5-1894/3

5-1894/3

Belgische Senaat

ZITTING 2012-2013

21 DECEMBER 2012


Ontwerp van programmawet


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE SOCIALE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR

DE DAMES LIJNEN EN MORREALE


I. INLEIDING

Dit optioneel bicameraal wetsontwerp werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers oorspronkelijk ingediend als een wetsontwerp van de regering (stuk Kamer, nr. 53-2561/1).

Het werd op 20 december 2012 aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers, met 84 tegen 44 stemmen.

Het wetsontwerp werd op 20 december 2012 overgezonden aan de Senaat en op diezelfde dag geŽvoceerd.

De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 18 en 21 december 2012.

Met toepassing van artikel 27.1, tweede lid, van het Reglement van de Senaat, heeft de commissie voor de Sociale Aangelegenheden de bespreking van dit wetsontwerp aangevat vůůr de eindstemming in de Kamer van volksvertegenwoordigers.

II. INLEIDENDE UITEENZETTINGEN

A. Inleidende uiteenzetting van de vice-eersteminister en minister van Pensioenen

De heer Alexander De Croo, vice-eersteminister en minister van Pensioenen, verklaart dat het ontwerp van programmawet twee maatregelen bevat die de fraudegevoeligheid van de inkomensgarantie voor ouderen (IGO) moeten tegen gaan.

De eerste maatregel is louter technisch en betreft de naamsverandering van ę Ministerie van FinanciŽn Ľ naar ę FOD FinanciŽn Ľ.

De tweede maatregel roept een rechtsgrond in het leven voor een meer efficiŽnte controle. Voorgesteld wordt dat de FOD FinanciŽn in twee situaties gegevens doorgeeft aan de Rijksdienst voor pensioenen : in geval van wijziging van de vermogensstaat en in geval van overlijden. In beide gevallen onderzoekt men of de betrokkene al dan niet recht heeft op een IGO. Als dat zo is, wil men nagaan of de vermogensstaat niet hoger is dan het niveau boven hetwelk de IGO niet kan worden toegekend.

De Raad van State heeft opgemerkt dat het advies van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer moet worden gevraagd. De regering zal dit doen voor wat de uitvoeringsbesluiten betreft en zal rekening houden met de suggesties die worden gedaan.

B. Inleidende uiteenzetting van de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Beliris en de Federale Culturele Instellingen

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Beliris en de Federale Culturele Instellingen, geeft toelichting bij de artikelen die vallen onder titel II (met betrekking tot de volksgezondheid) en onder titel VI (voor wat de sociale zaken betreft) van het ontwerp van programmawet.

De minister vestigt er de aandacht op dat twee amendementen in de Kamer werden aangenomen.

1. Volksgezondheid

De titel volksgezondheid voert in de eerste plaats 4 maatregelen uit waartoe de regering op het vlak van de geneesmiddelen besliste :

1. een algemene prijsverlaging van alle geneesmiddelen met 1,95 %, met de mogelijkheid voor het farmaceutisch bedrijf om ze op de geneesmiddelen van zijn keuze te moduleren.

De regering koos voor die modulering om rekening te houden met de internationale beperkingen van de bedrijven. Ze heeft er ook over gewaakt om eventuele perverse gevolgen van de maatregel in de sector na het vervallen van de octrooien te vermijden.

De door de regering voorgestelde dalingsbeperking sloeg ook op de geneesmiddelen vůůr hun octrooi afliep, maar de Kamercommissie heeft via een amendement beslist om die laatste beperking te schrappen. De regering stelde via een amendement ook voor dat de firma's waarvan alle geneesmiddelen ę onder overeenkomst Ľ liggen een bedrag aan het RIZIV zouden storten in plaats van de prijs van hun geneesmiddel onder overeenkomst te doen dalen.

2. de in 2012 besliste prijsdaling van de geneesmiddelen die nog onder octrooi liggen als gevolg van de prijsvergelijking in een korf van zes met ons vergelijkbare landen.

Artikel 3 beschrijft immers hoe de verlagingen in die landen in rekening worden gebracht, en welke impact ze op de Belgische prijs moeten hebben. De regering heeft er ook hier voor gekozen om de bedrijven toe te staan dat ze niet de prijs van het bewuste geneesmiddel onder octrooi verlagen, maar de verwachte besparing op andere geneesmiddelen realiseren, als ze dat wensen. Dat lijkt de minister volledig aan de geest van de maatregel te beantwoorden.

3. een vermindering van de terugbetaling voor de geneesmiddelen die in de radiologie als contrastproducten worden aangewend (artikelen 12 en 13).

4. een uitzondering voor de medische zuurstof op de verplichte prijsdalingen op twaalf en vijftien jaar voor de zogenoemde ę oude Ľ geneesmiddelen (artikel 17).

In de artikelen 4 tot 5 legt de regering ten slotte zoals elk jaar de ę farmataksen Ľ vast. Ze liggen op hetzelfde peil als dat in 2012 vast, namelijk 6,73 % voor de basisbijdrage en 1 % voor de crisisbijdrage.

De regering verlengt in de artikelen 6 tot 8 de verminderingsregelingen van de ę farmataksen Ľ die in 2006 werden ingesteld, waaronder de zeer goed ontvangen maatregelen om de farmaceutische bedrijven die in BelgiŽ in R&D investeren 35 miljoen euro terug te geven.

De artikelen 9, 10 en 19 voeren vervolgens een ę marketingtaks Ľ in voor de geneesmiddelen en de medische hulpmiddelen. De regering besliste inderdaad om de bedrijven te laten meebetalen voor de meerkosten die hun marketing- en promotieactiviteiten veroorzaken.

Artikel 11 ten slotte voert, zoals elk jaar, een prijsblokkering van de geneesmiddelen in, met de mogelijkheid voor uitzonderingen in geval er reŽle rendementsproblemen opduiken. In 2013 wordt de prijsblokkering tot de terugbetaalbare implantaten uitgebreid.

Artikel 18 handelt over de medische hulpmiddelen.

Het verhoogt de bijdrage van de sector op het omzetcijfer dat op de verkoop van medische hulpmiddelen werd gerealiseerd van 0,05 % tot 0,18417 %. Het stelt tevens voor om een minimumbijdrage van 500 euro in te voeren.

De verdelers van medische hulpmiddelen dragen bij tot de financiering van bepaalde activiteiten van het Federaal Agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten. Door die bijdrage te verhogen, versterken we de middelen van het Agentschap zodat het zijn mogelijkheden kan versterken om op de kwaliteit en de veiligheid in die sector toe te zien. Recente schandalen, zoals dat van de PIP-implantaten, hebben ons getoond hoezeer dat essentieel is.

Artikel 20 ten slotte is de laatste bepaling die u wordt voorgesteld en betreft het dierenwelzijn.

De dienst die in de FOD Volksgezondheid met het toezicht op het dierenwelzijn is belast zal vanaf 2013 over meer personeelsmiddelen beschikken en ook over meer financiŽle middelen, in het bijzonder om mishandelde dieren in beslag te nemen.

Dat zal worden gefinancierd door een nieuwe ontvangst die op het bedrag zal worden geheven dat thans gevraagd wordt om honden te identificeren en te registreren, wat sinds 1998 verplicht is en waarvoor de wet al in het heffen van een retributie voorziet.

We voorzien bijgevolg in een heffing van een aan die verplichting gekoppelde bijdrage, die volledig zal dienen om dat programma ten gunste van het dierenwelzijn te financieren.

2. Sociale Zaken

De bepalingen van titel VI betreffende de sociale zaken van het ontwerp van programmawet voeren begrotingsmaatregelen uit die de regering in het kader van de begroting 2013 heeft genomen.

Sommige van die maatregelen vormen puur technische aanpassingen, andere zetten lopende maatregelen voort, en nog anderen zijn ten slotte nieuwe maatregelen.

De minister bespreekt eerst de maatregel die op de alternatieve financiering van de sociale zekerheid betrekking heeft. Die maatregel werd beslist om de kosten voor het opheffen van het bijzonder pensioenstelsel van het vliegend personeel van de burgerluchtvaart te compenseren.

Daarna stelt zij de maatregelen voor met betrekking tot de bijdragen om de sociale zekerheid te kunnen financieren :

— een bijzondere socialezekerheidsbijdrage voor de aanvullende pensioenen

— een bijzondere bijdrage op de premies die in het kader van een sectoraal aanvullend pensioenstelsel worden gestort

— een bijdrage op de niet-recurrente resultaatgebonden voordelen

De regering heeft, in overeenstemming met de sociale partners, de sectoren en de besturen, de bedoeling om efficiŽnte maatregelen te treffen om de leefbaarheid van onze sociale zekerheid te verzekeren, en daarbij een zekere haalbaarheid voor iedereen te waarborgen. Die maatregelen zullen er, onder andere via een betere inning van de sociale bijdragen, en samen met de andere maatregelen die in het kader van deze programmawet werden genomen, voor zorgen dat er wordt tegemoetgekomen aan de verplichtingen die het budget 2013 oplegt.

De alternatieve financiering

Hoofdstuk 2 voorziet in wijzigingen van artikel 66 van de programmawet van 2 januari 2001 (laatst gewijzigd op 29 maart 2012).

Het is de bedoeling om een alternatieve financiering van de sociale zekerheid in te voeren om de meerkosten door het opheffen van het bijzonder pensioenstelsel van het vliegend personeel van de burgerluchtvaart te compenseren.

Samengevat doen de wettelijke bepalingen het volgende :

— ze leggen het bedrag van de alternatieve financiering vast voor 2012, 2013 en vanaf 2014;

— ze geven de nadere regels voor die financiering : via een heffing op de btw-opbrengst of ontvangsten van de bedrijfsvoorheffing

— ze duiden de begunstigde van de maatregel aan : de RSZ — globaal beheer

De minister brengt de achtergrond in herinnering : het was geen evenwichtige regeling, en we beslisten om ze vanaf 2012 af te schaffen. Dat betekent dat er geen bijkomende rechten zullen zijn ten aanzien van de nieuwkomers en geen te betalen bijzondere bijdragen voor de werkgevers.

Door de hier bepaalde alternatieve financiering kunnen we de verworven rechten van de betrokken werknemers blijven financieren. De alternatieve financiering dekt die rechten volledig, en zal uitdoven in de mate dat die rechten uitdoven.

De bijdragen

1. bijzondere socialezekerheidsbijdrage voor de aanvullende pensioenen

Deze bepalingen betreffen de bijzondere socialezekerheidsbijdrage voor de aanvullende pensioenen van de werknemers.

Dit deel van de programmawet behandelt dezelfde kwestie, maar voor de zelfstandigen. Aangezien dat niet onder de bevoegdheid van de minister van Sociale Zaken valt, verwijst zij hiervoor naar de bevoegde minister.

De maatregelen hebben de bedoeling om de regelgeving betreffende de bijzondere socialezekerheidsbijdrage voor de aanvullende pensioenen te wijzigen (bijdrage ingevoerd door de programmawet van 22 juni 2012).

De regering heeft immers vastgesteld dat de wijze waarop de wet van 22 juni 2012 de toestand had aangepakt de werkgevers in moeilijkheden bracht en de goede werking van de maatregel in het gedrang dreigde te brengen.

De door die bepaling ingestelde mechanismen werden dus omstandig besproken met de werkgevers- en zelfstandigenorganisaties en met de pensioeninstellingen. Er werden technische correcties aangebracht, in het bijzonder om de kwestie van de collectieve premies te regelen.

De regering heeft in een overgangsstelsel en een definitief stelsel voorzien dat op 1 januari 2016 van kracht zal worden.

De minister vestigt er de aandacht op dat de memorie van toelichting van de betrokken wetsbepaling verschillende mogelijke situaties belicht.

Aangezien de technische aspecten van deze maatregel al in het kader van de programmawet van juni 2012 werden toegelicht, komt de minister daar niet op terug.

2. bijzondere bijdrage op de premies die in het kader van een sectoraal aanvullend pensioenstelsel worden gestort

Deze afdeling van de programmawet wil de inning organiseren van een bijdrage van 8,86 % op de pensioenbijdragen die in het kader van een aanvullend pensioenstelsel worden betaald.

Het betreft technische wijzigingen aan regelingen die in het verleden werden getroffen.

De programmawet beoogt de nadere regels van de inning van de bijdrage te herdefiniŽren wanneer de tweede pijler op sectoraal vlak wordt ingevoerd.

De maatregel beoogt heel precies enkel de aanvullende pensioenen vanaf 30 000 euro per jaar. Dat maakt concreet dat de maatregel maar op een zeer kleine minderheid van houders van een tweedepijlerpensioen van toepassing zal zijn.

Het gekozen referentiejaar om het bedrag te berekenen is 2011, zodat de werkgevers al over de nodige inlichtingen beschikken.

De maatregel werd met de sociale partners en de pensioeninstellingen besproken. In dat verband wil de minister verduidelijken dat de regering met de uitvoering van die maatregelen de huidige toestand in heel zijn diversiteit wil beschrijven. Indien er vandaag nog andere organisatiewijzen voor de ontvangst van sectorale pensioenbijdragen dan de in het wetsontwerp beschreven twee zouden bestaan, zouden we met de betrokken sectoren de beste oplossingen zoeken. Bovendien vormen de reŽel ontvangen pensioenbijdragen die de sector aan de pensioeninstellingen doorgeeft de basis van de in dit wetsontwerp bedoelde bijzondere bijdrage van 8,86 %.

De bijzondere bijdrage zal dus niet verschuldigd zijn voor de niet ontvangen pensioenbijdragen. In geval van niet-betaling van de sectorale premies door ťťn of meer werkgevers, zal de bijzondere bijdrage ook niet verschuldigd zijn indien de sectorale inrichter de gelijkstellingen uit zijn eigen middelen aan de pensioeninstelling financiert.

Deze maatregelen voeren een beslissing van het begrotingsconclaaf uit.

De minister eindigt met het laatste punt dat in het kader van de maatregelen inzake sociale zekerheid moet worden behandeld :

3. niet-recurrente resultaatgebonden voordelen

Deze afdeling van de programmawet heeft de bedoeling om de bijdrageplicht op de niet-recurrente resultaatgebonden voordelen die de werkgevers aan de werknemers uitbetalen te wijzigen.

De hier voorgestelde wijzigingen beogen zowel het niet-recurrent resultaatgebonden voordeel dat een werkgever aan een werknemer betaalt aan dezelfde persoonlijke bijdragevoet te onderwerpen als de normale bezoldiging, zonder evenwel aan het fiscaal voordeel te raken dat de werknemer geniet, als het toegestane maximum van 2 430 tot 3 100 euro op te trekken.

Als de minister de cijfers voor 2011 bekijkt, betreft die maatregel ongeveer 300 000 personen : 99 000 arbeiders en 200 000 bedienden.

Zoals het Rekenhof het wenst, is de minister er voorstander van dat de sociale partners de maatregel zo snel mogelijk evalueren.

Merk op dat het fiscaal voordeel wordt gehandhaafd, en dat het optrekken van het maximum het relatieve belang ervan voor de betrokken werknemers zal doen toenemen.

C. Inleidende uiteenzetting van de minister van Middenstand, KMO's, Zelfstandigen en Landbouw,

Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand, KMO's, Zelfstandigen en Landbouw, licht toe dat het om technische artikelen gaat, waarvan de bedoeling is preciseringen aan te brengen aan de programmawet van 22 juni 2012. Er wordt meer bepaald een bijzondere bijdrage ingevoerd in het kader van stortingen voor de tweede pijler. Voor de zelfstandigen geldt dan een gelijklopend systeem als voor werknemers.

Een eerste wijziging houdt een precisering in van de hoogte van de bedragen waarmee rekening wordt gehouden. En tweede wijziging betreft de gegevens die zullen worden gebruikt voor de bepaling van het bedrag van de bijdrage, en die voortaan die van het voorgaande jaar zullen zijn en niet meer de gegevens van het lopende jaar. Na overleg met de verzekeringssector bleek dat het onmogelijk was de gegevens van het lopende jaar te gebruiken omdat die niet op tijd beschikbaar zijn.

Beide wijzigingen gelden voor het overgangsregime (artikels 69 en 70) en ook voor het definitieve regime (artikel 71).

D. Inleidende uiteenzetting van de minister van Werk

Mevrouw Monica De Coninck, minister van Werk, licht toe dat een werknemer tijdens periode van economische werkloosheid 75 % tot 65 % (afhankelijk van de status van de werknemer) werkloosheidsvergoeding krijgt. Meestal gaat het over relatief korte periodes. Bij sommige bedrijven gaat het echter over lange periodes, en soms worden na verloop van tijd massaal mensen ontslaan.

Er wordt vaak gevraagd waarom de periode van tijdelijke werkloosheid niet kan gebruikt worden om vorming te organiseren. Vorming moet toch georganiseerd worden, zowel in het belang van de werkgever als de werknemer.

De programmawet bevat daarom een bepaling die stelt dat, als een werkgever een aanvraag doet voor het systeem van tijdelijke werkloosheid, dit moet vergezeld zijn van een opleidingsplan. De werknemers die een opleiding volgen, kunnen nog beroep doen op de oude tarieven tussen 65 % en 75 % van hun wedde. Als de werkgever geen vorming organiseert wordt zijn persoonlijke tussenkomst verdubbeld.

Het is dus de bedoeling economische tijdelijke werkloosheid te gebruiken om werkgevers te stimuleren vorming te organiseren. Zij kunnen daarvoor beroep doen op de ondersteuning van de gewestelijke diensten van de VDAB.

E. Inleidende uiteenzetting van de staatssecretaris voor Sociale Zaken, Gezinnen en Personen met een handicap, belast met Beroepsrisico's

De heer Philippe Courard, staatssecretaris voor Sociale Zaken, Gezinnen en Personen met een handicap, belast met Beroepsrisico's, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, legt uit dat de regering heeft moeten besparen. Veel besparen. De uitkering voor begrafeniskosten is een van de begrotingsposten die geschrapt worden om tot een evenwichtige spreiding van de inspanningen te komen.

In ons huidig vergoedingsstelsel voorziet de verplichte verzekering in de uitbetaling van een forfaitaire uitkering van 148,74 euro. Dit bedrag wordt niet geÔndexeerd.

De uitkering is alleen verschuldigd indien de overledene :

— gerechtigde was van een arbeidsongeschiktheidsuitkering (loontrekkende, werkloze);

— gerechtigde was van een rustpensioen in het stelsel voor de werknemers;

— gerechtigde was van een invaliditeits- of rustpensioen voor mijnwerkers.

Deze uitkering voor begrafeniskosten werd aan ongeveer veertigduizend gezinnen per jaar toegekend, of gemiddeld 42 % van de overlijdens in BelgiŽ.

Deze maatregel kost ongeveer 6,4 miljoen euro per jaar

Het voorstel wil dus artikel 110 van de wet van 14 juli 1994 doen vervallen. De andere bepalingen zijn van technische aard. De maatregel treedt in werking op 1 januari 2013.

F. Inleidende uiteenzetting door de staatssecretaris voor de Bestrijding van de sociale en de fiscale fraude

De heer John Crombez, staatssecretaris voor de Bestrijding van de sociale en de fiscale fraude, toegevoegd aan de eerste minister, licht titel 3 van voorliggend wetsontwerp toe.

De staatssecretaris geeft eerst duiding bij de artikelen van hoofdstuk 1, inzake de strijd tegen de detacheringsfraude. Deze liggen in het verlengde van eerder genomen maatregelen over hoofdelijke aansprakelijkheid en schijnzelfstandigheid. Deze zaken hebben allemaal te maken met dezelfde problematiek van deloyale concurrentie en sociale dumping. Tot nu toe werd de werkwijze gehanteerd om de maatregelen zeer gericht, zeer sectorspecifiek in voege te laten treden in de sectoren waar de echte problemen zich voordoen.

Het tweede hoofdstuk beoogt een bepaling in te voeren die moet toelaten diverse vormen van misbruik beter te kunnen bestrijden. In het sociaal recht wordt men immers veelvuldig geconfronteerd met gevallen van wetsontwijking en wetsontduiking. De mogelijkheid wordt gecreŽerd om snel in te grijpen in geval van sociale fraude, maar na advies van de Nationale Arbeidsraad. Deze mogelijkheid moet worden ingesteld omdat er door sociale fraudeconstructies op zeer korte tijd, soms op enkele maanden, ernstige schade wordt toegebracht aan ondernemingen en sectoren.

Het derde hoofdstuk gaat over de organisatie van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst. (SIOD). Om de continuÔteit en de stabiliteit van het beleid van de SIOD te garanderen voorziet dit hoofdstuk dat de leiding van de SIOD vanaf 1 januari 2013 zal waargenomen worden door een trojka bestaande uit de vorige, de nieuwe en de toekomstige leidend ambtenaar. Ze zullen hun functie gedurende telkens 2 jaar uitoefenen. De SIOD bestaat ondertussen 6 jaar en er is in de structuur van de SIOD zelf nooit veel veranderd, alhoewel de taken en opdrachten die heeft gekregen steeds toegenomen zijn.

Hoofdstuk 4 is een terminologische verbetering van de artikelen 30bis en 30ter van de RSZ-wet van 27 juni 1969.

Hoofdstuk 5 handelt over de schorsing van de verjaring van de terugvordering van ten onrechte ontvangen uitkeringen. Via deze bepaling wordt vermeden dat een beroep tegen een beslissing tot terugvordering van onterecht betaalde uitkeringen, tot gevolg zou hebben dat de effectieve inning van deze bedragen zou verjaren.

Hoofdstuk 6 regelt de betaling eerste bijdragen en toekenning van sommige uitkeringen. Elke zelfstandige is verplicht zich aan te sluiten bij een sociaal verzekeringsfonds vanaf het begin van zijn activiteit. Hij heeft het genot van zijn socialezekerheidsrechten vanaf de aansluiting, zelfs wanneer geen effectieve bijdragen worden betaald. Personen die geen zelfstandige beroepsactiviteit uitoefenen misbruiken dit systeem soms door zich aan te sluiten louter om uitkeringen te bekomen.

Teneinde deze fictieve aansluitingen beter te bestrijden wordt voorzien dat de socialezekerheidsrechten, inzonderheid geneeskundige verstrekkingen en gezinsbijslagen, slechts geopend worden na betaling van de eerste bijdrage.

Hoofdstuk 7 ten slotte brengt een wijziging aan in de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijk integratie. Krachtens deze bepaling wordt de Koning de bevoegdheid verleend om de minimumvereisten te bepalen betreffende het sociaal onderzoek op basis waarvan het OCMW beslist om al dan niet een leefloon toe te kennen. Het is de bedoeling de mensen die het sociaal dossier samenstellen toegang te geven tot meer informatie zodat zij het onderscheid kunnen maken tussen een vraag die gebaseerd op een echte nood, en een vraag van een persoon die het systeem wil misbruiken.

III. BESPREKING

A. Pensioenen

De heer Pieters vindt het bizar dat de minister van Pensioenen verklaart dat hij zal houden rekening met het advies van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, tenminste voor wat de uitvoeringsbesluiten betreft voor de ontworpen artikelen in voorliggend wetsontwerp. Zowel op het Europese als op het nationale vlak vertrekt de privacywetgeving immers vanuit het principe dat de wetgever de burger de nodige bescherming biedt tegen de handelingen van de uitvoerende macht. De regering kan dan toch niet vragen om nu reeds een wetgeving goed te keuren zonder dat het advies van de commissie werd gevraagd, met de vage belofte met dit advies rekening te zullen houden bij het uitwerken van de uitvoeringsbesluiten. Het is immers bij het ontwerpen van de wetgeving dat dit advies moet worden gevraagd en dat ermee rekening moet worden gehouden.

De heer De Croo, vice-eersteminister en minister van Pensioenen, bevestigt uitdrukkelijk zijn intentie rekening te houden met het advies van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer bij de redactie van de uitvoeringsbesluiten.

De heer Pieters wijst erop dat voorliggend wetsontwerp de Koning machtigt om de nadere modaliteiten van de gegevensuitwisseling tussen de Rijksdienst voor pensioenen en de FOD FinanciŽn uit te werken. Mogelijk heeft de huidige minister van Pensioenen weliswaar de intentie om rekening te houden met het advies van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, maar deze intentie bindt geenszins zijn opvolgers. Men kan de bescherming van de persoonlijke vrijheden van de burgers niet afhankelijk maken van de goede wil van de leden van de uitvoerende macht. Dit is absurd !

De minister van Pensioenen wijst op de context van de voorgestelde maatregel. Hij meent dat veel mensen een te laag pensioen hebben en dat zij ondersteuning verdienen vanuit de overheid. Andersom ontvangen vele personen een inkomensgarantie voor ouderen (IGO) terwijl ze er geen recht op hebben. Een dergelijke verspilling van overheidsmiddelen is onaanvaardbaar en de regering wil hiertegen optreden. De sociale bescherming moet gelden voor wie ze nodig heeft en niet voor diegenen die er ten onrechte een beroep op doen. Vandaar de voorgestelde gegevensuitwisseling, die ertoe moet leiden dat enkel mensen die recht hebben op de IGO deze ook daadwerkelijk ontvangen.

De minister betreurt dat de N-VA-fractie opnieuw allerhande redenen uitvindt om de strijd tegen de sociale fraude tegen te gaan. Privacy is belangrijk maar ook sociale rechtvaardigheid is dat ook.

De heer Pieters meent dat de minister hier tracht de vis te verdrinken. De intentie van de regering om sociale fraude aan te pakken is niet het voorwerp van kritiek vanuit de oppositie. Maar dit betekent niet dat zomaar alles toegestaan is en dat de rechtsstaat moet worden achtergelaten. Men kan niet aanvaarden dat de bescherming van de persoonlijke levenssfeer afhankelijk wordt van de intentie van een minister.

B. Werk

De heer Pieters heeft een vraag omtrent de opleidingsplannen. Beroepsopleidingen en bijscholing organiseren is een gewestelijke bevoegdheid. Er is echter ook een probleem in de arbeidsmarkt waardoor werkgevers nogal huiverig staan ten aanzien van opleidingen die niet onmiddellijk in hun bedrijf bruikbaar zijn, wat zeker een pijnpunt is in bedrijven die het moeilijk hebben. Regelgeving is in deze dus niet gemakkelijk omdat je je heel snel op het domein van de gewesten bevindt. De minister verbindt een financieel voordeel aan de scholingsplannen, ze zal dus ook criteria daarvoor vastleggen. Hoe zal ze dat doen, gelet op haar beperkte bevoegdheid ?

Minister De Coninck is geen voorstander van het opleggen van tientallen regels, een zekere mate van creativiteit moet mogelijk blijven. De werkgever moet echter wel beseffen dat het systeem van economische werkloosheid een zware ondersteuning vormt voor de werkgevers. De vorming die ze organiseren telt mee voor de vormingsverplichtingen die opgelegd worden. Bovendien is het in hun eigen belang dit te organiseren. Als het allemaal verkeerd afloopt wordt er bij het aanvragen van de werkloosheidsvergoeding met bedrijfstoeslag, waarvoor soms uitzonderingen worden gevraagd om onder een bepaalde leeftijdsgrens te mogen gaan, ook rekening gehouden met het feit of ze al dan niet vorming hebben georganiseerd.

De vorming zelf mag tot tien dagen in het bedrijf zelf plaatsvinden. Ook buiten het bedrijf mogen opleidingen georganiseerd worden. De minister hoopt uiteraard dat het opleidingsplan van een bedrijf zal getuigen van een zekere visie.

De heer Pieters vraagt of de minister zal eisen dat bijvoorbeeld een deel van de opleiding die moet aangeboden worden ook buiten het bedrijf moet bruikbaar zijn.

De minister antwoordt dat enkel wordt opgelegd dat er maximaal tien dagen binnen het bedrijf kunnen georganiseerd worden.

C. Sociale Zaken en Volksgezondheid

De heer Ide meent dat, wanneer 100 miljoen euro wordt bespaard in de begroting van Volksgezondheid, 75 miljoen euro ervan ten laste valt van de ziekenhuizen. Ook in het geneesmiddelenbudget wordt opnieuw bespaard : 26 % van het totale besparing op Volksgezondheid wordt via de geneesmiddelen gerealiseerd. Het zijn steeds dezelfde categorieŽn die de eerste slachtoffers zijn van de besparingsdrift van de regering. Spreker verwijst ook naar de bespreking van het wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake de toegankelijkheid van de gezondheidszorg (stuk Senaat, nr. 5-1895) en naar de amendementen die hij heeft ingediend op dit wetsontwerp, met name over de vereiste van de dubbele meerderheid in de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen. Het einde van de besparingen is immers nog niet in zicht : de minister heeft in de pers verklaard dat ook de ereloonsupplementen in de eenpersoonskamers in de toekomst moeten worden beperkt. Dergelijke uitspraken verhitten de gemoederen.

Andere grote actoren — met name de ziekenfondsen — blijven echter buiten schot in de besparingsmaatregelen van de regering. Hoeveel wordt bespaard in deze sector in 2013 ?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Beliris en de Federale Culturele Instellingen, wijst erop dat ook de ziekenfondsen een inspanning doen in het kader van de besparingen. De regering heeft immers een besparing van 82 miljoen euro doorgevoerd in de ziekenfondsen en nu werd beslist hun een bijkomende inspanning van 8 miljoen euro op te leggen. In totaal gaat het dus om 90 miljoen euro.

De heer Ide wijst erop dat dit een gecumuleerde inspanning is. Mocht men de gecumuleerde inspanningen voor artsen en geneesmiddelen bekijken, komt men aan een veel hoger bedrag. In deze besparingsronde gaat het maar om 8 miljoen euro besparing voor de ziekenfondsen.

De minister blijft erbij dat ook aan de ziekenfondsen werd gevraagd hun deel te doen in de besparingen.

De heer Ide is het hiermee niet eens. De ziekenfondsen hebben een jaarlijks inkomen van 1,1 miljard euro. Dit bedrag is hoger dan de opgetelde inkomens van alle tandartsen in ons land. Een grotere inspanning op het vlak van digitalisering kan de administratiekosten van de ziekenfondsen fors doen dalen.

De minister wijst erop dat terzake reeds grote inspanningen gebeuren. Zij meent dat de ziekenfondsen niet het zwarte schaap van de gezondheidszorg mogen worden. Al te vaak wordt door artsen en andere grote spelers in de gezondheidszorg geopperd dat mutualiteiten overbodig en veel te duur zijn. Zelf is de minister van oordeel dat de ziekenfondsen een onvervangbare rol spelen in onze gezondheidszorg.

Elk jaar wordt aan de ziekenfondsen een budgettaire inspanning gevraagd. Ditmaal waren niet alle mutualiteiten het hiermee eens, en de regering heeft hen een besparing opgelegd.

De heer Ide vraagt zich af waarom een organisatie als het Vlaams PatiŽntenplatform bestaat als de ziekenfondsen toch zo belangrijk zijn.

De minister repliceert dat zij patiŽntenorganisaties ruim betrokken heeft bij het overleg in de gezondheidszorg en hen betrekt bij het uitbrengen van adviezen over de aandoening in dewelke zij actief zijn. Dit neemt niet weg dat volgens haar, voor een verdediging van de patiŽnten in het algemeen en als partner in het beheer van de sociale zekerheid, de ziekenfondsen nodig zijn. De ziekenfondsen hebben in 2012 een besparing van 43 miljoen euro gerealiseerd, in 2013 gaat het om 83 miljoen euro, en daarbij komt een extra inspanning van 8 miljoen. Zij besparen in 2013 dus 48 miljoen euro meer dan in 2012. Wat 2014 betreft, geeft de minister aan dat een besparing van 104 miljoen euro is voorzien.

De heer du Bus de Warnaffe stelt vast dat artikel 17 van het ontwerp van programmawet de retributie voor de intiŽle registratie van honden verhoogt met 4 euro, ten laste van de eigenaar of de verantwoordelijke van het dier. De betrokken sector betwist deze verhoging op zich niet, maar vraagt wel in de toekomst betrokken te worden bij de wijze waarop deze inkomsten worden aangewend voor andere doeleinden dan de bezoldiging van bijkomende inspecteurs. Zij menen dat de overheid de extra inkomsten moet aanwenden voor de begeleiding en opleiding van de fokkers, het oprichten van dierenasielen en dergelijke. Is de minister bereid tot een dergelijk overleg met de sector ?

De minister antwoordt open te staan voor overleg. Dit neemt niet weg dat het de bedoeling is om de extra middelen aan te wenden voor de controles en inbeslagnames, wat een vraag was van de sector.

D. Sociale en fiscale fraude

1. Vragen van de leden

Mevrouw Vogels probeert zich voor te stellen welke fraude specifiek aangepakt wordt in dit technische gedeelte en krijgt graag enkele voorbeelden van de staatssecretaris. Het zou uiteraard heel goed zijn indien door deze technische instrumenten bijvoorbeeld een aantal oneigenlijke voordelen van eenpersoons BVBA's zouden aangepakt worden. Het zou echter niet goed zijn indien deze verscherpte controles opnieuw de kleine garnalen zouden viseren. Iemand die werkloosheidsuitkeringen of leefloon trekt als alleenstaande en eigenlijk samenwoont, pleegt sociale fraude. Maar het leefloon voor een alleenstaande bedraagt slechts 770 euro en een gemiddelde huur bedraagt 600 euro. Als je niet dakloos wil worden, moet je dus wel op een of andere manier sociale fraude plegen, anders kan je je huur niet betalen. Het zou een zeer slechte zaak zijn indien de instrumenten voor het bestrijden van sociale fraude dienen om deze mensen nog eens aan te viseren Graag meer uitleg van de staatssecretaris over wie zal aangepakt worden.

De heer Pieters begint met de artikelen aangaande wetsontwijking en wetsontduiking. Spreker vindt het jammer dat dit niet is gebeurd ondersteund door de sociale partners. Volgens de staatssecretaris is er in de mate van het mogelijke rekening gehouden met de NAR. Dit was echter een verdeeld advies. Het is bijzonder moeilijk om zaken die niet gedragen worden, toch door te voeren. Dit zal sowieso een probleem stellen, zeker in een aantal betrokken sectoren.

Ook inhoudelijk zijn er heel wat opmerkingen te maken. Senator Pieters stelt inzake de maatregelen van hoofdstuk 2 tot zijn spijt vast dat een intentie die zeer goed is, totaal onbehoorlijk in wetgeving is omgezet. Dat heeft wellicht een aantal redenen.

Men is duidelijk niet tevreden over een aantal praktijken die internationale detachering met zich meebrengen. In de bepaling zit echter een hele rare kronkel die zegt dat er opgetreden zal worden wanneer men de Europese regelgeving toepast om eigenlijk een situatie die onder Belgisch sociale zekerheid zou moeten vallen toch onder een andere sociale zekerheid te doen vallen. Het is echter niet mogelijk vrij te bepalen welk land bevoegd is. De regels van detachering liggen vast in de verordening 883/2004 en de toepassingsverordening 987/2009. Krachtens die verordening wordt er ťťn, en slechts ťťn land als bevoegd land aangewezen, doorgaans het land waar gewerkt wordt. De regels worden uitgelegd in de praktische handleiding en de besluiten van de administratieve commissie. De praktische handleiding en de besluiten van de administratieve commissie hebben op zichzelf geen bindende juridische waarde. Ze zijn een steun om te begrijpen wat er in de verordening en de toepassingsverordening staat.

De memorie van toelichting geeft een aantal voorbeelden. Geen enkele daarvan is correct. Het gaat steeds over zaken waar de detachering Europeesrechtelijk verkeerd is en waar dus al een oplossing voor is. Daarvoor is geen Belgische misbruikwetgeving nodig. Enkel het Europees recht bepaalt welke de bevoegde staat is. Het Belgisch recht heeft niet te zeggen of een detachering kan of niet.

Bij rechtsmisbruik wordt gesuggereerd dat de letter van de wet ťťn ding zegt, maar er inhoudelijk iets anders gebeurt. De staatssecretaris heeft echter niet het recht om te zeggen dat Europeesrechtelijke normen maar aan de kant geschoven moeten worden omdat hij vindt dat er rechtsmisbruik is. Het Belgisch recht kan dat niet. Als de staatssecretaris een bepaling van die aard zou willen, dan moet de verordening gewijzigd worden. De regels over detachering zijn door BelgiŽ trouwens altijd ondersteund geweest.

De staatssecretaris spreekt van ę U-turn Ľ constructies. Dat is inderdaad een punt van bezorgdheid. Het gaat in dergelijke gevallen over een bedrijf dat zich artificieel in, bijvoorbeeld, Portugal vestigt, Belgische werknemers aanwerft en die dan detacheert naar BelgiŽ om onder Portugees recht te werken. Nu al staat krachtens de regels van de detachering vast dat zoiets niet mag.

Het ganse hoofdstuk inzake rechtsmisbruik is bijzonder schadelijk voor de doelstellingen die de staatssecretaris wil bereiken, en Europees incorrect. In alle voorbeelden van de memorie is er geen sprake van rechtsmisbruik, maar van duidelijke schending van het Europees recht.

De heer Pieters begrijpt echt niet waarom deze artikelen zouden goedgekeurd worden. De artikelen gaan er ook van uit dat, zoals in de fiscaliteit, de sociale doelstelling altijd klaar is. Dat is echter niet het geval. Belastingen zijn er om geld te innen. Bij sociale zekerheid is er een complexere relatie. Het gaat niet enkel over bijdragen die moeten betaald worden, maar ook over de sociale bescherming die daaraan vast hangt. Daarenboven doet de staatssecretaris hier een aantal dingen die gewoon niet kunnen en die BelgiŽ zouden kunnen schaden. Het komt de staatssecretaris niet toe te zeggen dat er maar voor zeven jaar teruggevorderd zal worden. Wanneer de Belgische sociale zekerheid toepasselijk is moet die volledig toegepast worden.

Deze bepalingen zullen zorgen voor Europeesrechtelijke problemen, de eigen positie om op te treden tegen schendingen van het Europees recht wordt erdoor verzwakt en dit wordt gedaan door Europeesrechtelijke normen te citeren op een ander niveau dan waarvoor ze eigenlijk bedoeld zijn. De handleiding en de administratieve commissiebesluiten kunnen bij Belgische wetgeving geen andere status krijgen dan ze Europeesrechtelijk hebben. Dit volledige hoofdstuk klopt niet, is schadelijk voor de eigen doelstellingen en het is onduidelijk wat ermee moet bereikt worden.

Wat betreft het gedeelte over de bestrijding van wetsontwijking en wetsontduiking meent de heer Pieters dat het problematisch is dat de staatssecretaris werkt met een concept dat strijdig is met de doelstellingen van de sociale wetgeving. Er wordt een juridische operatie ontworpen teneinde een resultaat te bekomen dat in strijd is met de doelstellingen van de sociale wet. Deze formule komt uit de fiscaliteit om belastingontduiking en belastingontwijking aan te pakken. Alleen is de context hier anders vermits het hier gaat om een sociale zekerheidscontext. In dergelijke context gaat het over meer dan al dan niet verplicht zijn om betalingen te doen. Het gaat ook over een bescherming.

Daarenboven stelt zich een groot probleem. De bepalingen zeggen niet dat de rechtshandelingen nietig zijn, wel dat ze niet tegenstelbaar zijn. Straks zullen er dus tussen burgers onderling en tussen de fiscus en burgers rechtsgeldige rechtshandelingen bestaan die niet tegenstelbaar zijn aan de sociale zekerheidsinstellingen. Dat is vragen om juridische problemen. Als de staatssecretaris overtuigd is van wat hij hier schrijft, waarom legt hij als sanctie dan niet de nietigheid van de rechtshandeling op ?

Wat de gevolgen zullen zijn van de niet tegenstelbaarheid is ook niet duidelijk. Kan de niet tegenstelbaarheid opzij geschoven worden door de sociale zekerheidsinstellingen als het gaat over de betaling ? Dit is niet duidelijk, omdat het artikel is opgesteld in termen van niet tegenstelbaarheid van een operatie, wat de bijdragen betreft. Maar krijgen we straks een sociale zekerheidsinstelling die zal zeggen dat iets niet tegenstelbaar is, maar wel rechtsgeldig en dus de tegenstelbaarheid wel aanvaardt inzake de uitbetaling van uitkeringen ?

Wat de bepaling over de SIOD betreft, vermoedt de heer Pieters dat er iemand moest benoemd worden en men het niet eens geraakte over wie dan wel. Het gevolg is dat iedereen om de beurt directeur mag worden.

Ook de bepaling over de wijziging van de wet betreffende het recht op maatschappelijk integratie is onduidelijk. ę De Koning kan de modaliteiten van het sociaal onderzoek bepalen Ľ is een zeer brede machtiging die gebruikt kan worden om om het even wat vast te leggen. Het kan zeer ver gaan, of heel weinig zijn. Moet hieronder verstaan worden dat de OCMW 's op dit gebied hun vrijheid ingeperkt zullen zien ? Dat alleen bepaalde vragen gesteld mogen worden en andere niet ? De invulling van deze machtiging is zeker even belangrijk als de volmacht die hier wordt gevraagd.

2. Antwoorden van de staatssecretaris

De laatste maanden worden in versneld tempo dramatische toestanden vastgesteld. Iedereen is het erover eens de misbruiken in te perken, maar dan is er altijd ongerustheid aan de andere kant. Er ontstaat onrust over wie rechten krijgt, welke termijnen gelden en welke mogelijkheden bestaan.

Het VBO heeft een aantal opmerkingen geformuleerd omdat een aantal sectoren waar de problemen zich niet manifesteren, ongerust zijn over de impact van de maatregelen. Evengoed komen sectoren die lid zijn van het VBO vragen om die maatregelen wel degelijk te nemen.

De analyse van de regering is zeer simpel. De problemen zijn de laatste maanden dermate toegenomen dat heel wat ondernemingen, kleine zelfstandigen, failliet gaan door het fenomeen van sociale dumping. Het niet nemen van de maatregelen zou heel erg zijn. Dat betekent niet dat alle sectoren last hebben van dit fenomeen.

In de hoofdstukken die nu worden toegevoegd kunnen twee grote stukken onderscheiden worden. Het eerste is dat van de sociale dumping in zeer brede zin, het tweede dat van de preventieve maatregelen. Dit houdt de organisatie in om te vermijden dat onterechte rechten worden gecreŽerd, en onterechte bijstand of uitkeringen worden betaald. Preventief handelen betekent dat de mensen die de beslissing nemen de middelen moeten krijgen om te kijken of de aanvrager wel degelijk recht heeft.

Het aantal niet-Belgen dat uit de bijstand wordt gehaald is met 50 % is toegenomen. Dergelijke berichten zorgen altijd over een discussie over het nut ervan. Het punt is dat het gaat over dossiers van mensen die manifest geen recht hebben op bijstand. Een van de moeilijkheden in deze dossiers is de vermogenstoets. Als men indicatoren kan maken waardoor in een sociaal dossier beter op voorhand het onderscheid kan gemaakt worden tussen vermogend of niet vermogend, staat men al een hele stap verder. Niemand verzet zich tegen het schrappen van bijstand aan iemand die zes huizen bezit. Dergelijke gevallen komen niet veel voor, maar het is geen fictief voorbeeld. Door preventieve maatregelen van, bijvoorbeeld, databankkoppelingen en het vervolledigen van criteria in de sociale dossiers, zullen minder onterechte rechten gecreŽerd worden.

Inzake de SIOD dicht de heer Pieters de staatssecretaris een bepaalde intentie toe. De heer Crombez is vooral blij met de gevonden oplossing. Er moet niet iemand nieuw op een plaats komen, maar personen van binnen de administratie kunnen ingezet worden. Hij is daar eerder een voorstander van, maar hij is er zich van bewust dat de partij van de heer Pieters er anders over denkt.

Wat betreft de Europese regelgeving en de beweringen van de heer Pieters dat er foute zaken gebeuren, is de heer Crombez het niet eens met deze stelling. Hij zal ongetwijfeld vertrouwd zijn met de uitspraak van het Europees Hof over Paletta II. Dit komt er op neer dat het Europees Hof van Justitie, over de vraag of men al dan niet gebonden is, gezegd heeft dat men niet gebonden is in het geval van rechtsmisbruik. Dit is elementair. Professor Herwig Verschueren heeft beschreven dat de uitspraak toepasbaar is precies op detacheringen.

Niet alleen in BelgiŽ, maar in Europa gebeuren in een aantal sectoren drama's. En aantal sectoren in ons land was in het begin van dit jaar niet overtuigd van het feit dat deze maatregelen nodig waren. Ondertussen staan diezelfde sectoren te springen om in 2013 op deze maatregelen beroep te kunnen doen.

De staatssecretaris is het niet eens met de stelling dat de bepalingen in strijd zijn met het Europees recht en dat enkel het Europees recht geldt. Verder heeft hij er een probleem mee als wordt gesteld dat we niet zouden kunnen zoeken hoever we kunnen gaan om zelf maatregelen te nemen rond de wantoestanden van sociale dumping. In 2006 heeft Europa de grenzen geopend. Er werd toen ook gezegd dat zeer specifiek voor de transportsector bijkomende maatregelen nodig zouden zijn. Waar zijn die maatregelen ? Vele parlementairen hebben al gezegd dat het om Europese materie gaat en BelgiŽ dus niets kan doen. Ondertussen wordt de toestand slechter en slechter. De staatssecretaris weigert om niets te doen. Als Europa hierover vragen zal stellen, dan zal hij met veel plezier antwoorden geven.

3. Replieken

De heer Pieters verklaart aan de staatssecretaris dat hij niet ťťn voorbeeld kan geven van misbruik na een correcte toepassing van de Europese wetgeving. Alle aangehaalde voorbeelden zijn reeds opgelost. Als men de Europese verordening correct toepast, zijn noch het 85-15-stelsel, noch de ę U-Turn Ľ-constructies mogelijk. Het lid dringt erop aan dat men hem een geval geeft waarbij de toepassing van de Europese verordening zou kunnen leiden tot misbruik dat door de huidige regelgeving niet reeds gedekt is.

Mevrouw Vogels deelt volmondig de mening van de staatssecretaris dat sociale dumping dringend moet worden aangepakt. Zij herinnert aan recente controles in een camping in Kasterlee waar niet alleen sociale fraude aan het licht gekomen is, maar ook een probleem met huisjesmelkers. Spreekster heeft de Vlaamse minister hierover aangesproken. Wat haar ten zeerste verbaast, is dat er in BelgiŽ nagenoeg geen cijfers bestaan over de omvang van de sociale fraude. In Nederland heeft men twee jaar geleden geschat dat er 300 000 geÔmmigreerde werknemers volgens de normale barema's actief waren. 62 % waren Polen en werden meestal door de interimsector en bedrijven gehuisvest, soms in recreatiedomeinen. Sindsdien heeft Nederland een algemene oplossing uitgewerkt die de overheid aan het uitvoeren is. Het gaat niet alleen om het bestrijden van sociale dumping, maar ook om er in het kader van de Europese regelgeving voor te zorgen dat deze mensen niet worden uitgebuit, zowel op het vlak van hun loon als hun huisvesting. Bij ons betalen deze mensen tot 500 euro per maand voor een matras !

Het zou nuttig zijn om te overleggen met de deelstaatregeringen om een stand van zaken op te maken.

Wat de individuele dossiers betreft, is spreekster niet helemaal gerustgesteld door de antwoorden van de staatssecretaris. Hij had het over mensen die een uitkering ontvangen terwijl zij eigenaar van zes huizen zijn, maar dat is natuurlijk een minderheid. In sommige gevallen gaat men na of de betrokkene huizen in het buitenland bezit. Dat zal heel moeilijk zijn en zal ongetwijfeld weinig resultaten opleveren. Spreekster vreest dus dat men, om aan te tonen dat men de sociale fraude aanpakt, uiteindelijk terugvalt op het soort toestanden waar zij het over had, met name mensen die zich als alleenstaande inschrijven terwijl zij samenwonen, omdat zij niet kunnen leven van de uitkering die zij als alleenstaande zouden ontvangen.

De heer Crombez antwoordt aan de heer Pieters dat hij blijft bij de voorbeelden die hij heeft aangehaald. Volgens de redenering van de senator zijn deze voorbeelden niet pertinent omdat de bedoelde gevallen reeds via het bestaande recht kunnen worden geregeld. Wat kan men doen voor het A1-attest ? De administratie kan aan het bestuur van het land van herkomst vragen om bepaalde zaken te controleren. Vele landen reageren gewoon niet. Als Europa niet begaan is met het gebrek aan toepassing van zijn wetgeving in de lidstaten, meent de staatssecretaris dat hij zelf een oplossing moet trachten te vinden. De wet heeft geen heel groot toepassingsgebied, zij is zeer gericht en beantwoordt aan een dringende noodzaak. Vele bedrijven hebben openlijk verklaard dat zij vragende partij zijn. Voor de andere bedrijven die onaanvaardbare praktijken in stand houden is de boodschap duidelijk : de staatssecretaris zal hen aanpakken.

Aan mevrouw Vogels antwoordt de staatssecretaris dat hij zich ervan bewust is dat er een waaier van gevallen is, die gaat van sociale fraude tot misbruik en mishandeling. Er werd een straf van vier jaar uitgesproken tegen bedrijfsleiders en onderaannemers. Het is belangrijk dat de rechtbanken op dezelfde lijn staan als de regering, maar het toont ook aan hoe dramatisch de gevolgen kunnen zijn voor de betrokkenen.

Er is beslist een observatorium op te richten om een betere kijk op de situatie te verkrijgen. Dat betekent echter niet dat men nu niets weet.

De staatssecretaris geeft aan dat er in 2011 ongeveer negentigduizend nieuwe zelfstandige starters waren. Zelfs Unizo heeft toen de regering verwittigd dat er ongeveer twintigduizend daarvan Oost-Europeanen waren die wellicht helemaal geen zelfstandige activiteit ontplooien. Het is gebleken dat het aantal fictieve starters nu aan het dalen is, niet omdat de regering tegen nieuwe zelfstandigen is, maar wel omdat de malafide starters van Oost-Europese origine afhaken. Het kan dus wel degelijk lukken om deze problematiek aan te pakken. Dit neemt niet weg dat het moeilijk is om exacte cijfers te bekomen. Vandaar dat het observatorium, als onafhankelijke instantie, hiermee wordt belast.

Ten slotte herhaalt de staatssecretaris dat, hoewel het specifieke geval waarin een persoon onrechtmatig een uitkering geniet zelden voorkomt, het niettemin laakbaar is. Daarom bieden de maatregelen ter versteviging van het onderzoek van, bijvoorbeeld, een dossier van maatschappelijke hulp, de mogelijkheid om preventief te handelen, al heeft men weliswaar niet alle informatie in handen, inzonderheid betreffende de inkomsten in het buitenland.

De heer Pieters stelt vast dat de Europese verordening in de jaren 2000 werd herzien en dat de bevoegde Belgische minister — van dezelfde partij als de staatssecretaris — toen heel goed de stem van BelgiŽ had kunnen laten horen. In het begin ging het om een procedure met eenparigheid van stemmen, die later een gekwalificeerde meerderheid geworden is. De Europese normen werden echter aanvaard, en nu tracht de regering ze opzij te schuiven met het argument dat andere lidstaten het spel niet correct spelen. Spreker herhaalt dat de voorbeelden die de staatssecretaris geciteerd heeft geen steek houden.

Spreker vraagt de staatssecretaris vervolgens wat hij zal doen met de ę niet-tegenstelbaarheid Ľ die als sanctie voor rechtsmisbruik zal worden gehanteerd. In de fiscale wetgeving is dit duidelijk : wat niet-tegenstelbaar is tegen de fiscus, leidt tot een inning door de fiscus, en daar stopt het verhaal. Hier gaat het evenwel om sociale zekerheid. Met een niet tegenstelbaarheid begeef je je in een rare constellatie. Ga je de niet-tegenstelbaarheid ook verplichten aan de uitkeringskant ? Of zal de instelling gewoon de vrijheid krijgen om te zeggen dat de handeling rechtsgeldig is ?

De heer Crombez antwoordt dat de heer Pieters aldoor zegt dat het gaat om alleen maar sociale zekerheid en uit die vaststelling het probleem creŽert. Het gaat echter niet alleen om sociale zekerheid maar ook over arbeidsrecht.

De heer Pieters vraagt of de staatssecretaris een arbeidsovereenkomst als niet-tegenstelbaar beschouwt omdat hij vindt dat het een zelfstandige relatie is. De arbeidsovereenkomst blijft geldig maar is niet tegenstelbaar aan de sociale zekerheidsinstellingen.

Volgens de heer Crombez is dit dezelfde discussie als in fiscale zaken. Ofwel is er een bijzondere regeling en is die geldig. Dan valt het niet onder de voorliggende bepalingen. Ofwel bestaat die niet en dan kan ze gewoon vervallen.

Volgens de heer Pieters is niet bestaan een nietigheid. De heer Crombez kiest echter voor niet-tegenstelbaarheid als sanctie. Dit betekent dat de rechtshandeling rechtsgeldig blijft bestaan. Hij begrijpt dat dat gebeurt aan de inningskant. Maar in de sociale zekerheid worden ook rechten opgebouwd. Hoe werkt men daar met de niet-tegenstelbaarheid ? Ofwel is iets geldig, ofwel niet.

De heer Crombez meent dat het in het voorbeeld van senator Pieters gaat over de wet van 2006. Die is hier niet van toepassing. De heer Pieters is misschien niet tevreden met dit antwoord, maar dat is het enige dat de heer Crombez kan geven.

De heer Pieters vraagt om een voorbeeld waar de niet-tegenstelbaarheid zou ingeroepen worden met een verder gelden van de geldigheid van de rechtshandeling.

De heer Crombez antwoordt dat zowel de minister van FinanciŽn als hijzelf niet het onderscheid zullen maken in een situatie waarbij er, als er specifieke bepalingen zijn, de specifieke gelden en in de resterende bepalingen als sluitstuk de voorliggende bepalingen zullen gelden. Zij zullen dus ook niet degenen zijn die punctueel aankondigen wat het verschil zal zijn. Er zal telkens per besluit moeten bepaald worden. Deze bepalingen worden gecreŽerd voor de gevallen waar geen specifieke bepalingen bestaan en er dringendheid kan aangetoond worden. De staatssecretaris is niet van plan om hier, vooraleer er enig overleg is geweest, voorbeelden van situaties te fantaseren die zich misschien nooit zullen voordoen.

Senator Pieters stelt vast dat de staatssecretaris eigenlijk gewoon vraagt dit goed te keuren en later zal het Parlement wel ontdekken wat het precies is.

E. Sociale Zaken

De heer Pieters stelt vast dat de begrafenisvergoeding wordt afgeschaft voor sommige groepen, voor andere groepen blijft hij bestaan. Waarom dit onderscheid ?

Spreker meent bovendien dat de gerealiseerde besparing groter is dan het bedrag dat de staatssecretaris aangeeft. Men spaart immers niet enkel de uitkeringen uit, maar ook de administratieve kost ervan. Bestaan hierover cijfers ?

Ten slotte verklaart de heer Pieters het volledig eens te zijn met het voornemen van de regering om de begrafenisvergoeding af te schaffen. Het gaat immers om een maatregel die te klein is om iets te veranderen voor de rechthebbenden. Hij wijst echter op de internationaalrechtelijke verplichting van ons land om een begrafenisvergoeding uit te keren. Vreest de staatssecretaris geen juridische moeilijkheden bij het schrappen van de begrafenisvergoeding ?

De heer Philippe Courard, staatssecretaris voor Sociale Zaken, Gezinnen en Personen met een handicap, belast met Beroepsrisico's, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, betreurt de afschaffing van de begrafenisvergoeding. De regering heeft hiertoe beslist in het kader van de keuze om in alle departementen besparingen te realiseren. De staatssecretaris heeft geopteerd voor het afschaffen van de begrafenisvergoeding omdat het gaat om een besparing is met weinig impact.

De staatssecretaris meent dat uit juridische analyses blijkt dat geen bezwaar vanuit de Europese Unie, noch vanuit de Internationale Arbeidsorganisatie moet worden verwacht.

IV. STEMMINGEN

Het wetsontwerp in zijn geheel wordt aangenomen met 10 stemmen bij 3 onthoudigen.

Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het uitbrengen van een mondeling verslag aan de plenaire vergadering.

De rapporteurs, De voorzitter,
Nele LIJNEN. Christie MORREALE. Elke SLEURS.

De door de commissie aangenomen tekst is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp (zie stuk Kamer, nr. 53-2561/012).