging moet worden ingesteld op basis van de elementen van het dossier. Aangezien de minimis non curat prætor en het gerecht overbelast is, mogen we niet verwachten dat justitie optreedt voor zaken die geen enkel effect hebben, geen enkele maatschappelijke overlast veroorzaken of geen problematisch overmatig gebruik veroorzaken. Bij problematisch gebruik denk ik aan het niet beheersen van zijn consumptie.

Vraag zes heeft betrekking op het algemeen drugsbeleid. Hier werd zowel bilateraal als multilateraal overleg gepleegd. Ik geef enkele voorbeelden. Tussen België en Nederland en tussen België en Frankrijk wordt er voortdurend overlegd. Het beste bewijs daarvan is dat er in Doornik anderhalve maand geleden naar aanleiding van de overeenkomst tussen België en Frankrijk een reeks schikkingen werden getroffen op het vlak van de bestrijding van de drugstrafiek en de onaangename gevolgen die eruit voortvloeien.

Bovendien spelen de gespecialiseerde groepen in de Europese Raad en, last but not least, het Europees observatorium inzake drugs een belangrijk rol in het drugsbeleid. Zij brengen voortdurend adviezen uit en schrikken er niet voor terug de regeringen op de vingers te tikken wanneer er op dat vlak iets misloopt. Enkele landen zoals Portugal, Spanje en Italië die gekozen hebben voor een administratieve handeling in plaats van een gerechtelijk handeling hebben daarmee trouwens al ondervinding. Dat is trouwens een van de redenen waarom België niet heeft gekozen voor de administratieve weg, maar blijft aandringen op de gerechtelijke afhandeling. Wij kunnen hier trouwens niet eigengereid optreden en moeten onze internationale verplichtingen naleven.

In de zevende vraag gaat het over de wijze van afstand, onder bezwarende titel of kostenloos. Ik ben van oordeel dat dit geen enkele invloed heeft op de strafbaarstelling. Indien dat wel was, zou er, zoals voor de koop en verkoop, een kostenloze distributie kunnen worden georganiseerd met de hoop op een latere commerciële exploitatie. Dat moet worden voorkomen.

De heer Van Quickenborne suggereert tot slot dat ik de wet van 16 maart 1999 niet goed heb gelezen. Ik ben zeer goed op de hoogte van wat in die wet staat, bijvoorbeeld dat het verboden is een voertuig te besturen onder invloed van verdovende middelen. De vaststelling van de invloed op het rijgedrag gebeurt op basis van een gestandaardiseerde en eigen procedure die begint bij de testbatterijen. Bij een positief resultaat volgt een urinetest en indien ook die uitslag positief is wordt er een bloedstaal genomen. Bij een voortdurend intensief cannabisgebruik is de invloed op het rijgedrag misschien niet volledig verdwenen vóór de volgende inname. Dat is het gevolg van de vrije keuze van het individu. De wet is op dat vlak echter duidelijk.

Ik had redenen te over om op de vele vragen te antwoorden. Ik wens alleen niet dat er mij woorden van een of ander parlementslid in de mond worden gelegd.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Als lid van de oppositie heb ik bij elk debat in het parlement en in heel Vlaanderen voortdurend mijn lof uitgesproken over de drugsnota. Het is de eerste keer dat een regering durft toegeven dat ook legale roesmiddelen, zoals alcohol en tabak, even gevaarlijk of zelfs gevaarlijker kunnen zijn dan cannabis en dat er ook op dat vlak maatregelen moeten worden genomen. De beschuldiging van de minister dat ik alles zou reduceren tot het gebruik van cannabis, is onterecht. Niemand kan ontkennen dat de verklaringen van de ministers van Justitie en van Volksgezondheid aanleiding geven tot dubbelzinnige interpretaties. Anderzijds is dit thema niet onbelangrijk aangezien veel personen ermee te maken hebben. De minister verklaart dat de beslissing om de laagste vervolgingsprioriteit te vervangen door het niet langer vervolgen van cannabisgebruik in bepaalde gevallen beantwoordt aan een maatschappelijke realiteit.

Ons land is inderdaad gebonden door internationale verdragen. Als goede jurist zou de minister de precieze inhoud van deze verdragen moeten kennen. In deze verdragen wordt weliswaar gepleit voor het ontmoedigen van cannabisgebruik, maar het opleggen van sancties is niet verplicht. Ik verwijs naar de talrijke verslagen die hierover door de universiteiten werden opgesteld.

De minister verwijst voortdurend naar de rechtspraak en het respect voor de rechterlijke macht. Soms geeft hij in zijn antwoorden evenwel blijk van een enorme gewilligheid, meer bepaald naar aanleiding van de vragen - uiteraard van een geheel andere strekking - van een volksvertegenwoordiger. Terwijl hij zich nu verschuilt achter de wil van de rechterlijke macht, verklaarde hij toen in de Kamer dat een growshop of een hennepmuseum onaanvaardbaar zijn omdat ze zouden aanzetten tot gebruik. Deze inconsequente houding stelt mij teleur: ofwel verwijst de minister altijd naar de rechterlijke macht, ofwel legt hij zelf uit op welke manier de wet moet worden geïnterpreteerd.

Het verwondert me dat de minister in antwoord op mijn vraag over de verkoop van zaden niet verwijst naar het arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen, dat in De Morgen van 13 november 2000 wordt aangehaald. Volgens dit arrest is de kweek van cannabisplanten tot op heden nog niet strafbaar gesteld.

De overheid zal de aanmaak van verboden middelen blijven vervolgen. Er blijft onduidelijkheid bestaan over de vervolging van de kweek van cannabis voor eigen gebruik. De minister heeft in de Kamer de indruk gewekt dat de onbeperkte kweek van cannabisplanten voor eigen gebruik, in tegenstelling tot wat in de drugsnota staat, niet toelaatbaar is. De minister verklaarde letterlijk: "Aanmaak van verboden middelen zullen we blijven vervolgen." Wat bedoelt hij daarmee?

In verband met de problematiek van het Internet zegt de minister dat het gaat om het kostenloos aspect versus het winstbejag. Ik denk niet dat dit de vraag was. In de drugsnota staat dat men in welbepaalde gevallen geen proces-verbaal meer zal opstellen met betrekking tot het misdrijf van invoer en van gebruik. Met de invoer wordt precies bedoeld het kopen in Nederland en het overbrengen uit Nederland naar ons land. Mijn vraag was: is er een verschil tussen het aankopen ter plaatse in Nederland, wat in de toekomst dus niet meer zal vervolgd worden, en het aankopen via het Internet op een website die in Nederland gevestigd, waarbij men zich dus niet verplaatst?

Er is ook de problematiek van het rijden onder invloed. De wet moet uiteraard in acht genomen worden. Ik verwijs evenwel naar een aantal studies die vraagtekens plaatsen bij het feit dat er een strenger beleid zou worden gevoerd ten aanzien van cannabis en andere illegale drugs dan ten opzichte van alcohol. Het is namelijk zo dat iemand die onder de invloed is van alcohol een veel agressiever rijgedrag vertoont dan iemand die onder de invloed van cannabis is. Zonder ervoor te willen pleiten het rijden onder de invloed van cannabis ongemoeid te laten, denk ik dat het gelijkschakelen van het beleid ten aanzien van alcohol en cannabis op zijn minst wenselijk is.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Ten eerste, wil ik formeel stellen dat er over de drugsnota menings- noch interpretatieverschillen zijn tussen mevrouw Aelvoet en mijzelf.

Ten tweede zal op een aantal van de gestelde vragen pas een antwoord komen binnen het debat dat in de Kamer zal worden gevoerd. Er is namelijk afgesproken om artikel 1 van de wet van 1921 te herzien. Ipso facto zullen de hier gestelde vragen in het parlementair debat daarover aan bod komen. Ik kan mij nu dus nog niet uitspreken over het debat dat daarover in de toekomst zal worden gevoerd. Ik hoop alleen dat die debatten voor de nodige duidelijkheid zullen zorgen of in voorkomend geval zullen leiden tot de amendering van de tekst, zodat elk interpretatieverschil wordt uitgesloten met het oog op een maximale rechtszekerheid.

-Het incident is gesloten.

De voorzitter. - We zetten onze werkzaamheden voort vanmiddag om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 12.30 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Staveaux-Van Steenberge, om gezinsredenen, en mevrouw Lizin, met opdracht in het buitenland.

-Voor kennisgeving aangenomen.