Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 4-2597

van Marc Verwilghen (Open Vld) d.d. 12 januari 2009

aan de minister van Maatschappelijke Integratie, Pensioenen en Grote Steden

Ouderen in een rusthuis - Onderhoudsplicht - Overschrijding van één vierde van het inkomen

bejaarde
sociale voorzieningen
alimentatieplicht
gezinssolidariteit
OCMW
gezinslast

Chronologie

12/1/2009 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 12/2/2009 )
17/6/2009 Antwoord

Herindiening van : schriftelijke vraag 4-757

Vraag nr. 4-2597 d.d. 12 januari 2009 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Als het inkomen van ouderen die worden opgenomen in een rusthuis ontoereikend is, kan het OCMW tussenkomen in de kosten. Het OCMW vraagt dan wel dat de onderhoudsplichtigen bijdragen in de kosten. Deze onderhoudsplicht is wettelijk geregeld door organieke wet van 8 juli 1976 over de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, artikel 98, §2, en het koninklijk besluit van 9 mei 1984.

De bijdragen zelf worden geregeld via een uniforme schaal die de maandelijkse tussenkomst in functie van het aantal personen ten laste en het netto belastbaar inkomen vastlegt. Een praktijkvoorbeeld hiervan werd mij recent gesignaleerd.

U bent enig kind met een inkomen van netto ongeveer 2 000 euro en uw bejaarde moeder of vader ontvangt maandelijks 950 euro pensioen. Om alle rusthuiskosten te kunnen betalen moet u 509 euro betalen per maand aan onderhoudsplicht.

Daarom volgende vragen:

Acht de geachte minister het normaal dat men één vierde en meer van het inkomen aan onderhoudsplicht moet betalen?

Indien neen, is hij bereid om de schaal met de maandelijkse bijdragen te evalueren en desgevallend bij te sturen?

Antwoord ontvangen op 17 juni 2009 :

Als antwoord op zijn vraag heb ik de eer het geachte lid mede te delen dat het OCMW als opdracht heeft de door de gemeenschap verschuldigde hulp te verlenen aan personen en gezinnen. Deze hulp blijft residueel ten opzichte van de familiale solidariteit. Om deze reden bepaalt artikel 98, § 2 , van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn dat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn krachtens een eigen recht de kosten van de maatschappelijke dienstverlening verhaalt op de onderhouds-plichtigen van de begunstigde tot beloop van het bedrag waartoe zij gehouden zijn voor de verstrekte hulp.

Het koninklijk besluit van 9 mei 1984 tot uitvoering van artikel 100bis, § 1, van voormelde wet van 8 juli 1976 heeft de voorwaarden betreffende de terugvordering gepreciseerd, die in principe, behoudens uitzondering, moet gebeuren bij bepaalde onderhoudsplichten en onder bepaalde voorwaarden

In de situatie waarnaar het geachte lid verwijst bepaalt artikel 14, § 1, van voormeld koninklijk besluit dat geen verhaal kan worden uitgeoefend tegen de onderhoudsplichtige indien zijn belastbaar inkomen van het voorlaatste kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin over de uitoefening wordt beslist, het bedrag van 20 335.35 euro per jaar, verhoogd met 2 846.95 euro voor elke persoon ten laste, niet overschrijdt (geïndexeerde bedragen op 1 september 2008). Het verhaal is beperkt tot het bedrag dat het in het eerste lid vermelde belastbaar inkomen te boven gaat. Vroeger waren er twee maximumbedragen voor het inkomen wat betreft de terugvordering bij de onderhoudsplichtigen. Het laagste maximumbedrag, 20 % minder dan het huidig maximumbedrag, gold voor de terugvordering van hospitalisatie- of huisvestingskosten. Dankzij de afschaffing ervan in 2004 konden minder bedeelde personen beschermd worden tegen een terugvordering van de kosten voor de plaatsing van hun ouders, door het maximumbedrag van het inkomen waaronder geen terugvordering mogelijk is, gelijk te stellen met voormeld bedrag inzake maatschappelijke dienstverlening en leefloon.

Overeenkomstig artikel 16 van voormeld koninklijk besluit van 9 mei 1984 wordt de tegemoetkoming van de onderhoudsplichtigen bepaald, net zoals voor het leefloon, volgens een door de minister vastgestelde eenvormige schaal. In deze schaal wordt rekening gehouden met het bedrag van het inkomen, maar ook met het aantal personen ten laste. Met de invoering van een gelijkvormige schaal voor de terugvordering was het de bedoeling dat alle OCMW's van het land alle onderhoudsplichtigen op dezelfde manier zouden behandelen in geval van terugvordering. Onverminderd de toepassing van dit principe werd een mogelijke afwijking van deze schaal evenwel voorzien in uitzonderlijke omstandigheden. Volgens artikel 16 van voormeld koninklijk besluit kan het OCMW afwijken van deze schaal ten gunste van de onderhoudsplichtige door middel van een individuele beslissing wanneer bijzondere omstandigheden dit verantwoorden en in de beslissing worden gemotiveerd. Deze schaal werd vastgesteld op basis van de gemiddelde toenmalige terugvorderingpraktijk van de OCMW's.

Het OCMW kan aldus, rekening houdend met concrete individuele omstandigheden, een lager maandbedrag terugvorderen in vergelijking met het bedrag vastgelegd in de schaal van tussenkomsten.

Voormeld koninklijk besluit van 9 mei 1984 heeft voorzien in andere beschermingsbepalingen voor de onderhoudsplichtige:

Artikel 13 bepaalt aldus dat, vooraleer te beslissen over de uitoefening van het verhaal, het OCMW een sociaal onderzoek instelt naar de toestand van de onderhoudsplichtige en het familiale aspect van de zaak. Dit onderzoek is niet verplicht indien op basis van het sociaal dossier van de begunstigde blijkt dat er redenen van billijkheid kunnen ingeroepen worden om niet terug te vorderen of dat de kosten en inspanningen verbonden aan de terugvordering niet opwegen tegen het te verwachten resultaat.

Artikel 14, § 2, van hetzelfde besluit bepaalt dat indien bewezen wordt dat de vermogenstoestand van de onderhoudsplichtige sinds het jaar bedoeld bij paragraaf 1 in belangrijke mate is gewijzigd, de nieuwe vermogenstoestand als basis wordt genomen voor het uitoefenen van het verhaal en het bepalen van het bedrag van de terugvordering.

Voorts kan het OCMW krachtens artikel 18 van hetzelfde besluit afzien van het verhaal tegenover de onderhoudsplichtigen om redenen van billijkheid. Het geeft de concrete feiten en redenen aan waarop deze beslissing is gesteund.

Ten slotte kan het OCMW krachtens artikel 98, § 3, van voormelde wet van 8 juli 1976 algemeen afzien van het verhalen van de maatschappelijke dienstverlening verleend aan personen die ten laste zijn genomen in instellingen, waar bejaarden worden gehuisvest, op de onderhoudsplichtigen, met de goedkeuring van de gemeentelijke overheid.

Gelet op deze veelvuldige beschermingsmogelijkheden die bij wet of besluit werden ingevoerd, blijkt dat de betrokkene beschikt over voldoende verweermiddelen om zijn argumenten te laten gelden opdat een OCMW zou afzien van de terugvordering of het bedrag van de terugvordering zou aanpassen om redenen van billijkheid die hij zal kunnen aanvoeren desnoods bij een burgerlijke rechtbank indien het OCMW de zaak voor het gerecht heeft gebracht. In de praktijk zal de betrokkene waarschijnlijk hebben kunnen genieten van een van voormelde matigingsmaatregelen die meestal tot gevolg heeft dat het aangekondigde terugvorderings-percentage in de praktijk veel lager zal liggen. Ik ben niettemin bereid om in overleg met de Federaties van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn de huidige school te evalueren.