Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 6-763

van Martine Taelman (Open Vld) d.d. 12 november 2015

aan de minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO's, Landbouw en Maatschappelijke Integratie

Illegale geneesmiddelen - Productie - Hormonencel - Volksgezondheid - Handhaving

geneesmiddel
hormoon
zwarte handel
gerechtelijke vervolging
doping
namaak
inspectie van geneesmiddelen

Chronologie

12/11/2015 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 17/12/2015 )
4/1/2017 Antwoord

Vraag nr. 6-763 d.d. 12 november 2015 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Ik verwijs naar het antwoord op mijn schriftelijke vraag nr. 6-751, waarin u als bevoegde minister om te antwoorden wordt aangewezen. Ik verwijs naar het jaarverslag 2014 van de Multidisciplinaire Hormonencel. Een van de problemen die de Cel aanhaalt is dat er inzake illegale geneesmiddelen een hiaat in wetgeving is die leidt tot nefaste gevolgen op het vlak van volksgezondheid.

De productie van illegale geneesmiddelen is enorm lucratief. De primaire grondstof kost zeer weinig in verhouding met het afgewerkt product.

De productie van geneesmiddelen die enkel onder de geneesmiddelenwet van 25 maart 1964 vallen, worden minder streng gestraft dan de geneesmiddelen die vallen onder het koninklijk besluit van 12 april 1974 betreffende sommige verrichtingen in verband met stoffen met hormonale, antihormonale, anabole, beta-adrenergische, anti-infectieuze, antiparasitaire en anti-inflammatoire werking.

De strijd tegen hormonen en anabolica in de veeteelt en het aanwenden van anabolica als humane doping en in de sport is een transversale gemeenschapsaangelegenheid. Wat betreft volksgezondheid zijn de Gemeenschappen bevoegd voor preventie. De handhaving van de handel in illegale producten is dan weer veeleer een federale aangelegenheid. Het jaarverslag is belangrijk voor alle actoren om te bepalen waar er meer intens moet worden ingezet tegen deze bijzonder schadelijke producten.

Graag had ik hieromtrent dan ook volgende vragen voorgelegd:

1) Kan de minister aangeven of hij de bezorgdheid van de hormonencel deelt en is hij bereid om de strafmaat van de illegale productie van geneesmiddelen die onder de onder de geneesmiddelenwet van 25 maart 1964 vallen op te trekken naar de strafmaat die is vastgelegd voor de illegale aanmaak van geneesmiddelen die vallen onder het koninklijk besluit van 12 april 1974 betreffende sommige verrichtingen in verband met stoffen met hormonale, antihormonale, anabole, beta-adrenergische, anti-infectieuze, antiparasitaire en anti-inflammatoire werking, gelet op de gevaren voor de volksgezondheid en gelet op de toename van de illegale productie van deze middelen en de hoge winstmarge die dit voor de misdadigers oplevert? Kunnen inhoud, motivatie en timing uitvoerig worden toegelicht?

2) Kan de minister aangeven hoeveel strafdossiers er de laatste drie jaar werden behandeld wat betreft de overtreding (door illegale productie) van respectievelijk de geneesmiddelenwet van 25 maart 1964 en onder het koninklijk besluit van 12 april 1974 betreffende sommige verrichtingen in verband met stoffen met hormonale, anti-hormonale, anabole, beta-adrenergische, anti-infectieuze, antiparasitaire en anti-inflammatoire werking?

3) Kan de minister aangeven welke concrete stappen werden gezet om de productie van illegale geneesmiddelen aan te pakken en dit zowel op juridisch vlak als op het terrein? Kan dit cijfermatig worden toegelicht aan de hand van veroordelingen en in beslag genomen producten?

4) Kan de minister toelichten of en zo ja, hoeveel illegale productielijnen van anabolen de jongste drie jaar werden aangetroffen? Hoeveel gebruiksdosissen werden er in beslag genomen en over hoeveel labo's gaat het? Werden in deze gevallen legale bedrijven als dekmantel gebruikt?

5) Bent u bereid met de Gemeenschappen samen te zitten om preventiecampagnes op te zetten, gelet op de gevaren voor de volksgezondheid? Kunt u dit desgevallend toelichten?

Antwoord ontvangen op 4 januari 2017 :

Wat haar vraag betreft, vestig ik de aandacht van het geachte lid op het feit dat ik niet bevoegd ben om erop te antwoorden.

Het is mijn collega Maggie De Block, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, die ter zake bevoegd is.