Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 4-6364

van Els Van Hoof (CD&V) d.d. 29 december 2009

aan de minister van Justitie

Internet - Zedendelicten - Opname in het Strafwetboek

virtuele gemeenschap
publieke moraal
internet
internetsite
pedofilie
kinderbescherming
gerechtelijke vervolging

Chronologie

29/12/2009 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 29/1/2010 )
3/5/2010 Antwoord

Herkwalificatie van : vraag om uitleg 4-1247

Vraag nr. 4-6364 d.d. 29 december 2009 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Verscheidene campagnes wijzen ouders en kinderen op de risico’s verbonden aan internetgebruik. Steeds meer worden nietsvermoedende minderjarigen het slachtoffer van perverten die zich op het internet (chatbox, forum, MSN, …) voordoen onder valse hoedanigheden. Nadat ze het vertrouwen van de jongere hebben gewonnen, zetten ze hem aan tot het zich letterlijk blootgeven voor de webcam of proberen ze een afspraak te forceren onder bedreiging anders compromitterende foto’s te verspreiden via het net.

De kwalificatie van dergelijke feiten levert volgens het openbaar ministerie vaak problemen op. Het parket kwalificeert ze bijvoorbeeld als bederf van de jeugd en prostitutie (artikel 379 en 380bis van het Strafwetboek), als belaging (artikel 442bis van het Strafwetboek) of werkt met de wet op de elektronische communicatie (artikel 145, § 3bis, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie). Er is echter geen specifiek artikel dat alle elementen (een valse identiteit innemen op internet met als doelstelling in contact te treden met minderjarigen en om zedenfeiten te plegen) bevat en daarvoor een strafmaat bepaalt.

Mijn vragen zijn dan ook de volgende:

1.Op welke basis kan het openbaar ministerie dergelijke feiten op dit moment vervolgen?

2.Zal de geachte minister een wetgevend initiatief nemen om een correcte kwalificatie van dergelijke feiten op te nemen in het Strafwetboek?

Antwoord ontvangen op 3 mei 2010 :

De kwalificatie van de in deze parlementaire vraag geschetste problematiek levert op het terrein soms problemen op.

De geviseerde handelingen zouden inderdaad kunnen gekwalificeerd worden als aanzetten tot ontucht of prostitutie, belaging of inbreuken op de wet elektronische communicatie.

Er zal echter per geval dienen onderzocht te worden welke misdrijven zouden kunnen weerhouden worden. De juiste kwalificaties dienen immers bepaald te worden op grond van de feitelijke gedragingen en intenties.