Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 4-338

van Marc Verwilghen (Open Vld) d.d. 13 februari 2008

aan de minister van Klimaat en Energie

CO2-uitstoot - Compensatieprojecten

luchtverontreiniging
vermindering van gasemissie
officiële statistiek
geografische spreiding
bestrijding van de verontreiniging
broeikaseffect
opwarming van het klimaat
Protocol van Kyoto

Chronologie

13/2/2008 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 13/3/2008 )
13/3/2008 Antwoord

Vraag nr. 4-338 d.d. 13 februari 2008 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Op 23 januari 2008 publiceerde de Europese Commissie haar klimaatpakket dat uitvoering moet geven aan de zogenaamde “20-20-20-doelstelling” die de Europese Raad zichzelf heeft opgelegd: 20% minder uitstoot, 20% energiebesparing en 20% hernieuwbare energie tegen 2020. Voor ons land betekent dit 13% hernieuwbare energie, 20% energie besparen, 10% biobrandstof in transport en 20% minder CO2-uitstoot.

Het Belgisch klimaatbeleid is daarbij vooral gefocust op het onder controle houden en reduceren van de CO2-uitstoot.

Daarom volgende vragen:

Hoeveel bedroeg de totale CO2-uitstoot van België tijdens de afgelopen vijf jaren? Graag had ik daarbij een opsplitsing verkregen van de samenstelling van die CO2-uitstoot (aandeel personenvervoer, aandeel vrachtvervoer, aandeel industrie, aandeel huishoudens, aandeel elektrische krachtcentrales, …).

Welke plaats bekleedt ons land op de ranking van de Europese Lidstaten wanneer de CO2-uitstoot per capita wordt berekend? Graag daarbij terug cijfers voor de afgelopen vijf jaren.

Hoe staat de geachte minister tegenover bedrijven die CO2-compensaties aanbieden? In welke mate bestaat er een garantie dat het verzamelde geld werkelijk geïnvesteerd wordt in C02-compenserende projecten en dat er geen malafide bijbedoelingen zijn waarover de Nederlandse Volkskrant op 2 februari 2008 berichtte? Vindt hij dat bijvoorbeeld het aanplanten van “klimaatbossen” een goed alternatief is om bij te dragen aan de beperking van de CO2-uitstoot? Of zijn er andere initiatieven die meer en vlugger resultaat opleveren?

Antwoord ontvangen op 13 maart 2008 :

Bij wijze van inleiding, wil ik er vooralsnog op wijzen dat de 20 % doelstelling voor de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen onderverdeeld wordt tussen de sectoren die onder het systeem van emissiehandel vallen en de overige sectoren. Er wordt immers een reductiedoelstelling per Lidstaat vastgelegd voor de overige sectoren, zijnde transport, landbouw en gebouwen. Voor België betekent dit een nationale reductiedoelstelling van 15 % tegen 2020 ten opzichte van het jaar 2005. Om een gelijke behandeling tussen de bedrijven te garanderen, worden de sectoren, die onder het systeem van emissiehandel vallen, op Europees niveau geregeld. Er wordt dus een Europees emissieplafond vastgelegd.

De nationale CO2-emissies bedroegen in 2005 123,3 miljoen ton. Deze emissies zijn als volgt verdeeld over de belangrijkste uitstotende sectoren :
- elektriciteitsproductie : 20,0 %;
- industrie : 30,1 %;
- vervoer : 20,7 %;
- gebouwen : 24,7 %.

Vergeleken met de vorige 5 jaar zijn deze CO2-emissies lichtjes gedaald (-0,6 % ten opzichte van 2000). Ze blijven echter boven het niveau van 1990 liggen, het jaar dat in het Protocol van Kyoto als referentieniveau gebruikt wordt (+3,6 %). Deze stijging wordt gelukkig gecompenseerd door aanzienlijke reducties op het niveau van bronnen van andere broeikasgassen, zodat in 2005 de totale broeikasgasemissies in België 2,1 % onder het niveau van het referentiejaar lagen.

De Belgische emissies per hoofd liggen op een niveau van 13,8 ton CO2 per jaar en per inwoner. Dit niveau is de laatste jaren weliswaar gezakt maar blijft hoger dan het Europees gemiddelde, dat 10,5 ton per jaar en per inwoner bedraagt (10,9 voor de vijftien oude Lidstaten). Meer gedetailleerde informatie over de statistieken van Belgische broeikasgasemissies en de vergelijking van deze gegevens met andere Lidstaten van de Europese Unie zijn respectievelijk beschikbaar in publicaties van de Nationale Klimaatcommissie (http://www.climatechange.be) en van het Europees Milieuagentschap (http://www.eea.europa.eu/themes/climate).

De compensatie van CO2-emissies waartoe bepaalde ondernemingen overgaan om de emissies veroorzaakt door vliegtuigreizen in het kader van hun activiteiten te neutraliseren, vormt een optie om een vrijwillige bijdrage te leveren in de strijd tegen de opwarming van de aarde. Deze optie moet worden beschouwd als een aanvullend en onafhankelijk instrument van het systeem dat in het kader van het Kyotoprotocol is ingevoerd om de broeikasgasemissies terug te dringen. Het is bijzonder geschikt wat betreft de emissies uit de luchtvaart aangezien deze sector tot op heden aan elke regelgeving ontsnapt. Het ontwerp van Europese richtlijn met het oog op de opname van de luchtvaart in het Europese systeem voor handel in emissierechten vormt in dit opzicht een belangrijke stap voorwaarts.

Het is belangrijk te beseffen dat die emissiereducties teweeggebracht door de compensatieprogramma's voor vluchten niet in rekening worden gebracht bij de reductieinspanningen die moeten worden geleverd om de Kyoto-verbintenis na te leven.

Wat het aangehaalde probleem betreft, met name de garantie dat de bedragen die in deze programma's worden geïnvesteerd effectief worden aangewend voor projecten die leiden tot effectieve emissiereducties, is de centrale vraag die omtrent de kwaliteit van de projecten en van de certificeringssystemen waarop die verschillende programma's al dan niet een beroep doen. Het persartikel waarnaar het geachte lid verwijst, gaat in feite in op de kwestie van de additionaliteit, dat wil zeggen de garantie dat het ontwikkelde project wel degelijk zorgt voor een reductie van de emissies die er niet gekomen zou zijn indien dat project niet werd uitgevoerd. De beste garanties die hiervoor geboden kunnen worden, gaan terug op twee mogelijkheden. De eerste is het aankopen en het annuleren van kredieten die voortkomen uit projecten met betrekking tot de Kyoto-mechanismen (gezamenlijke uitvoering en mechanisme voor schone ontwikkeling), de modaliteiten vastgelegd door de Verenigde Naties voor de goedkeuring van die projecten bieden daartoe alle nodige garanties. De tweede is het investeren in projecten die een certificering ontvingen op basis van strikte, gestandaardiseerde en erkende procedures.

De keuze voor een compensatieprogramma gebaseerd op een van die procedures vormt dus de beste garantie dat het geld wordt geïnvesteerd in projecten die zorgen voor een effectieve emissiereductie.

Bosbouwprojecten maken deel uit van de projecten die worden ontwikkeld door een bepaald aantal programma's. Hoewel die projecten een gunstig effect kunnen hebben inzake opslorping van CO2, is deze categorie projecten het meest onderhevig aan controverse, gezien het tijdelijke karakter van de CO2-captatie, de grote onzekerheid wat betreft de hoeveelheden die werkelijk geabsorbeerd worden, de eventuele nadelige gevolgen voor het milieu, de biodiversiteit, de duurzame ontwikkeling, vooral in de ontwikkelingslanden.