Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-2323

van Martine Taelman (Open Vld) d.d. 12 mei 2011

aan de minister van Justitie

Most-wanted-lijst (van verdachten van zware misdrijven en ontsnapte gevangenen) - Publicatie

bekendmaking
gedetineerde
persvrijheid
rechten van de verdediging
gerechtelijk onderzoek
gerechtelijk vooronderzoek
eerbiediging van het privé-leven
misdaadbestrijding

Chronologie

12/5/2011 Verzending vraag
9/6/2011 Antwoord

Vraag nr. 5-2323 d.d. 12 mei 2011 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

In antwoord op mijn schriftelijke vraag nr. 4-5587 van 7 december 2009 over de publicatie van een " most-wanted "-lijst antwoordde de geachte minister dat dit voorgelegd zou worden aan het expertisenetwerk strafrechtspleging op datum van 23 april 2010 en ik op de hoogte gehouden zou worden over de verdere ontwikkelingen in dit dossier. Tot op heden heb ik hierover echter niets meer vernomen.

Vandaar mijn vraag:

Ziet de geachte minister graten in het publiceren van zulke lijst? Waarom wel, waarom niet?

Antwoord ontvangen op 9 juni 2011 :

Als antwoord op deze parlementaire vraag maak ik u hierbij in bijlage de nota over die werd besproken en goedgekeurd tijdens de vergadering van 23 april 2010 van het expertisenetwerk strafrechtspleging.

Parket bij het Hof van beroep te Antwerpen.

Publicatie van een most wanted-list in België: worden politie, pers en burger bondgenoten. Een evenwichtsoefening tussen criminaliteitsbestrijding en het recht op privacy.

Inleiding.

In Nederland wil men het publiek inschakelen bij de opsporing van ontsnapte gevangen of voortvluchtigen door gebruik te maken van een “most wanted”-list, dit naar analogie van de lijst die de FBI op zijn website plaatst. Op dergelijke lijst staat de foto en het signalement van de daders of verdachten van zware misdrijven. Vraag die bijgevolg in het Belgische parlement gesteld werd, is of er graten zouden zitten in het publiceren van een dergelijke lijst in België.

De aanwezigheid van de pers bij politieoperaties is steeds een delicate aangelegenheid geweest. Politie en parket vonden dergelijke aanwezigheid een eerder storend en schadelijk element voor het verloop van hun onderzoek. In België geldt immers het geheim karakter van het onderzoek en het vermoeden van onschuld. De pers beroept zich daarentegen op haar opdracht de bevolking te informeren over wat speelt in de maatschappij.

Ten gevolge van deze moeilijkheden is een kluwen van wetgeving, regels en voorschriften ontstaan in verband met media en journalistiek.

Wat nu wanneer gerecht en media de banden aanhalen en de media wordt ingeschakeld in het kader van de criminaliteitsbestrijding? Kan de opdracht van de pers worden uitgebreid van waakhond naar die van helper van het gerecht?

In onze maatschappij is de zoektocht naar daders van misdrijven niet absoluut maar dient onder meer rekening te worden gehouden met het recht op privacy, het geheim van het onderzoek en het vermoeden van onschuld. Bijgevolg is het wenselijk deze principes van naderbij te bestuderen teneinde na te gaan of de publicatie van een most wanted-list in België wel kan worden getolereerd. Alvorens dit te doen, werpen we in een blik op de rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens ter zake. Een veroordeling door het Europees Hof is absoluut te vermijden.

1. The right to be let alone?

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens waakt over de naleving van artikel 8 EVRM dat eenieder het recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven en zijn briefwisseling garandeert. Het opzet van huidige nota bestaat erin te analyseren of de creatie van een most wanted-list in overeenstemming is met de eisen van het Europese Hof en in het bijzonder met haar rechtspraak betreffende artikel 8 EVRM.

Artikel 8 EVRM bepaalt: “Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid of het economische welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en de vrijheden van anderen.”

Artikel 8 EVRM laat dus uitzonderingen toe: de inbreuk op het privé-leven moet voorzien zijn bij wet (legaliteitstoets), noodzakelijk zijn in een democratische samenleving (noodzakelijkheidstoets) en een legitiem doel (legitiemiteitstoets) nastreven. De gedachte heerst dat quasi geen enkel grondrecht een absolute bescherming geniet, maar zijn beperkingen vindt in de vrijheden van anderen of in het algemeen belang.

Alhoewel het Hof zich nog nooit heeft uitgesproken over een most wanted-list as such oordeelde het Hof reeds in het arrest van 11 januari 2005 Sciacca versus Italië over de al dan niet rechtmatige verspreiding van foto’s van verdachten en de conformiteit hiervan met artikel 8 EVRM. In deze zaak werd een Italiaanse onderwijzeres gearresteerd naar aanleiding van haar mogelijke betrokkenheid in een fiscale fraudezaak. Het parket nam foto’s en vingerafdrukken en riep vervolgens een persconferentie bijeen om de pers over de zaak te informeren. De daaropvolgende dagen verschenen in twee kranten foto’s van verdachten waaronder die van de Italiaanse onderwijzeres. Ruim drie jaar later werd ze veroordeeld tot twintig maanden gevangenisstraf en een geldboete. Voor het Hof beklaagde ze zich over een schending van haar recht op privacy door de Italiaanse autoriteiten omdat deze foto’s van haar arrestatie aan journalisten hadden doorgespeeld.

Het voornoemd arrest van het Europees Hof hanteert een ruim concept van het recht op privacy en stelt dat het begrip privacy elementen bevat die verband houden met het recht op afbeelding en de publicatie van een foto deel uitmaakt van het privé-leven. Het verspreiden door het parket van foto’s van de verdachte wordt daarom als een overheidsinmenging in het privé-leven beschouwd. Italië werd veroordeeld omdat de mededeling van foto’s uit het strafdossier door het parket aan de media in Italië niet bij wet was geregeld. Het Hof kwam tot de conclusie dat door het ontbreken van een wettelijke grondslag de overheidsinmenging automatisch een inbreuk betrof op artikel 8 EVRM. Het Hof sprak zich evenwel niet uit of de verspreiding van foto’s door het parket, buiten de legaliteitstoets om, een inbreuk vormde op artikel 8 EVRM. Het arrest Sciacca geeft hoe dan ook duidelijk aan dat een wettelijk kader de modaliteiten en voorwaarden voor mededelingen en verspreiding van gegevens uit het strafdossier moet vastleggen.

Toch mag men niet uit het oog verliezen dat het Europees Hof het recht op privacy, voornamelijk van private personen, evenwel verregaand beschermt.

Daarnaast vormt het geheim van onderzoek ook een belangrijk element in de huidige analyse. Op de overheid en met name de medewerkers van justitie en politie, rust de plicht van geheimhouding van de inhoud van het strafdossier, behoudens het publiek of maatschappelijk belang dat de mededeling van bepaalde informatie aan de pers kan rechtvaardigen.

Tegenover artikel 8 EVRM en het geheim van onderzoek kan echter het artikel 10 EVRM worden geplaatst. Artikel 10 EVRM garandeert het recht op de vrijheid van meningsuiting. De pers heeft op grond van artikel 10 EVRM weliswaar het recht om foto’s van een verdachte te publiceren voor zover de rechtszaak waarover men rapporteert een relevant maatschappelijk belang heeft of de verdachte een publiek persoon is.

In het arrest News Verlags GmbH & CoKG tegen Oostenrijk van 11 januari 2000 won de vrijheid van meningsuiting het ten aanzien van het recht op bescherming van het privé-leven van een persoon die verdacht werd van het sturen van bom-brieven naar verschillende politici. Het tijdschrift “News” publiceerde een artikel over extreem-rechtse sympathieën en publiceerde hierbij een foto van de verdachte. Het hooggerechtshof van Oostenrijk verbood de publicatie van de foto van de verdachte na een afweging tussen het recht op privacy van de verdachte en het recht op informatie. Het tijdschrift “News” vond dit verbod een inbreuk op de persvrijheid. Het Europese Hof oordeelde dat de inbreuk wel degelijk bij wet was voorzien en eveneens een legitiem doel nastreefde. Het doel bestond erin om de verdachte te beschermen tegen beledigingen en schending van het vermoeden van onschuld. Evenwel oordeelde het Hof dat het absolute verbod tot publicatie van de foto van de verdachte te verregaand was omdat het verbod tot publicatie van de foto niet noodzakelijk was in een democratische samenleving. Dit arrest geeft toch wel aan dat het Europese Hof in de publicatie van een foto van een verdachte niet automatisch een schending van artikel 8 EVRM ziet. Telkens is er een afweging van belangen noodzakelijk rekening houdend met alle elementen die een relevante rol spelen in het beoordelen van de situatie.

Met voornoemde Europese rechtspraak in het achterhoofd, mag men weliswaar niet al te vlug oordelen dat het Europese Hof geen problemen zou zien in een most wanted-list. De casussen van zaken Sciacca tegen Italië en News Verlags GmbH & CoKG tegen Oostenrijk zijn toch van een andere orde. Het betreffen individuele gevallen die kaderen in de journalistieke verslaggeving. De publicatie van foto’s hadden in voornoemde zaken geen uitstaans met het aspect van opsporing.

België beschikt, in tegenstelling tot Italië in de zaak Sciacca, over enkele wettelijke bepalingen in het bijzonder de artikelen 28quinquies § 3 en artikel 57 § 3 van het Wetboek van strafvordering en artikel 35 Wet Politieambt. De artikelen 28quinquies § 3 en artikel 57 § 3 bepalen onder welke strikte voorwaarden het parket aan de pers gegevens kan verstrekken. Artikel 35 Wet Politieambt is een gelijkaardig bepaling die evenwel enkel van toepassing is op ambtenaren van de politie. Voornoemde artikelen zullen in huidige nota uitgebreid worden onderzocht. Er zal worden nagegaan of deze artikelen een voldoende wettelijke grondslag zijn voor de creatie van een most wanted-list en of de toegelaten uitzonderingen krachtens voornoemde artikelen voldoen aan de voorwaarden van noodzakelijkheid en legitimiteit in de zin van artikel 8 EVRM.

Het zou de bedoeling zijn om de lijst te publiceren op de officiële site van de politie en de lijst aldus voor het grote publiek toegankelijk te maken. Het is die specificiteit van de most wanted-list die een belangrijk beoordelingselement vormt om na te gaan of de privacyrechten van de betrokkenen kunnen worden verzoend met de noodzaak om een opsporings- of gerechtelijk onderzoek tot een goed einde te brengen. Bovendien wordt de most wanted-list, in tegenstelling tot een opsporingsbericht of een publicatie in de pers, niet gebruikt als een eenmalig instrument, maar vertoont ze een algemeen karakter met een vierentwintig uren toegankelijkheid. Dit permanent karakter zorgt voor een grotere impact zowel op het privé-leven van de betrokkene als op de resultaten van het onderzoek.

2. Artikel 28quinquies § 3 & artikel 57 § 3 Wetboek van Strafvordering

Artikel 28quinquies en artikel 57 van het wetboek van strafvordering behelzen het geheim van onderzoek. Insteek van deze artikelen is vermijden dat de naam van de burger, die misschien later helemaal niet zal worden verwezen of veroordeeld, te grabbel wordt gegooid, dat informatie wordt gelekt aan – nog onbekende – schuldigen of dat essentiële bewijselementen zouden verloren gaan. Dit geheim van onderzoek dient evenwel te worden verzoend met de persvrijheid en het recht op informatie van het publiek. Het is immers van belang dat het publiek, in zaken die de publieke opinie raken, op de hoogte wordt gehouden van de vooruitgang van een onderzoek teneinde te vermijden dat deze zich vragen zou gaan stellen

Een poging hiertoe werd gedaan in paragraaf drie van voormelde artikelen. De procureur des Konings kan, doch met instemming van de onderzoeksrechter ingeval het een gerechtelijk onderzoek betreft, indien het openbaar belang het vereist aan de pers gegevens verstrekken. Hij waakt hierbij over het vermoeden van onschuld, de rechten van verdediging van de inverdenkinggestelde, het slachtoffer en derden, het privé-leven en de waardigheid van personen. Voorzover als mogelijk wordt de identiteit van de in het dossier genoemde personen niet vrijgegeven.

Bij het opstellen van deze bepalingen rezen er vragen over wat juist onder het begrip ‘algemeen belang’ diende te worden verstaan. Zo werd in een amendement voorgesteld om enkel gegevens te verstrekken aan de pers wanneer de handhaving van de openbare rust dit vereist, wat echter door de toenmalige minister niet aanvaardbaar werd geacht. Daarnaast werd opgeworpen dat het publiek in zeer veel gevallen het recht heeft op informatie, zonder dat het noodzakelijk is aan te tonen dat het openbaar belang dit vereist. Ook dit amendement werd echter verworpen. De vereiste van openbaar belang laat in iedere geval een ruime beleidsvrijheid voor de gerechtelijke overheden toe. Zo zal de aard van de zaak en de personen die bij de zaak betrokken zijn een belangrijke factor zijn bij het bepalen of het openbaar belang al dan niet vereist dat er informatie gegeven wordt.

Daarenboven zal het openbaar ministerie tevens rekening dienen te houden met de overige restrictieve voorwaarden die in de wettelijke bepalingen zijn voorzien: het vermoeden van onschuld, de rechten van verdediging van de inverdenkinggestelde, het slachtoffer en derden, het privé-leven, de waardigheid van personen en het principe dat voor zover mogelijk de identiteit van de in het dossier genoemde personen niet wordt vrijgegeven.

Het vermoeden van onschuld, gewaarborgd in artikel 6 EVRM, vereist volgens het Europees Hof dat er bij het geven van informatie alle discretie aan de dag moet worden gelegd die de bescherming van het vermoeden van onschuld vereist. Er moet dus enerzijds onderzocht worden of door een bepaalde mededeling het publiek ertoe gedreven wordt te geloven dat een persoon schuldig is en anderzijds of er door een bepaalde mededeling druk zou kunnen ontstaan op de rechter om de beklaagde schuldig te doen verklaren. Wanneer louter feiten worden meegedeeld waarover geen betwisting kan bestaan, zal deze informatie de toets van het vermoeden van onschuld doorstaan. Anders zal het echter zijn wanneer de overheid ook een beoordeling van de feiten geeft.

Ook over de rechten van verdediging van de verdachte, het slachtoffer en derden moet gewaakt worden. Er wordt aanvaard dat de procureur door het verstrekken van inlichtingen de partijen niet in een minder gunstige positie mag stellen. Dit zal het geval zijn wanneer inlichtingen verstrekt worden die door de partijen betwist worden nu informatie die uitgaat van een procureur een groter gezag heeft dan informatie die uitgaat van de partijen.

Daarnaast dient ook het privé-leven en de waardigheid van personen geëerbiedigd te worden. Een procureur mag enkel die informatie kenbaar maken die noodzakelijk is om de doelstelling te bereiken die hij met het verstrekken van informatie nastreeft. Hij moet derhalve het evenredigheidsbeginsel respecteren.

Ten slotte mag de identiteit van de in het dossier genoemde personen, voor zover mogelijk, niet worden vrijgegeven. In vele gevallen beschikt de pers immers over informatie die door de procureur louter bevestigd of ontkend dient te worden. Bijgevolg dient uit deze laatste waarborg te worden afgeleid dat in beginsel de identiteit niet zal worden onthuld, maar dat op vragen van de pers dewelke betrekking hebben op de betrokkenheid van een concrete persoon bij een bepaald misdrijf wel zal worden geantwoord.

Met deze wettelijke regeling komt men niet alleen tegemoet aan het belang van informatieverspreiding doch ook aan de wens dat de gepubliceerde informatie juist zou zijn: liever een gereglementeerde vorm van informatieverspreiding van kwaliteit, dan officieuze mededelingen langs verschillende kanalen.

Men mag bovendien niet uit het oog verliezen dat ook de gerechtelijke belangen met deze informatie gediend kunnen zijn. Door het informeren van het publiek kan immers een klimaat van vertrouwen gecreëerd worden tussen pers en het gerechtelijk apparaat. Vraag die nu gesteld wordt, is of een beroep kan gedaan worden op dergelijke vertrouwensband om het publiek in te schakelen bij het verzamelen van informatie over bepaalde voortvluchtige of nog op te sporen personen. Het lijkt ons moeilijk om een most wanted-list onder te brengen onder artikel 28quinquies § 3 en artikel 57 § 3 Sv en dit om de reden dat een most wanted-list niet kadert in het recht op informatie. De most wanted-list vormt immers een opsporingsinstrument. Daarenboven is het niet zo dat de bekendmaking van de identiteit en de publicatie van de afbeelding van verdachte in alle geval het openbaar belang zou dienen waardoor het verstrekken van de gegevens zou gerechtvaardigd zijn. Artikel 28quinquies § 3 en artikel 57 § 3 Sv beoogt een belangenafweging per individueel geval. De most wanted-list is niet behept met een individueel karakter, maar is algemeen, collectief en permanent. Een most wanted-list geeft ook de identiteit van de verdachte weer hetgeen niet past in de artikelen 28quinquies § 3 en 57 § 3 Sv. Een most wanted-list houdt met andere woorden een gevaar in voor het vermoeden van onschuld dat de bescherming geniet van voormelde artikelen.

3. Artikel 35 Wet Politieambt.

De voormelde regeling betreffende informatieverstrekking aan de pers door de gerechtelijke overheden vinden we tevens meer concreet terug in artikel 35 Wet Politieambt. Daar waar artikel 28quinquies § 3 het geheim van het onderzoek als algemeen beginsel erkent, is artikel 35 Wet Politieambt een explicitering en een concretisering van dit artikel: dit artikel regelt specifiek de relatie met de media. Artikel 35 Wet Politieambt is daarnaast echter niet zo ruim wat het toepassingsgebied betreft. De algemene plicht tot geheimhouding geldt immers voor eenieder die beroepshalve aan het vooronderzoek meewerkt, zowel magistraten, de griffiers, politiemensen als personen belast met materiele of administratieve taken daar waar de bepalingen in de wet op het politieambt enkel van toepassing zijn op ambtenaren van bestuurlijke of gerechtelijke politie zoals door deze wet opgesomd.

Artikel 35 van de wet op het Politieambt is opgebouwd rondom twee rechten en vrijheden die tegenover elkaar staan, maar in de gedaante van artikel 35 hun beider bestaanrecht behouden zonder met elkaar in conflict te komen. Aan de ene kant beschermt artikel 35 het recht op privacy van bepaalde personen. Daartegenover staat het recht op vrije meningsuiting en recht op informatie, vrijheden die de media nauw aan het hart liggen. Artikel 35 Wet Politieambt was naast de bescherming van de privacyrechten van bepaalde personen tevens bedoeld als een mediavriendelijke ingreep. De achterliggende bedoeling van artikel 35 Wet Politieambt lag met andere woorden in het zoeken naar een compromis tussen de privacyrechten van de met de politie geconfronteerde persoon en de vrijheid van expressie en informatie.

De bepaling van artikel 35 is gericht op de beveiliging van het privé-leven van de betrokken personen terwijl de bepaling tegelijkertijd ook de modaliteiten vastlegt volgens dewelke toch bepaalde gegevens openbaar kunnen worden gemaakt. Een dergelijke constructie sluit aan bij de voorwaarden van het tweede lid van artikel 8 EVRM . Het tweede lid van artikel 8 vereist met name een wettelijke grondslag voor iedere inmenging in het privé-leven. Daarnaast beklemtoonde de omzendbrief van 10 oktober 1995 betreffende de relatie politiediensten en pers dat artikel 35 Wet Politieambt niet alleen een waarborg is in de zin van artikel 8 EVRM, maar ook een concretisering van het beroepsgeheim en het geheim van het vooronderzoek.

In drie onderscheiden paragrafen verbiedt artikel 35 Wet Politieambt een aantal handelingen van ambtenaren van politie ten aanzien van enkele vormen van media-aandacht voor personen die zij in hun macht hebben, waarbij telkens in uitzonderingen wordt voorzien. Lid 1 van artikel 35 Wet Politieambt verbiedt de politieambtenaren om personen die zij in hun macht hebben, buiten noodzaak aan publieke nieuwsgierigheid bloot te stellen.

Lid 2 verbiedt de politieambtenaren om voornoemde personen zonder hun instemming te onderwerpen aan vragen van journalisten of derden evenals beeldopnamen te maken behalve wanneer die bestemd zijn voor hun identificatie of voor andere door de bevoegde gerechtelijke instanties vastgestelde doeleinden. Het nemen van foto’s is dus wel toegestaan mits toestemming van de betrokken persoon. In die zin kan het tweede lid van artikel 35 in verband worden gebracht met het recht op afbeelding waarop eenieder recht heeft. Als basisprincipe geldt dat niet mag worden overgegaan tot de publicatie van een foto van diens persoon zonder diens uitdrukkelijke toestemming. Op deze regel gelden evenwel een aantal uitzonderingen onder andere ten aanzien van “publieke personen” in het kader van de actualiteitsverslaggeving of met het doel het publiek te informeren. Ook private personen zullen in bepaalde strikte gevallen moeten dulden dat zij herkenbaar zijn bij de publicatie van een foto wanneer een ernstig maatschappelijk belang met de publicatie van deze foto gemoeid is . Daarnaast voorziet lid 2 van artikel 35 Wet Politieambt dat het nemen van foto’s wel is toegestaan zonder toestemming van de betrokken persoon in functie van identificatie door de gerechtelijke instantie of ten behoeve van andere door de bevoegde gerechtelijke instantie vastgestelde doeleinden.

Lid 3 verbiedt aan politiemensen om de identiteit bekend te maken van personen die aangehouden, gevangen of opgehouden zijn. Dit verbod geldt niet in het kader van het verwittigen van de verwanten van de betrokken personen. Daarnaast kan van het verbod tot niet-bekendmaking van de identiteit van de betrokken persoon worden afgeweken met toelating van de bevoegde gerechtelijke instantie. Het voornoemde lid 3 werd uitgewerkt in een drietal ministeriële omzendbrieven van de Minister van Justitie betreffende principes en voorschriften inzake mededelingen naar de pers vanwege magistratuur, parket en politie. Indien er een voldoende maatschappelijk of publiek belang is mee gemoeid, voorzien de bepalingen van de omzendbrieven en de interne voorschriften inzake de relatie tussen pers en justitie in de mogelijkheid van informatieverschaffing door de verantwoordelijken van politie en parket.

Artikel 35 Wet Politieambt geeft de politiemensen dus een belangrijk oriëntatiepunt wanneer ze worden geconfronteerd met informatieverzoeken van pers of publiek of wanneer ze zelf het publiek of de pers willen benaderen. In bepaalde gevallen kunnen ze inlichtingen waarover ze beschikken zelf vrijgeven, in andere gevallen moeten ze contacten tussen pers en de betrokkene mogelijk maken of toestaan.

Net zoals artikelen 28quinquies § 3 en 57 § 3 Sv is artikel 35 Wet Politieambt en meer in het bijzonder lid 2 en lid 3 die onder meer toelaten om beeldopnames te maken wanneer deze bestemd zijn voor identificatie of wanneer er een ernstig maatschappelijk belang is mee gemoeid op basis waarvan eventueel een identiteit kan bekend gemaakt worden, toepasselijk op individuele gevallen. Een most wanted-list past niet in dit plaatje en plaatst een zware hypotheek op het vermoeden van onschuld. Verder kan er worden verwezen naar dezelfde redenen onder punt 1 laatste alinea.

4. Wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

De wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer beschermt de burger tegen misbruik van zijn persoonlijke gegevens. Zo bepaalt artikel 2 van deze wet dat iedere natuurlijke persoon in verband met de verwerking van zijn persoonsgegevens die op hem betrekking hebben recht heeft op bescherming van zijn fundamentele rechten en vrijheden, inzonderheid op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer.

De commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer heeft herhaaldelijk geoordeeld dat visuele beelden gegevens uitmaken in de zin van de wet verwerking persoonsgegevens en dat wanneer zij betrekking hebben op één of meer natuurlijke personen die geïdentificeerd zijn of kunnen worden, zij bovendien persoonsgegevens uitmaken in de zin van de wet persoongegevens.

Bijgevolg dient met deze wettelijke bepaling rekening te worden gehouden bij publicatie van een most wanted-list.

Artikel 4 van voormelde wet bepaalt dat (i) persoonsgegevens eerlijk en rechtmatig moeten worden verwerkt, dat (ii) ze voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden moeten worden verkregen en (iii) niet verder mogen worden verwerkt op een wijze die, rekening houdend met alle relevante factoren, met name met de redelijke verwachtingen van de betrokkene en met de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen, onverenigbaar is met die doeleinden, (iv) dat ze toereikend, terzake dienend en niet overmatig te zijn, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden verkregen of waarvoor zij verder worden verwerkt, (v) dat zij nauwkeurig zijn en, zo nodig, worden bijgewerkt en dat zij tenslotte (vi) in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen te identificeren, niet langer te worden bewaard dan voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verkregen of verder worden verwerkt, noodzakelijk is.

Ook de verwerking van deze persoonsgegevens is gebonden aan een wettelijk kader. Artikel 5 bepaalt immers dat de verwerking van persoonsgegevens enkel kan plaatsvinden (i) wanneer de betrokkene daarvoor zijn ondubbelzinnige toestemming heeft voor verleend (ii) wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is of voor de uitvoering van maatregelen die aan het sluiten van die overeenkomst voorafgaan en die op verzoek van de betrokkene zijn genomen, (iii) wanneer de verwerking noodzakelijk is om een verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke voor de verwerking is onderworpen door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie, (iv) wanneer de verwerking noodzakelijk is ter vrijwaring van een vitaal belang van de betrokkene, (v) wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van openbaar belang of die deel uitmaakt van de uitoefening van het openbaar gezag, die is opgedragen aan de verantwoordelijke voor de verwerking of aan de derde aan wie de gegevens worden verstrekt alsnog (vi) wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke voor de verwerking of van de derde aan wie de gegevens worden verstrekt. De verwerking van de persoonsgegevens kan dus binnen de voornoemde voorwaarden mits het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene die aanspraak maakt op bescherming uit hoofde van deze wet, niet zwaarder doorwegen.

Daarenboven is uitdrukkelijk bepaald dat de verwerking van persoonsgegevens uitdrukkelijk is verboden inzake geschillen voorgelegd aan hoven en rechtbanken alsook aan administratieve gerechten, inzake verdenkingen, vervolgingen of veroordelingen met betrekking tot misdrijven, of inzake administratieve sancties of veiligheidsmaatregelen. Dit verbod is echter niet van toepassing op verwerkingen onder toezicht van een openbare overheid of van een ministeriële ambtenaar in de zin van het Gerechtelijk Wetboek, indien de verwerking noodzakelijk is voor de uitoefening van hun taken; door andere personen, indien de verwerking noodzakelijk is voor de verwezenlijking van doeleinden die door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie zijn vastgesteld; door natuurlijke personen of door privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersonen inzoverre dat noodzakelijk is voor het beheer van hun eigen geschillen, door advocaten of andere juridische raadgevers inzoverre de verwerking noodzakelijk is voor de verdediging van de belangen van de cliënten alsnog die noodzakelijk zijn voor het wetenschappelijk onderzoek en verricht worden onder de voorwaarden vastgesteld door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Is de verwerking van de gegevens in het kader van een most wanted-list toelaatbaar volgen de Privacywet? Hoewel artikel 5 van voornoemde wet bepaalt dat de verwerking van de persoonsgegevens kan plaatsvinden wanneer deze noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van openbaar belang of voor de uitoefening van het openbaar gezag, kan men zich niet van de indruk ontdoen dat wanneer deze bepaling als grondslag zou dienen voor de most wanted-list dit een hoogst artificiële juridische constructie zou zijn. Is een most wanted-list überhaupt wel noodzakelijk voor een vervulling van openbaar belang of voor de uitoefening van het openbaar gezag? Beschikt de politie en het gerecht niet reeds over adequate instrumenten die de privacyrechten en het vermoeden van onschuld minder in het gedrang brengen ? Een korte blik op het wetboek van strafvordering zou moeten leiden tot een positief antwoord op deze laatste vraag.

5. Alternatief ?

De analyse van alle mogelijke wettelijke grondslagen brengt een eenduidig antwoord naar voren: ze zijn niet voldoende om een verregaand opsporingsinstrument zoals een most wanted-list wettelijk te dragen. Op dit punt is er dus al een schending met artikel 8 EVRM. Zelfs als men een wettelijke grondslag zou ontwikkelen, dan nog zijn er twee barrières die moeten worden overbrugd om een conformiteit met artikel 8 EVRM te vinden: de noodzaak in een democratische samenleving en het nastreven van een legitiem doel. Het lijkt ons hoogst onwaarschijnlijk dat een most wanted-list noodzakelijk is in een democratische samenleving zoals de onze waarin het gerecht beschikt over adequate opsporingsmethoden zoals de observatie, inkijkoperatie, tap, huiszoeking, DNA analyse enzovoort. Voornoemde opsporingsmethoden hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat zij niet de strijd met artikel 8 EVRM aanbinden. En waar schuilt het wettige doel ? Het opsporen van verdachten waarvan de schuld nog niet vaststaat ? Hoe legitiem is dit doel nog wanneer men de gewone burger introduceert in de speurderswereld zonder hiertoe ook maar op enige manier door de wet te zijn gemachtigd? Enkel bij voortvluchtige veroordeelde gevangenen speelt het vermoeden van onschuld niet meer en zou een soort van most wanted-list te overwegen zijn.

Al te vaak wordt er verwezen naar de noorderburen en zelfs naar het model van de Verenigde Staten en haar Federal Bureau of Investigation (FBI). Wat men vaak schijnt te vergeten is dat het rechtssysteem in de Verenigde Staten een Angelsaksisch rechtssysteem is waar de bewijslast van een totaal andere invalshoek wordt bekeken. Ons continentaal systeem leent zich niet tot gelijkaardige rechtsfiguren.

Nu de most wanted-list op de officiële site van de politie niet tot de mogelijkheden behoort, is een gelijkaardige lijst wel mogelijk als een intern opsporinginstrument alleen te gebruiken door personen die hier door de wet zijn gemachtigd. Op die manier worden het vermoeden van onschuld, het geheim van onderzoek en de privacyrechten van de betrokkene gegarandeerd. Evenwel bereikt de lijst een minder ruim publiek. Toch maakt dit laatste aspect de interne most wanted-list niet tot een minder efficiënt opsporingsinstrument.

Wanneer politiediensten dan toch het gevoel hebben vast te zitten, kunnen zij nog steeds hun toevlucht zoeken tot het bestaande systeem van gerechtelijke opsporingsberichten en op die manier alsnog het publiek bij hun zoektocht inschakelen.

CONCLUSIE.

Op de vraag of er verder graten zouden zitten in het publiceren van een most wanted-list in België is het antwoord negatief van aard. Een publieke most wanted-list heeft verstrekkende gevolgen voor de te verdedigen privacyrechten van de betrokkene, het vermoeden van onschuld en het geheim van het onderzoek. Naast de betrokken persoon wiens foto op de publieke most wanted-list prijkt, zijn er ook nog de maatschappij, de media, de burger, het slachtoffer die elk hun plaats in het strafrechtsysteem opeisen. Het is een kunst op zich om elk van deze actoren een stem te geven in het maatschappelijke streven naar rechtvaardigheid. Een publieke most wanted-list kan verdiensten hebben op het vlak van de resultaten van het onderzoek. Toch moet een extreem scenario waarbij de burger het recht in eigen handen neemt en het onveiligheidsgevoel om de hoek loert te allen tijde worden vermeden. De publieke most wanted-list heeft in ons rechtssysteem geen wettelijke grondslag omwille van haar algemeen en permanent karakter hetgeen een individuele afweging geval per geval onmogelijk maakt. Bovendien zou een invoering van een publieke most wanted-list de noodzakelijkheids- en legitimiteitstoets van artikel 8 EVRM niet zonder kleerscheuren doorstaan. Een interne most wanted-list die ter beschikking staat van alle politiediensten vormt een mogelijk en aanvaardbaar alternatief en in geval van uiterste nood kan nog steeds een beroep worden gedaan op het bestaand systeem van de gerechtelijke opsporingsberichten.