5-917/3

5-917/3

Belgische Senaat

ZITTING 2010-2011

19 JULI 2011


Voorstel van resolutie betreffende de kwijtschelding van de schandelijke schuld van Tunesië


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE BUITENLANDSE BETREKKINGEN EN VOOR DE LANDSVERDEDIGING UITGEBRACHT DOOR

DE HEREN ANCIAUX EN DE BRUYN


I. INLEIDING

De commissie heeft dit voorstel van resolutie besproken tijdens haar vergaderingen van 12 en 19 juli 2011.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR MEVROUW ZRIHEN, HOOFDINDIENSTER VAN HET VOORSTEL VAN RESOLUTIE

Dit voorstel van resolutie werd ingediend na de « Jasmijnrevolutie » en is gebaseerd op de resolutie over de kwijtschelding van de schulden van de minst ontwikkelde landen, aangenomen door de Senaat op 29 maart 2007 (stuk Senaat, nr. 3-1507/6).

De bedoeling van dit voorstel van resolutie is een concreet en duidelijk signaal te geven ter ondersteuning van de democratische krachten in Tunisië. Iedere revolutie heeft echter ook een gunstige sociaaleconomische context nodig. Het is bijgevolg belangrijk dat in het Westen, en vooral ook in België, daadwerkelijk initiatieven worden genomen want met zijn huidige schuldenlast kan Tunisië nooit een sociaaleconomisch herstel verwezenlijken.

De schuldencrisis die halfweg de jaren 1980 in Tunesië (en in alle landen in het Zuiden) heeft gewoed, was een belangrijk argument voor de goedkeuring vanaf 1986 van de economische en maatschappelijke strategie, uitgewerkt door de experts van het IMF en de Wereldbank. Jammer genoeg heeft deze strategie niet kunnen voorkomen dat de buitenlandse overheidsschuld van Tunesië is gestegen van 3,2 miljard dollar in 1980 tot 14,4 miljard dollar in 2009. Alleen al voor de terugbetaling van deze schuld schreef Tunesië 1,4 miljard dollar in op de begroting van 2010. Dit voorstel van resolutie is dan ook een sterk signaal opdat deze uiterst belangrijke revolutie meteen concrete steun krijgt.

III. ALGEMENE BESPREKING

De heer Miller deelt de lovenswaardige doelstellingen van het voorliggende voorstel van resolutie, maar heeft vragen bij punt 1 van het dispositief, dat erg belangrijk is in het kader van het voorstel.

Het begrip illegitieme schuld is moeilijk definieerbaar en moet met omzichtigheid worden behandeld. Niet alle schulden die een dictatoriaal regime heeft gemaakt zijn per definitie illegitieme schulden of schulden die uitsluitend zijn gemaakt ten voordele van dat regime.

Bijvoorbeeld : de staatsleningen die in 2006 (6 miljoen euro), 2007 en 2008 (samen meer dan 9 miljoen euro) werden toegekend in het kader van een gemengde financiering voor het herstel van de sterk vervuilde baai van Sfax. Andere staatsleningen dateren uit de periode 1998-2000 (5,6 miljoen euro) en werden toegekend voor een saneringsproject voor het Tunismeer. In de jaren 1980 werden leningen toegekend voor transformatoren, elektrische uitrustingen en steun aan projecten van kmo's.

Deze voorbeelden tonen aan dat niet alle Tunesische schulden ten aanzien van België « schandelijke » schulden zijn.

Volgens de heer Miller moet er om te beginnen een debat worden gehouden over de definitie van een « schandelijke » schuld en over de mogelijke verdeling van de schulden van Tunesië ten aanzien van België om na te gaan wat al dan niet een « schandelijke schuld » is.

Er moet ook rekening worden gehouden met de juridische gevolgen van een moratorium of een kwijtschelding : exporteurs en bankiers willen juridische garanties over de terugbetaling van schulden. De onzekerheid hierover heeft ook economische en financiële gevolgen voor een land en dat kan nefast zijn voor de solvabiliteit en de wil van de geldschieters om het land nog middelen ter beschikking te stellen na de vervanging van het regime.

Financiële ondersteuning van de internationale gemeenschap in Tunesië moet plaatsvinden binnen het kader van internationale instellingen als het IMF, de Wereldbank, de Afrikaanse bank voor ontwikkeling en de bestaande Europese instrumenten.

Een gedeeltelijke kwijtschelding van de schuld kan deel uitmaken van deze financiële steun, maar dat moet volgens de geijkte procedures en binnen het kader van de Club van Parijs worden beslist, niet unilateraal.

De heer Miller pleit dus voor een internationale gecoördineerde aanpak. Tot een eventuele kwijtschelding moet worden besloten in het kader van de Club van Parijs, en dan zal België zijn verantwoordelijkheid nemen. Men moet de procedure niet omdraaien.

Volgens de heer De Bruyn wekt het voorstel van resolutie op het eerste gezicht sympathie, doch roept het bij nader inzien toch een aantal vragen op.

In de eerste plaats rijst de vraag welke schulden als « schandelijk » moeten worden gecatalogeerd. Dat vergt nader onderzoek waarbij op zijn minst de volgende punten opheldering behoeven : de aard van de aangegane leningen, de voorwaarden waaronder ze zijn toegekend en het tijdstip van intekening.

Ten tweede moet de door de resolutie aangekaarte problematiek in een ruimer perspectief worden geplaatst. Het is niet uitgesloten dat een aantal andere landen in de regio die zich eveneens in een democratisch overgangsproces bevinden, met dezelfde problematiek worden geconfronteerd. Dat rechtvaardigt een breder opzet dan de louter Tunesische context.

Spreker sluit zich bijgevolg aan bij de suggestie van de heer Miller om deze kwestie eerst verder uit te diepen, en eventueel het kabinet te verzoeken meer uitleg te geven, zoals onder meer over de budgettaire implicaties van het voorstel van resolutie. Op dit ogenblik beschikt de commissie, volgens de heer De Bruyn, over te weinig informatie om het voorstel van resolutie goed te keuren.

Mevrouw de Bethune stelt zich eveneens terughoudend op, inzonderheid met betrekking tot punt 1 van het dispositief. Het is niet uitgesloten dat een deel van de bilaterale schuld van Tunesië aan België van « schandelijke » aard is, maar die kwalificatie geldt bezwaarlijk voor het geheel van die schuld.

In dat verband is het interessant te verwijzen naar de corruptie-index van Transparency International uit 2009 waaruit blijkt dat Tunesië op de wereldranglijst gezakt is van de 52e naar de 62e plaats. Met andere woorden : het land is dus corrupter geworden. Ten opzichte van andere Noord-Afrikaanse landen is Tunesië echter, volgens dezelfde indicator, het minst corrupt. Dat neemt niet weg dat de Europese Unie en de individuele lidstaten vrij intens samenwerken met Noord-Afrikaanse landen, onder meer via leningen. In het kader van het Partnerschapsakkoord is de EU een belangrijke investeerder en financier geweest. Heel wat projecten die de bevolking ten goede kwamen, zijn tot stand gekomen dankzij en onder controle van de EU. Bij de onderhandelingen over die projecten heeft de EU steeds gepleit voor democratie, respect voor de mensenrechten en bestrijding van de corruptie. Veel van de toegekende leningen zijn de bevolking dus wel ten goede gekomen en vallen bijgevolg niet onder de definitie van « schandelijke » schuld.

Een tweede bedenking van mevrouw de Bethune betreft het feit dat Tunesië niet voldoet aan de voorwaarden om erkend te worden als een Heavily Indebted Poor Country (HIPC) en bijgevolg geen aanspraak kan maken op schuldkwijtschelding. De senatrice verklaart niet gekant te zijn tegen een schuldverlichting ten gunste van Tunesië, maar de situatie van dat land moet worden afgetoetst aan die van andere landen. Bovendien komen landen die wel als HIPC-land erkend zijn, slechts zelden in aanmerking voor een totale en onvoorwaardelijke kwijtschelding van hun schuld.

Mevrouw de Bethune kan niet met één pennentrek de volledige kwijtschelding van Tunisië als algemeen principe goedkeuren. Schuldkwijtschelding betreft immers de reële schuld en heeft dus budgettaire implicaties, onder meer op de begrotingspost « ontwikkelingssamenwerking ». Zo wordt de kwijtschelding van overheidsschuld door de OESO in aanmerking genomen voor het vereiste quotum inzake bijdrage voor ontwikkelingssamenwerking.

Gelet op het voorgaande besluit mevrouw de Bethune dat het voorstel van resolutie genuanceerd moet worden, vooral met betrekking tot punt 1 van het beschikkend gedeelte.

Voor de heer Anciaux is het positief dat dit voorstel van resolutie het debat aanzwengelt over de praktijk waarbij landen, zoals het onze, leningen toestaan aan regimes waarvan ze weten dat ze ondemocratisch zijn, zelfs zonder daar bepaalde voorwaarden aan te verbinden. Spreker vermoedt dat de leningen die aan Tunesië werden toegekend, voldoen aan de definitie van « schandelijke schuld » (zie de definitie in de toelichting, stuk Senaat, nr. 5-917/1, blz. 4). De EU en België hebben in het verleden in Tunesië ontegensprekelijk inspanningen gedaan, onder meer door de controle op de besteding van de geleende middelen. Maar België beschikte alleszins niet over die controlemogelijkheid ten aanzien van de leningen die door Tunesië waren aangegaan. Het is pas na de val van Ben Ali dat duidelijk is geworden hoe dictatoriaal, corrupt en misdadig zijn regime was. De persoonlijke verrijking door de machthebbers en hun families heeft te maken met uitbuiting en misbruiken. Spreker kan het oorzakelijk verband niet aantonen, maar het vermoeden bestaat dat een groot deel van de buitenlandse schuld te wijten is aan die verrijking.

De heer Anciaux pleit derhalve voor een coherente aanpak. Het voorliggende voorstel van resolutie komt volgens hem tegemoet aan de algemene definitie van « schandelijke schuld » die de Senaat op 29 maart 2007 heeft goedgekeurd. Er kunnen veel argumenten worden aangedragen ten voordele van een schuldkwijtschelding aan het Zuiden. Dat aan een dergelijk operatie bepaalde voorwaarden worden gekoppeld, lijkt verdedigbaar. Maar wanneer het om een « schandelijke schuld » gaat, dan gebiedt de logica dat de Belgische overheid erkent dat zij een fout heeft begaan op het ogenblik dat zij die lening heeft toegestaan, namelijk door er geen voorwaarden aan te verbinden op het vlak van de eerbiediging van de mensenrechten. Bijgevolg schaart spreker zich ten volle achter de doelstelling van dit voorstel van resolutie.

Mevrouw Zrihen herinnert eraan dat het voorstel van resolutie werd ingediend vlak na de « Jasmijnrevolutie » en gebaseerd is op de door de Senaat op 29 maart 2007 aangenomen resolutie betreffende de kwijtschelding van de schulden van de minst ontwikkelde landen (MOL) (stuk Senaat, nr. 3-1507/6). Die resolutie van 2007 verwijst in considerans A naar : « het regeerakkoord van juli 2003 dat vermeldt dat « specifieke steun zal worden verleend aan schuldverlichting van de minst ontwikkelde landen door een versoepeling en uitbreiding van het HIPC-mechanisme (Highly Indebted Poor Countries); de regering zal prioriteit verlenen aan de bilaterale schuldkwijtschelding en zal haar diplomatieke actie intensifiëren met het oog op de annulering van schulden bij multilaterale instellingen. ».

Die resolutie werd toegepast voor de Democratische Republiek Congo (DRC) in november 2010 toen de Club van Parijs, die bestaat uit 19 landen waaronder België en Brazilië, aankondigde dat de schulden van de DRC die op 13 miljard dollar worden geraamd, voor 7 miljard zouden worden kwijtgescholden. Hoewel de DRC zich dankzij die operatie kan toeleggen op prioriteiten zoals voeding, onderwijs en gezondheid, was het vooral de bedoeling de Congolese Staat de financiële middelen te geven om de dagelijkse problemen van het Congolese volk te lenigen in plaats van de schuldeisers terug te betalen.

Het begrip « schandelijke schuld » als bepaald in de toelichting, is voor Tunesië des te meer gerechtvaardigd in het licht van het vonnis van 20 juni 2011 van de rechtbank van eerste aanleg van Tunis waarbij Ben Ali en zijn echtgenote worden veroordeeld voor het verduisteren van overheidsgeld en illegaal bezit van buitenlandse deviezen (zie amendement nr. 1, stuk Senaat, nr. 5-917/2). Mevrouw Zrihen benadrukt dat de manier waarop de familie Ben Ali zich in het economisch leven van Tunesië heeft ingenesteld, vragen doet rijzen.

De definitie van het begrip schandelijke schuld waarnaar de resolutie verwijst, is gebaseerd op het ongelukkige voorbeeld van de DRC. Spreekster herinnert eraan dat wij dat land vandaag nog altijd verplichten intresten te betalen voor de bouw van een dam voor een waterkrachtcentrale die nog altijd geen enkele kilowatt elektriciteit heeft geproduceerd !

Spreekster is verheugd over de investeringen in Tunesië voor saneringen of kmo's. Er moet echter worden erkend dat een deel van de overheidsgelden die ontwikkelingssamenwerking investeerde, op een twijfelachtigere manier werden aangewend. Er moet een evaluatie worden gemaakt van de manier waarop die fondsen werden toegekend.

In de plaats van te spreken over een « schuldkwijtschelding », zou het misschien correcter zijn om over « schuldverlichting » te spreken.

Spreekster verwijst ook naar de door de Senaat op 29 maart 2007 aangenomen resolutie (stuk Senaat, nr. 3-1507/6) waarin de regering wordt gevraagd om, voor de MOL en de arme landen met een hoge schuldenlast die geen deel uitmaken van de MOL, binnen twaalf maanden een raamovereenkomst te sluiten waarin de nadere voorwaarden met betrekking tot de volledige kwijtschelding van hun schulden worden vastgesteld en waarin wordt bepaald welke, aan de Millenniumdoelstellingen gekoppelde, menselijke ontwikkelingssectoren prioritair moeten worden gefinancierd door de via die kwijtschelding vrijgemaakte middelen.

De Senaat vroeg ook :

— openbaar te maken op welke manier de schulden in de staatsrekeningen worden bijgehouden en wat hun werkelijke waarde is; onverwijld een moratorium in te stellen dat een bevriezing behelst van de intrest op de terugbetalingen van de bilaterale uitstaande schulden (Staatsschulden en Delcredereschulden), alsook andere maatregelen te treffen die nodig zijn opdat de kwijtscheldingsbeslissingen voortvloeiend uit de met de MOL en met de arme landen met een hoge schuldenlast die geen deel uitmaken van de MOL aangevatte procedures en onderhandelingen onmiddellijk effect kunnen sorteren, waarbij men zich ertoe verbindt die schuldkwijtschelding met terugwerking te laten ingaan op de datum waarop het moratorium in werking treedt;

— in de raamovereenkomst een tijdpad op te nemen dat, afhankelijk van de vrijgemaakte bedragen, tot maximum 2015 loopt en dat de vereiste financieringsplannen in de als prioritair aangemerkte sectoren vastlegt;

— een werkgroep op te richten die overheidsdeskundigen van beide partijen bij de overeenkomst samenbrengt, teneinde te evalueren of de in de overeenkomst opgenomen doelstellingen wel degelijk worden verwezenlijkt waarbij de nadruk wordt gelegd op beginselen van behoorlijk bestuur bij de begunstigden van de kwijtschelding en op de verantwoordelijkheid van beide partijen, de geldschieters en het begunstigde land.

Het is de bedoeling een signaal te geven om te voorkomen dat een land wordt gewurgd door het terugbetalen van intrest op de schulden, terwijl het zijn hele sociaaleconomische capaciteit nodig heeft om zich te herstellen.

Spreekster meent dat Tunesië, een Staat die moet worden heropgebouwd, een concreet signaal zou krijgen wanneer het vooliggende voorstel van resolutie wordt aangenomen.

Mevrouw de Bethune is het eens met de intenties van de indieners van het voorstel van resolutie. Het is belangrijk dat een Staat die een volksopstand meemaakte in het voorjaar, vrij naar de toekomst kan kijken zonder de lasten uit het verleden te moeten meedragen. Als het de bedoeling is snel een resolutie aan te nemen, zonder vooraf een grondige analyse te maken van de bilaterale schuld van Tunesië ten opzichte van België, zou het te verkiezen zijn een onmiddellijk moratorium te vragen voor de rente van de schuld in punt 1 van het dispositief van het voorstel van resolutie. Een onvoorwaardelijke schuldkwijtschelding is echter niet redelijk.

Het begrip « schandelijke » schuld als bedoeld in de resolutie is niet onbelangrijk op juridisch vlak. Men zou minstens het probleem moeten bekijken in de context van alle Arabische landen waar een opstand heeft plaatsgevonden. Het is niet mogelijk een tekst goed te keuren waarin verzocht wordt de bilaterale schuld van Tunesië kwijt te schelden zonder de gevolgen van een dergelijke maatregel in zijn geheel in te schatten.

Spreekster herhaalt dat Tunesië geen HIPC-land is. Er worden heel strikte voorwaarden opgelegd voor de armste landen die om een schuldkwijtschelding vragen. Het zou bijgevolg niet billijk zijn ten opzichte van de armste landen om een onvoorwaardelijke schuldkwijtschelding voor Tunesië goed te keuren.

De heer Miller meent dat de verschillende tussenkomsten aantonen dat het onderwerp belangrijk en complex is. Een aantal sprekers verwees naar wat er voor de DRC werd gedaan. Spreker herinnert eraan dat de beslissing inzake de DRC niet op Belgische niveau werd genomen, maar uitgaat van de Club van Parijs. Het voorliggende voorstel van resolutie volgt niet dezelfde logica.

Mevrouw de Bethune stelt dat er moet gezorgd worden voor zuurstof voor het land zodat het verder vooruit kan, maar dit betekent niet dat het hele systeem van de schuldkwijtschelding op de helling moet worden gezet.

De heer De Bruyn stemt in met het voorstel van mevrouw de Bethune om de draagwijdte van het dispositief te beperken tot een moratorium op de terugbetaling van de schuld. In een later stadium kan een beslissing over schuldkwijtschelding worden genomen.

Mevrouw Arena merkt op dat er in oktober 2011 verkiezingen zijn in Tunesië en elk gebaar van Europa kan nuttig zijn voor het installeren van een democratie.

Mevrouw Zrihen heeft er geen enkel probleem mee dat punt 1 van het voorstel van resolutie de regering vraagt te beslissen over een moratorium met bevriezing van intresten op de terugbetaling van de bilaterale schuld van Tunesië ten aanzien van België. Intresten bevriezen en de schuld niet laten oplopen is een eenvoudig signaal dat geen verdere engagementen inhoudt. Nadien kunnen in andere teksten uiteraard voorwaarden worden opgenomen en kan de gehele tekst worden herbekeken.

Daarom is in amendement nr. 3 sprake van een moratorium met bevriezing van de intresten op de terugbetaling van de bilaterale schuld van Tunesië ten aanzien van België en verwijst amendement nr. 7 naar de Club van Parijs.

De heer Morael stelt vast dat het voorstel van resolutie een heel andere wending krijgt dan oorspronkelijk voorgesteld, aangezien zelfs wordt voorgesteld het opschrift fundamenteel te wijzigen (zie amendement nr. 5). Er wordt niet meer gesproken over de kwijtschelding van de schuld, maar over een moratorium, wat heel iets anders is.

Naar aanleiding van een vraag van volksvertegenwoordig Juliette Boulet van 27 mei 2011 waarschuwde de minister van Financiën voor misbruik van termen als « schandelijke schuld » (stuk Kamer, QRVA, nr. 53 033, blz.16-18). Er zijn schulden die samenhangen met ontwikkelingsinvesteringen. Een gewone kwijtschelding zonder meer zou trouwens een vrijgeleide zijn voor daden van de voorbije jaren en is dus zeker niet de beste formule op economisch en politiek vlak.

Spreker pleit dan ook voor een moratorium maar met een audit over de schuld, zodat kan worden verduidelijkt waar het regime in de fout is gegaan en waar het gewoon het ontwikkelingsbeleid van een mediterraan land betreft.

Voor de heer Daems is het debat over schuldkwijtschelding van principiële aard. Schuldkwijtschelding lost de problemen van het land niet op, maar vormt een onderdeel van een reconversieprogramma dat kans op slagen moet hebben. In het verleden werden veel schuldkwijtscheldingsoperaties doorgevoerd waarvan het voordeel niet werd aangetoond.

We moeten het steriele schema van de land-tot-land financiering verlaten om over te stappen naar projectfinanciering. In de logica van de land-tot-land financiering ligt de eindverantwoordelijkheid bij de begunstigde terwijl bij projectfinanciering een aantal checks and balances kunnen ingebouwd worden waardoor men vrij grote zekerheid heeft dat de middelen voor het bedoelde project worden aangewend. In deze context betreurt spreker dat de Belgische Investeringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden (BIO) niet meer wordt uitgebouwd.

De heer De Bruyn herhaalt de doelstelling van het voorstel van resolutie te steunen, maar onderstreept dat schuldkwijtschelding op zich een aantal vragen oproept waarop tot hiertoe geen antwoord is gegeven. We kennen de impact niet van de schuldkwijtschelding op andere landen waar gelijkaardige bewegingen actief zijn en die dezelfde vraag als Tunesië stellen.

De heer De Decker verklaart dat dit voorstel van resolutie interessant is omdat het grote princiepskwesties aankaart. De ingediende amendementen geven nauwkeuriger weer wat de oorspronkelijke tekst op soms abrupte wijze ter sprake bracht.

Mevrouw Zrihen herinnert eraan dat dit voorstel van resolutie heel snel werd ingediend, vlak na de politieke omwentelingen in Tunesië. Een aantal heel sterke beelden, die de betrokkenheid van de familie van president Ben Ali in de economische zaken van het land aantoonden en veroordeelden, hebben ons misschien doen spreken van een schandelijke schuld in Tunesië.

De ingediende amendementen, in het bijzonder amendement nr. 3, behandelen deze problemen wellicht op een wat genuanceerdere wijze. Er wordt voorgesteld nu te beslissen over een moratorium met bevriezing van de intresten op de terugbetaling van de bilaterale schuld van Tunesië ten aanzien van België en door middel van een doorlichting meer in detail na te gaan welke aspecten vallen onder de definitie schandelijke schuld.

Uit het nieuws dat vandaag uit Tunesië komt, blijkt dat men toch ongerust is over de vraag of, ondanks de drang van de bevolking naar democratische veranderingen, de sociaaleconomische voorwaarden kunnen worden vervuld om de democratie verder te ontwikkelen.

Men weet wel dat men middelen moet vrijmaken om dit te realiseren. Toen de EIB onlangs besliste om meer te investeren in de economische en sociale ontwikkeling van Tunesië, gaf zij een sterk signaal dat heel belangrijk is voor de bevolking en dat aantoont dat er een wil is om de democratische ontwikkeling te steunen. Het doel van de resolutie is om een tweede signaal te geven, in de wetenschap dat de informatie waarover men beschikt doet vermoeden dat er grote problemen op komst zijn. De totale schuldenlast van Tunesië bedraagt nu meer dan 65 miljard dinar, of meer dan 130 % van het BBP. De staatsschuld bedraagt 40,5 % van de totale schuldenlast van het land. Iedereen kent de vicieuze cirkel van de schuld. Op politiek vlak lijkt het de goede kant op te gaan, maar er moeten ook de nodige economische voorwaarden worden gecreëerd om die ontwikkeling te steunen. Nu een positief signaal geven kan een aanzienlijke impact hebben op de verkiezingen in oktober.

Wij geven daarmee geen vrijbrief aan de huidige overheid. Wij zullen aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking, aan de minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister van Financiën vragen de evolutie van de interventies ter zake te bestuderen. Indien de Club van Parijs beslist dit in haar bepalingen op te nemen, kan men daar alleen maar blij om zijn.

Wat de mensenrechten betreft, verwijst spreekster naar punt 2 van het dispositief en naar amendement nr. 4, waar een vermelding inzake good governance en mensenrechten werd toegevoegd. Ook hier is het de bedoeling op het juiste ogenblik een signaal te geven.

Een doorlichting zal een gedetailleerder beeld geven van de toestand. Er hebben al twee processen tegen de machthebbers plaatsgevonden. In het eerste werden zij veroordeeld tot een boete van 50 miljoen dinar voor het verduisteren van overheidsgeld en onrechtmatig bezit van buitenlandse deviezen; het tweede proces heeft hen veroordeeld voor onrechtmatig bezit van andere zaken.

Voor het overige is niet zozeer van belang dat de schuld als schandelijk wordt bestempeld, maar wel dat er vandaag een economisch signaal wordt gegeven door het opschorten van de intresten op de schuld en door het instellen van een onderzoek naar de aard ervan.

Er is nu een schitterende gelegenheid ontstaan om te werken aan de euro-mediterrane betrekkingen, en voor Europa en België om hun plaats weer in te nemen in deze dialoog. Door nu een dergelijk signaal te geven kunnen de nodige diplomatieke, economische en controlemaatregelen worden genomen. Daarmee tot na de verkiezingen wachten, zou een slag in het water zijn. Dit zou jammer zijn voor de bevolking, die verwachtingen koestert, die wil dat het toerisme weer op gang komt en die signalen wil ontvangen om haar democratische verzuchtingen te kunnen waarmaken.

IV. BESPREKING VAN DE AMENDEMENTEN

Opschrift

Mevrouw Zrihen en de heer Anciaux dienen het amendement nr. 5 dat ertoe strekt het opschrift als volgt te wijzigen : « Voorstel van resolutie tot ondersteuning van de economische ontwikkeling en de versterking van de sociale cohesie in Tunesië ».

Het amendement nr. 5 wordt eenparig aangenomen door de 13 aanwezige leden.

Considerans

Punt Dbis (nieuw)

Mevrouw Zrihen en de heer Anciaux dienen het amendement nr. 1 om een nieuw punt Dbis in de considerans in te voegen, dat verwijst naar het vonnis van 20 juni 2011 van de rechtbank van eerste aanleg van Tunis tegen Zine El-Abidine Ben Ali en zijn echtgenote, dat hen veroordeelt tot een gevangenisstraf van 35 jaar elk en een boete van 50 miljoen dinar (25 miljoen euro) wegens het verduisteren van overheidsgeld en het illegale bezit van buitenlandse deviezen.

Mevrouw Zrihen legt uit dat de bevestiging dat de vroegere Tunesische president zich schuldig heeft gemaakt aan het verduisteren van middelen, de vragen van dit voorstel van resolutie nog meer kracht bijzet. Het schandelijke aspect van de schuld die Tunesië onder het regime Ben Ali is aangegaan, wordt zo nog duidelijker.

Het amendement nr. 1 wordt eenparig aangenomen door de 13 aanwezige leden.

Punt I

De heer De Decker stelt vast dat punt I van de considerans een definitie bevat van wat de indieners verstaan onder een schandelijke schuld. Spreker kent weinig democratische ontwikkelingslanden. Als een schuld schandelijk is omdat zij is toegekend aan een land dat geen democratie is, is dat dus een groot probleem.

Een tweede punt is het feit dat het geleende geld niet ten goede is gekomen aan de lokale bevolking. Volgens spreker worden heel wat leningen toegekend voor bijvoorbeeld infrastructuurprojecten (dammen, ...) Dat is bijvoorbeeld vaak zo bij leningen van Staat tot Staat in het kader van ontwikkelingssamenwerking. Spreker vindt leningen als bijvoorbeeld die van Duitsland aan Griekenland om Duitse onderzeeërs te kopen op het ogenblik dat Griekenland financiële moeilijkheden heeft, veel schandelijker.

In het kader van deze resolutie zal een evenwichtige en goede definitie moeten worden gevonden van wat een schandelijke schuld is. Sommige amendementen hebben betrekking op de naleving van de mensenrechten. Dat is een veel objectiever criterium dan de « democratische aard » dat zelfs al binnen de 27 lidstaten van de Unie tot kritiek leidt.

De heer De Decker dient daarom amendement nr. 9 in dat ertoe strekt de woorden « die de mensenrechten niet heeft gerespecteerd » in te voegen tussen de woorden « regering » en « en aangezien » in punt I van de considerans.

De heer Anciaux herinnert eraan dat de definitie van « schandelijke schuld » is overgenomen uit punt 10 van het dispositief van de resolutie betreffende de kwijtschelding van de schulden van de minst ontwikkelde landen, aangenomen door de Senaat op 29 maart 2007 (stuk Senaat, 3-1507/6).

Volgens de heer Daems verwijst de definitie van « schandelijke schuld » die opgenomen is in punt I van de considerans naar verschillende elementen : de schuld is aangegaan door een niet-democratische regering, het geleende bedrag is niet ten goede gekomen aan de plaatselijke bevolking en de schuldeiser was, bij het toekennen van de lening, op de hoogte van deze beide aspecten. Dit impliceert dat de Belgische Staat op de hoogte was van het niet democratisch gehalte van de regering, maar ook van het niet correct gebruiken van de middelen. Wordt hier effectief bedoeld dat de Belgische regering ten tijde van het toekennen van minstens sommige leningen op de hoogte was van malversaties ? Als dit zo is, is dit zeer zwaarwichtig en moet in het voorstel van resolutie minstens opgenomen worden over welke leningen het gaat.

In feite gaat dit voorstel van resolutie eigenlijk over het economisch concept van schuldkwijtschelding om een land er economisch terug bovenop te helpen, maar wordt er, volgens spreker, te veel de nadruk gelegd op het aspect van de « schandelijke schuld ». De landen die deelachtig zijn aan de « Arabische lente » zijn onze buren en verdienen onze prioritaire steun. In het punt I van de considerans wordt echter uitgegaan van de veronderstelling dat de Belgische regering een lening heeft toegestaan waarvan zij wist dat de middelen niet correct zouden aangewend worden. Dit zijn zeer zware beschuldigingen.

De heer Anciaux antwoordt dat dit niet gesuggereerd wordt. Indien de Belgische regering niet op de hoogte was van het misbruik door de Tunesische overheid, dan kan zij hiervoor niet verantwoordelijk gesteld worden.

Mevrouw Zrihen legt uit dat via een audit kan worden nagegaan of deze Tunesische schuld van een niet-democratisch regime schandelijk is of niet. Momenteel kan men er niet vanuit gaan dat onze regering met kennis van zaken oordeelt over de « niet-democratische aard » en de « niet-eerbiediging van de mensenrechten ».

Mevrouw Zrihen stelt voor het tweede deel van de definitie in punt I te schrappen en (rekening houdend met amendement nr. 9 van de heer De Decker) te schrijven « gelet op de « schandelijke » aard van de Tunesische schuld, aangezien deze schuld is aangegaan door een niet-democratische regering, die de mensenrechten niet eerbiedigt ».

De heer Daems waarschuwt dat door deze toevoeging het gevaar dreigt dat elke toegekende lening onder deze definitie zou kunnen worden ondergebracht.

De heer Daems dient vervolgens het amendement nr. 8 in dat erop gericht is in punt I de woorden « en de schuldeiser bij de toekenning van de lening op de hoogte was van beide vermelde aspecten » te doen vervallen.

De heer Anciaux stelt voor om deze woorden niet te schrappen, maar wel zou vervangen als volgt : « en indien de schuldeiser bij de lening geen voorwaarde heeft gesteld voor de besteding van deze bedragen ».

Volgens de heer Daems is deze wijziging in feite een beperking terwijl het er vooral over gaat dat wanneer een lening verkeerd is gebruikt, zij onder « schandelijke schuld » valt en zal worden kwijtgescholden.

Het amendement nr. 9 wordt eenparig aangenomen door de 13 aanwezige leden. Het amendement nr. 8 wordt aangenomen met 12 stemmen bij 1 onthouding.

De heer De Decker legt uit dat hij zich onthouden heeft omdat volgens hem het feit dat het begunstigde land de bestemming niet respecteert, wat geregeld het geval is, niet voldoende is om de schuld kwijt te schelden. Ons land moet niet gestraft worden voor de kwaadwilligheid van de regering die de steun krijgt.

De heer Anciaux antwoordt dat de schuldkwijtschelding slechts zal doorgaan indien er uitzicht is op democratisering, want anders zouden alleen niet-democratische regimes worden bevoordeeld.

Punt Kbis (nieuw)

Mevrouw Zrihen en de heer Anciaux dienen het amendement nr. 6 om een nieuw punt Kbis in de considerans in te voegen dat verwijst naar de Gezamenlijke Mededeling aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's (COM (2011) 303) met als titel : « Inspelen op de veranderingen in onze buurlanden ».

Mevrouw Zrihen legt uit dat de mededeling met name spreekt over de inspanningen van de Europese Unie in haar nieuw nabuurschapsbeleid, de investeringen die zij op verschillende domeinen wenst te doen in samenwerking met de EIB en de EBRD om de economische ontwikkeling te ondersteunen.

Het amendement nr. 6 wordt eenparig aangenomen door de 13 aanwezige leden.

Punt L (nieuw)

Mevrouw Zrihen en de heer Anciaux dienen het amendement nr. 2 dat ertoe strekt een nieuw punt l in de considerans in te voegen met betrekking tot de financiering van 163 miljoen euro door de Europese Investeringsbank (EIB) ten gunste van Tunesië, voor de economische ontwikkeling, werkgelegenheid en modernisering van het wegennet, en de toezegging van 140 miljoen euro die de EIB op 12 juli 2011 heeft gedaan voor de economische en sociale ontwikkeling in Tunesië.

Mevrouw Zrihen legt uit dat de financiële investering die de EIB ten gunste van Tunesië wenst te doen, een blijk van vertrouwen is in de democratisering van het land en een bijdrage aan de economische en sociale ontwikkeling en aan de verbetering van de levensomstandigheden van de Tunesiërs. De doelstelling van dit voorstel is niet anders en past dus in het kader van de internationale initiatieven om het Tunesische volk nieuwe vooruitzichten te bieden, zowel inzake de economische ontwikkeling en sociale cohesie als inzake opleiding, werk, veiligheid en moderne infrastructuur.

Het amendement nr. 2 wordt eenparig aangenomen door de 13 aanwezige leden.

Dispositief

Punt 1

Mevrouw Zrihen en de heer Anciaux dienen het amendement nr. 3 dat ertoe strekt het punt 1 als volgt te wijzigen : « nu te beslissen over een moratorium met bevriezing van de intresten op de terugbetaling van de bilaterale schuld van Tunesië ten aanzien van België en meer in detail na te gaan welke aspecten vallen onder de definitie « schandelijke schuld ». »

De heer De Bruyn onderstreept dat een « moratorium met bevriezing van de interesten op de terugbetalingen » een tautologie is want moratorium en bevriezing betekenen net hetzelfde.

Volgens de heer Anciaux betekent « moratorium » dat de interesten niet kunnen stijgen maar tegelijkertijd moeten de intresten niet worden terugbetaald.

Mevrouw Matz is het eens met de heer De Bruyn. Om beide begrippen te verduidelijken dient zij het amendement nr. 10 in om het punt 1 als volgt te doen luiden : « nu te beslissen over een moratorium op de terugbetaling van de bestaande bilaterale schuld van Tunesië ten aanzien van België, met inbegrip van de intresten van die schuld, en meer in detail na te gaan welke aspecten vallen onder de definitie « schandelijke schuld ».

Hierdoor wordt ook duidelijk gemaakt dat het moratorium zowel op de schuld als op de intresten van die schuld slaat.

De heer Morael dient het amendement nr. 11 is dat een subamendement is op het amendement nr. 10 is en dat ertoe strekt de woorden « en meer in detail na te gaan » te vervangen door de woorden « evenals over een audit die toelaat meer in detail na te gaan ».

Het amendement nr. 11 en het aldus gesubamendeerde amendement nr. 10 worden eenparig aangenomen door de 13 aanwezige leden.

Het amendement nr. 3 wordt ingetrokken door de auteurs.

Punt 1bis (nieuw)

De heer Anciaux dient het amendement nr. 12 in dat ertoe strekt een nieuw punt 1bis in te voegen luidende : « zo spoedig mogelijk de bilaterale schuld van Tunesië ten aanzien van België kwijt te schelden, indien de audit aanwijst dat deze schuld geheel of gedeeltelijk onder « schandelijke schuld » valt en indien duidelijke democratische perspectieven en praktijken van good governance in Tunesië ontstaan ».

De heer Daems stelt voor de woorden « good governance » te gebruiken in de Nederlandse en de Franse versie van het dispositief van dit voorstel van resolutie omdat het hier gaat om een speciaal concept dat verschilt van het Franse « bonne gouvernance » en het Nederlandse « goed bestuur ».

De commissie stemt hiermee in.

Het amendement nr. 12 wordt eenparig aangenomen door de 13 aanwezige leden.

Punt 2

Mevrouw Zrihen en de heer Anciaux dienen het amendement nr. 4 dat ertoe strekt de woorden « en een clausule inzake good governance » in te voegen tussen de woorden « om een mensenrechtenclausule » en de woorden « te gebruiken in het kader van de toekenning ».

De heer Daems benadrukt dat ook hier de woorden « good governance » moeten gebruikt worden in de Franse en Nederlandse tekst.

De commissie stemt hiermee in.

Het amendement nr. 4 wordt eenparig aangenomen door de 13 aanwezige leden.

Punt 4

De heer De Bruyn c.s. dienen het technisch amendement nr. 7 in om de rol van de Club van Parijs over schuldherschikking en schuldkwijtschelding te benadrukken.

Mevrouw de Bethune vraagt zich af in welke mate de Club van Parijs bevoegd is voor Tunesië omdat dit land niet op de lijst staat van de HIPC-landen.

De heer De Bruyn hecht veel belang aan de internationale benadering van het probleem, doch erkent dat Tunesië niet valt onder het strikte werkingsdomein van de Club van Parijs. Het is wel niet uitgesloten dat het werkingsdomein uitgebreid wordt tot andere dan HIPC-landen. Ten einde iedere mogelijke verwarring te vermijden, trekt de heer De Bruyn het amendement nr. 7 terug in.

Volgens de heer Morael blijft amendement nr. 7 wel van belang. Hij verwijst opnieuw naar de vraag van mevrouw Boulet aan de minister van Financiën over een moratorium op de Tunesische schuld. De minister antwoordde onder meer dat gedeeltelijke kwijtschelding van de schuld deel kan uitmaken van deze financiële steun, maar dat dat volgens de geijkte procedures en binnen het kader van de Club van Parijs moet worden beslist (stuk Kamer, QRVA, nr. 53 033, blz. 16-18).

V. EINDSTEMMING

Het geamendeerde voorstel van resolutie in zijn geheel wordt eenparig aangenomen door de 13 aanwezige leden.

Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteurs voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteurs, De voorzitter,
Bert ANCIAUX. Piet DE BRUYN. Karl VANLOUWE.

Tekst aangenomen door de commissie (zie stuk Senaat nr. 5-917/4 - 2010/2011).