5-1580/1

5-1580/1

Belgische Senaat

ZITTING 2011-2012

19 APRIL 2012


Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 41 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, met het oog op het waarborgen van de identificatie van de politieambtenaren en de betere bescherming van hun persoonlijke levenssfeer

(Ingediend door de heer Gérard Deprez c.s.)


TOELICHTING


Artikel 41 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt bepaalt het volgende : « Behalve wanneer de omstandigheden het niet toelaten, doen de politieambtenaren die in burgerkledij tegenover een persoon optreden, of tenminste één van hen, van hun hoedanigheid blijken door middel van het legitimatiebewijs waarvan zij houder zijn. Hetzelfde geldt wanneer politieambtenaren in uniform zich aanmelden aan de woning van een persoon. »

Dit artikel is bedoeld om te garanderen dat politieambtenaren geïdentificeerd kunnen worden door de mensen bij wie zij optreden.

Het wordt vervolledigd door artikel 3 van het koninklijk besluit van 4 september 2002 houdende de regeling tot het dragen van de graden door de personeelsleden van het operationeel kader van de lokale en de federale politie, waarin staat : « Behalve wanneer de omstandigheden het niet toelaten, dragen de personeelsleden van het operationeel kader van de lokale en de federale politie die in burgerkledij tegenover een persoon optreden, of ten minste één van hen, wanneer hun hoedanigheid enkel hierdoor duidelijk kan worden gemaakt, de interventiearmband waarvan het model wordt vastgesteld in bijlage 3 ».

In de praktijk van het politiewerk, blijkt dat de agenten in burger het vaakst voor de interventiearmband kiezen om hun bevoegdheid duidelijk te maken. Deze armbanden vermelden momenteel echter geen informatie die het mogelijk maakt de politieagenten te identificeren, wat problemen zou kunnen meebrengen in verband met straffeloosheid wanneer er sprake is van politiegeweld.

Het Europees Hof voor de rechten van de mens heeft onlangs een uitspraak gedaan over een Bulgaarse burger die in zijn land het slachtoffer was geworden van « slagen en verwondingen » vanwege gemaskerde politieagenten.

In zijn arrest Hristovi van 11 oktober 2011 heeft het Hof Bulgarije veroordeeld wegens schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en heeft het geoordeeld dat de agenten een speciaal kenteken hadden moeten dragen dat weliswaar hun identiteit niet vermeldt maar toch tot latere identificatie kan leiden, bijvoorbeeld door een nummer.

Wat politieagenten in uniform betreft, stelt het ministerieel besluit van 15 juni 2006 inzake de basisuitrusting en de algemene functieuitrusting van de leden van het operationeel kader van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, in artikel 2, dat er op het uniform een naamplaatje dient te worden gedragen.

Dit besluit wordt aangevuld met de Omzendbrief GPI 65, die in bijlage C, in punt 3.22, bepaalt : « Het naamplaatje maakt integraal deel uit van de visuele identiteit van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, de dracht ervan is verplicht op de uitrustingsstukken op dewelke het voorzien is. Het wordt gedragen op de klep van de rechterborstzak.Nochtans kan in uitzonderlijke omstandigheden waar het wenselijk is dat de politieambtenaren en de agenten van politie anoniem blijven, de korpschef, de commissaris-generaal, de directeur-generaal of hun afgevaardigde beslissen van deze verplichting af te wijken. Eveneens moeten zekere speciale eenheden, door de aard van hun functie, anoniem kunnen werken ».

In theorie dragen de politieambtenaren hun familienaam dus op het jasje van hun uniform. Dit heeft tot gevolg dat misdadigers en bandieten de identiteit kennen van de mensen door wie zij geïnterpelleerd en aangehouden worden.

Veel politiemensen, overwegend vrouwen, klagen over deze situatie en vrezen voor mogelijke wraakoefeningen. Maar het meest verontrustende is wel dat velen door die angst besluiten om de voorschriften niet na te leven en hun naamplaatje wegmoffelen met communicatiemateriaal of het gewoon niet opspelden.

Daardoor heeft de persoon bij wie de politie een interventie uitvoert helemaal geen mogelijkheid meer om de politieagent te identificeren, tenzij door hem of haar een legitimatiekaart te vragen. In artikel 41 staat nochtans dat een politieambtenaar zijn legitimatiebewijs alleen hoeft te tonen wanneer hij zich aanmeldt aan de woning van een persoon.

In een rechtsstaat is het essentieel dat de burgers de mogelijkheid hebben om de politieambtenaren die hen interpelleren te identificeren, zodat men zich in geval van politiegeweld kan verweren tegen straffeloosheid. Het lijkt echter net zo belangrijk om de anonimiteit van de politieagenten te kunnen bewaren, zolang er geen klacht tegen hen is ingediend.

Dit wetsvoorstel wil daartoe de nodige wijzigingen aanbrengen in artikel 41 van de wet van 5 augustus 1992 en de naam op het naamplaatje vervangen door een nummer.

Gérard DEPREZ.
Alain COURTOIS.
Christine DEFRAIGNE.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

Art. 2

Artikel 41 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt wordt vervangen als volgt :

« De politieambtenaren in uniform dienen hun persoonlijke stamnummer te dragen, dat zichtbaar en leesbaar moet zijn vastgehecht aan een bepaald onderdeel van hun uniform.

Behalve wanneer de omstandigheden het niet toelaten, dragen de politieambtenaren die in burgerkledij tegenover een persoon optreden, of tenminste één van hen, een armband die op zichtbare en leesbare wijze het stamnummer vermeldt.

Behalve wanneer de omstandigheden het niet toelaten, doen de politieambtenaren, wanneer de persoon tegenover wie zij optreden hierom verzoekt, hun hoedanigheid blijken door middel van het legitimatiebewijs waarvan zij houder zijn.

Hetzelfde geldt wanneer politieambtenaren in uniform zich aanmelden aan de woning van een persoon. »

15 februari 2012.

Gérard DEPREZ.
Alain COURTOIS.
Christine DEFRAIGNE.